Notes


Matches 1 to 50 of 1,035

      1 2 3 4 5 ... 21» Next»

 #   Notes   Linked to 
1 (getuige(n): Antonius Jacob Bartels en Maria de Jongh), Aerts, Wilhelmina Marini (I5614)
 
2 (getuige(n): Bartholomeus Antoni Vermunt en Joanna Johannes Kastermans), Vermunt, Bartholomeus (I5613)
 
3 (getuige(n): Corneli Petri Oostvogels en Elisabeth Josephi van Kuijck), van Kuijck, Cornelius Adriani (I5615)
 
4 (getuige(n): Melchior Janse van de Riet en Josina Marijnisse Broeck), Vermunt, Bartholomeus Antonius (I5590)
 
5 (getuige(n): Wilhelmus Hopstaken en Joanna Maria Bloem), Vermunt, Anthonij Bartholomeus (Antonie) (I5612)
 
6 (Research):Hoeven Trouwdatum 22-04-1714 Ondertrouwdatum 07-04-1714 Bron NH Trouwen 1707-1741 (deel 12) Vermunt, Hubertus Janssen (I2330)
 
7 1 Dec 1814Gemeente = TwiskSoort akte = OverlijdensakteArchief locatie = Noord-Hollands ArchiefAangiftedatum = 01-12-1814Overlijdensdatum = 01-12-1814Leeftijd overledene = 6Aktenummer = 25Overledene = Druijf, DieuwertjeGeslacht = FVader = Druijf, JacobMoeder = Spijker, Aaltje Druif, Dieuwertje (I500971)
 
8 12 uur 's nachts Visser, Dirk Gerritszn (I4804)
 
9 14 Jul 1839Gemeente = OpperdoesAktenummer = 3Datum = 14-07-1839Archief locatie = Noord-Hollands ArchiefToegang = 358Inventarisnummer = 358.93Akte = HuwelijksakteBruidegom = Dirk DruijfGeboorteplaats bruidegom = -Bruid = Maartje de GrootGeboorteplaats bruid = -Beroep bruid = dienstbodeVader bruidegom = Jacob DruijfBeroep vader bruidegom = veemanMoeder bruidegom = Aaltje SpijkerVader bruid = Jacob GrootMoeder bruid = Neeltje Klomp Family F500761
 
10 16-12-1389 Aelman van Holland, Jan (I6807)
 
11 7 november 1580 veroordeeld voor hoogverraad en de volgende dag onthoofd van Horne, Willem (I468)
 
12 79 jaar oud Fit, Marijtje Jans (I4294)
 
13 85 jaar oud Buijsman, Gerrit (I4293)
 
14

zoon van [waarschijnlijk] Jacob Arentsz Rodenburch en [waarschijnlijk] Trijntge Maartens Hogerscheijt. Hij is gedoopt op 22-03-1689 in Naaldwijk. Maerten is overleden op 30-10-1761 in Zegwaart, 73 of 74 jaar oud. Hij is begraven [bron: Akte nr. GZe6II/237]. Notitie bij Maerten: ook als: Roodenburg Maerten: (1) trouwde, 21 of 22 jaar oud, op 22-12-1709 in Zoetermeer [bron: Akte: Z14/50 in recht.Archief 11Z] met Pleuntje Janse Lelijvelt (Lelivelt), 29 jaar oud. Pleuntje is een dochter van Jan Dircksz Lelijvelt en Maartje Leenderts Vrijenoock. Zij is gedoopt op 07-04-1680 in Benthuizen. Pleuntje is overleden op 29-08-1736 in Zegwaart, 56 jaar oud. Pleuntje is weduwe van Jan Jeroense Warmenhoven (1672-vóór 1709), met wie zij trouwde op 04-05-1704 in Wilsveen. (2) trouwde, 54 of 55 jaar oud, op 09-12-1742 in Zoetermeer [bron: Akte:Z15/72] met NeeltjeJapikse Bruggeman (Brugman), minstens 22 jaar oud, nadat zij op 23-11-1742 in Zoetermeer in ondertrouw zijn gegaan [bron: Akte: GZe5/4]. Neeltje is geboren vóór 1720. Kinderen van Maerten en Pleuntje: 1 Jacob MaertenszRodenburg. Hij is gedoopt op 19-10-1710 in Benthuizen. Jacob trouwde, 38 jaar oud, op 13-07-1749 in ?s-Gravenzande met Hendrikje Leenderts Schilperoort, 28 jaar oud, nadat zij op 14-05-1749 in ?s-Gravenzande in ondertrouw zijn gegaan. Hendrikje is een dochter van Leendert Pieters Schilperoort en Machteltje Hendriks Prins. Zij is gedoopt op 13-04-1721 in Hoogvliet.

 
Rodenburg, Maerten Jacobse (I500881)
 
15
broer van Arnulf van Vlaanderen.

 

 
van Kleef van Teisterband, Achtste graaf van Kleef Robert I (I4985)
 
16
graaf van Aquitanië en werd in 839 door keizer Lodewijk de Vrome benoemd tot graaf van Auvergne en Poitiers

 

 
Van Aquitanië, Gerhard (I4983)
 
17

Job Thomas Commijs (ook wel Cramer) komt van Brouwershaven, vermoedelijk geboren zo rond 1560, hij vertrok tussen 1590 en 1600 vanuit Brouwershaven op het Zeeuwse eiland Schouwen naar het eiland IJsselmonde. In die tijd waren er nog geen bruggen e.d om het makkelijk te maken, dus gaan we er maar vanuit dat hij per boot deze reis heeft gemaakt.  Hij vestigde zich in Barendrecht en vond daar zijn vrouw genaamd Grietje Reijers, zij is in Barendrecht geboren rond 1596. Zij trouwen in Barendrecht op 3 april 1616, Job overlijd voor 1634 in Barendrecht, waarna Geertje opnieuw trouwt met Willem Ottensz. 
Job krijgt samen met Geertje 6 kinderen allen geboren te Barendrecht, Aechtge 1616, Aert in 1617, Reijer in 1621, Thomas in 1622, Jan in 1624 en Lenert in 1630.

 
Commijs, Job Thomas (I500935)
 
18
 
 
Pijper, Klaas (I502193)
 
19

Hij was de eerste heer van Gaasbeek en de bouwheer van het kasteel van Gaasbeek. Hij was ook heer van Herstal en van Baucignies.
Godfried was een zoon van hertog Hendrik I van Brabant (Zie Graven van Leuven nr. 7) en Mathilde van Boulogne. De hertog van Brabant creëerde het land van Gaasbeek om het hertogdom te verdedigen tegen het graafschap Henegouwen. Als heer van Gaasbeek werd hij opgevolgd door zijn zoon Hendrik.

Hij was eerst gehuwd met Adelheid Berthout. Uit dit huwelijk zijn geen kinderen bekend. Zijn tweede huwelijk was met Maria van Oudenaarde, dochter van Arnoud, Heer van Oudenaarde en Pamele en zijn vrouw Alix de Rosoy. Zij hadden vijf kinderen

 

 
van Brabant Leuven Gaesbeek, Godfried (I1381)
 
20

Landgoed De Raephorst is een landgoed in Wassenaar. Vroeger heeft hier een kasteel gestaan.
Kasteel Raephorst bestaat niet meer en Landgoed de Raephorst is samengegaan met Landgoed ter Horst en wordt nu De Horsten of Landgoed de Horsten genoemd. Ook Eikenhorst, het landgoed waar in 1986 prinses Christina ging wonen, en waar nu koning Willem Alexander met zijn gezin woont, maakt deel uit van De Horsten.
In het begin van de 13de eeuw wordt een kasteel gebouwd door Kerstant van Raephorst. Zijn nazaten wonen er eeuwenlang.\
In het begin van de 19e viel het kasteel in verval en de resten van kasteel Raephorst werden afgebroken, wèl bleef een deel van een oude boerderij staan, waarop het wapen van de familie Raephorst te zien is en het jaartal 1639.
Het kasteel heeft waarschijnlijk ten oosten van deze boerderij gestaan. Het landgoed is eigendom van Prinses Beatrix. Prinses Margriet heeft het recht van erfpacht en opstal op Boerderij De Raephorst

 
van Raephorst, Kerstant (I3205)
 
21

Hij was de grondlegger van het latere Hertogdom Brabant. Hij was de zoon van graaf Hendrik II van Leuven en Adela van Betuwe.

In 1078 werd hij op aanbeveling van de (aanverwante) markgraaf van Thuringen, Egbert II van Braunschweig, voor een ridderopleiding naar het keizerlijk hof gestuurd. Hieruit wordt afgeleid dat Godfried omstreeks 1063 moet geboren zijn (meerderjarigheid naar Ripuarisch gewoonterecht op 15 jaar).

Godfried was van 1114 tot 1119 zelf tegenstander van de keizer maar verzoende zich daarna weer met hem. In 1122 belegerde hij samen met keizer Hendrik V de opstandige Gosewijn I van Valkenburg en verwoestte zijn kasteel Valkenburg. In 1123 werd zijn broer Alberon I van Leuven benoemd tot bisschop van Luik. In 1128 betaalde Godfried de prijs voor zijn steun in 1125 aan de ‘verkeerde’ koningskandidaat, en verloor zijn functie als hertog van Neder-Lotharingen (hij werd vervangen door Walram I ‘Paganus’ van Limburg). Godfried behield echter het markgraafschap Antwerpen en de hertogstitel. Zo ontstond het hertogdom Brabant.

Godfried steunde in 1129 de pogingen van graaf Giselbert van Duras om goederen van de abdij van Sint Truiden in bezit te krijgen. Dit leidde op 7 augustus 1129 tot de slag bij Wilderen. Giselbert van Duras met zijn Vlaamse en Brabantse bondgenoten werd daar verslagen door de abt van Sint Truiden, die werd gesteund door de bisschoppen van Metz en Luik, en de graven van Limburg en van Loon. In 1131 werd een vrede bemiddeld in dit conflict.

Godfried is begraven in de abdij van Affligem. Na zijn dood braken binnen Brabant de Grimbergse Oorlogen uit.

 

 
van Leuven, Godfried I, "met de Baard" (I1388)
 
22

As recorded by Julius Caesar in his work, Commentarii de Bello Gallico, the Germanic Tencteri and Usipetes tribes are driven out of their tribal lands in Germania by the militarily dominant Suevi. Their wanderings bring them to the mouth of the Rhine, in the territory of the Belgic Menapii, who are located on both sides of the river. The Germans attack them, forcing them to withdraw to the western side of the Rhine, where the Menapii are able to defend the river line for some time. They also attack the Condrusi and Eburones tribes. Feigning a withdrawal to lure out the Menapii, the Tencteri and Usipetes defeat them, capture their ships and occupy many of their villages for the winter.

Caesar, alarmed at this threat to the north of territory in Gaul that he has already conquered, takes a force into the region. After much diplomatic effort and some delays, he attacks the Germanic tribes and drives them back into Germania with heavy losses. Both tribes follow the east bank of the Rhine upstream and find refuge with the Sicambri. They remain settled in these lands for much of the remainder of their existence. Caesar crosses the Rhine to follow them and to show the Germans that Romans are not afraid to stage a counter-invasion.

Another reason is that a portion of the cavalry of the Usipetes and Tencteri had not been present at the recent battle. Instead they had proceeded to the territories of the Sicambri to join this tribe, remaining defiant. Several other tribes submit to Caesar, but the Sicambri withdraw from their territories on the advice of the Usipetes and Tencteri. Caesar remains in their lands for a few days before burning down their villages and taking their corn.

 Caesar enters the country of the Eburones, forcing the rebellious Ambiorix to flee and his co-ruler to commit suicide. Despite this apparent capitulation, the country of the Eburones proves difficult for the Romans, so Caesar invites the neighbouring people to come and plunder the tribe and, after stubborn resistance, Caesar burns every village and building that he can find in their territory, drives off all the cattle, and confiscates all of the tribe's grain. The Sicambri take the opportunity to cross the Rhine and surprise many of the plunderers, seizing a large part of the Eburones' cattle.

 Emboldened by their sudden gains, the Sicambri are easily persuaded to attack the main Roman camp with the promise of further riches and little opposition from the small garrison and a large number of invalids. After being surprised, the Roman defenders manage to rally under Sextus Baculus. They are reinforced by the returning foraging party and the Sicambri withdraw, seeing that they will not now prevail. They withdraw across the Rhine with their plunder and Caesar is able to settle his men into winter quarters

 
van Sicambri, Antharius (I855)
 
23

Farther to the south and east in Europe, with Celts now inhabiting the most inhospitable and least desirable parts of Thrace, they appear to pose no threat to Rome. Their steadfast refusal to acknowledge Rome's rule and send recruits to serve in the Roman army is a threat, however. A Roman legion led by Pomponius Labeo arrives from Moesia to join the one in Thrace, and Sicambri cohorts are added to the force. The Thracian King Roimitalkes I of Sapes also supplies a body of auxiliaries from the Odrissae, amounting to a sizeable army to deal with the Celts.

 

 
der Franken (van Sicambrië), Marcomir III (I852)
 
24

Friese graaf(comes Fresonum) die het bewind voerde over de gebieden die later bekend zouden worden als het graafschap Holland. Hij was de zoon van Floris I en Geertruida van Saksen.
Floris sneuvelde in 1061 in de oorlog met de bisschop van
Utrecht, Willem van Gelre. Dirk was toen minderjarig en zijn moeder trad op als regentes. Willem, de bisschop van Utrecht, maakte van deze situatie gebruik om het Rijnland en het Kennemerland te annexeren. Deze annexatie werd formeel bevestigd door keizerin Agnes van Poitou (1024-1077), de regentes van Duitsland. Van Dirks graafschap bleven alleen de noordelijkste en zuidelijkste gebieden over. Zijn moeder besefte dat Dirk een sterke bondgenoot nodig had en ze trouwde in 1063 met Robrecht I van Vlaanderen, de broer van de graaf Boudewijn VI van Vlaanderen. Die gaf zijn aanspraken in Vlaanderen op (ten gunste van zijn neef Arnulf III van Vlaanderen) en wijdde zich aan zijn Friese belangen. Daaraan ontleent hij in Vlaanderen zijn bijnaam "de Fries". Dirk ontving Rijks-Vlaanderen ten oosten van de Schelde en de eilanden ten westen van de Schelde (o.a. Walcheren), als apanage.
Robrecht en Boudewijn wisten het Rijnland en Kennemerland weer terug te veroveren, maar
Keizer Hendrik IV gaf hertog Godfried III van Lotharingen van Neder-Lotharingen opdracht om de bisschop te verdedigen. Godfried werd op 26 februari 1076 vermoord in Delft of Vlaardingen. Volgens de overlevering werd hij toen hij zijn behoefte deed, van onderen via zijn aars door een zwaard dodelijk verwond. Toen bisschop Willem een paar maanden later ook overleed, verzamelde Dirk een Vlaams leger en probeerde hij opnieuw zijn graafschap te heroveren. De nieuwe bisschop Koenraad verschanste zich in het kasteel van IJsselmonde. De gevechten werden beslist doordat Dirk het kasteel kon veroveren. Koenraad sloot vrede en gaf daarbij het Rijnland en Kennemerland terug aan Dirk.
Dirk koos in de
Investituurstrijd de kant van de paus en hij werd begraven in de abdij van Egmond.
Dirk is vermoedelijk getrouwd met Othelhildis van Saksen (ca. 1065 - 18 november 1120), maar hier kan ook sprake zijn van een verwarring met zijn grootvader.

 
van Holland, graaf van Friesland, Graaf van Holland Dirk (Theodore) V (I363)
 
25

Dominus Petrus de Bersalia, miles, heer van Goes en Borselen. In 1263 geven P. en H. milites, filii quondam domini Nicolai de Bersalia, aan abt en convent van Middelburg een kwitantie van 1673 ponden, die deze geestelijke heeren aan domina M., zuster van P. en H. voornoemd, afbetaald hadden op een som van 3000 pond, die de abt verschuldigd was "recolende memorie domino N. patri nostro”. (Oork. Holl. II no. 99; de voornamen zijn in deze oorkonde alleen met de voorletters aangeduid). Beide broeders doen het volgende jaar (1264) een uitspraak over een twist, welke de Vlaamsche Cistercienser-abdij Duins met eenige personen had (Bijdrage Hist. Gen. Utrecht 47, blz. 209); zij heeten daar voluit: Petrus de Barselu et Henricus dictus Wisse, milites.
Het volgende jaar (1266) wordt een twist beslecht, diedominus Godefridus de Cruninghen en dominus Petrus en dominus Henricus de Bersalia, deze beide laatsten broeders, met de gravin-weduwe Aleyd van Holland hadden (de Fremery: Suppl. Oork. no. 149 - Waarschijnlijk heeft hierop betrekking een stuk uit 1272: graaf Floris V blijft bij de gravin-weduwe Aleijd borg voor een som van 1000 pond hollands, welke heer Petrus en de zoons van zijn broeder, heer Henricus, haar schuldig waren), terwijl in 1266 Petrus de Bersela en Heinricus dictus Wisse, milites, een overeenkomst ten behoeve der abdij Duins bezegelden (Bijdrage Hist. Gen. Utrecht 47 blz. 211 met hun beider zegels). In evengenoemd jaar gaf graaf Floris V aan zijn verwant (oonsanguineus) dominus Petrus de Borsalia, miles, diens mannen van Goes tolvrijheid (Oork Holl. Nalezing no. 42), waaruit blijkt dat hij heer dier plaats was. Wij weten niet of hij ze uit de vaderlijke nalatenschap hield, want al is het bekend dat hij met zijn broeder Henric de goederen zijns vaders deelde, zoo is het stuk daaromtrent niet tot ons gekomen. Evenmin
weten wij iets naders over de tienden, die heer Petrus in leen hield van de St. Paulus-abdij en van het kapittelvan St. Pieter, beiden te Utrecht, ook de daarop betrekking hebbende stukken zijn verdwenen. In 1276 kwam dominus Petrus de Borsalia, miles, te Leiden onder de getuigen van graaf Floris V voor (Oork. Holl. II no. 321) en het laatst ontmoeten wij hem in 1278 in een stuk, dat bij zijn dochter Jutte ter sprake zal komen
.

 
van Borselen, heer van Goes en Borselen Peter (I934)
 
26

1235 heer van Strijen genoemd, in de omgeving van de graven Floris IV en Willem II, kreeg in 1235 als Hollands leen een jaargeld van 6 pond uit de tol van Geervliet, stond in nauwe relatie met zijn naburen, de heren van Altena en van Putten, bevestigde in 1242 en 1244, met zijn broers Hendrik en Hugo, de gift van Heiligenberg, door zijn voorouders aan de adbij ter Does gedaan.
NL 1932-326-370, 1935-107-108, 1937-440

 
van Strijen en Zevenbergen, Willem I (I503826)
 
27

Arnulf, (geboren Gent ca. 951, overleden bij Winkel, 18 september 993) was een Friese graaf(comes Fresonum). Hij bestuurde van 988 tot 993 een graafschap in West-Frisia, dat later Holland genoemd zou worden. Omdat hij in Gent geboren was, werd hij ook wel Arnulf van Gent (Gandensis) genoemd. In 983 vergezelde Arnulf de Duitse koning Otto II en diens zoon Otto III op hun reis naar Verona en Rome. Omstreeks 988 volgt hij zijn vader op als graaf en erft diens bezittingen.
Als graaf slaagde hij er zijn grondgebied verder naar het zuiden uit te breiden. In West-Frisia kreeg hij te maken te maken met opstanden van de Friese bevolking. De bewoners kwamen in opstand tegen zijn grafelijk gezag vanwege de ingrijpende maatregelen die hij doorvoerde.
Hij was niet alleen een van de meest machtigste leenheren van het Ottoonse huis in het gebied tussen de Rijn en de Schelde, hij had ook goederen van de Franse kroon in leen. Omdat hij evenals zijn vader een aanhanger van de Ottonen was kwam hij in conflict met de Franse koning Hugo Capet. Deze verwoeste Arnulfs gebied en ontnam hem zijn Franse bezittingen.
Graaf Arnulf probeerde zijn gezag ook naar het noorden verder uit te breiden, in het gebied van de West-Friezen tussen de Rekere en het Vlie. Hij viel met zijn leger in 993 dit gebied binnen. Bij Winkel werd hij verslagen en sneuvelde op 18 september in de strijd. Zijn vrouw Liutgard (ook gespeld: Luitgardis) kon daarop alleen met hulp van koning Otto III het graafschap voor haar zoontje bewaren. Arnulf is met diverse andere familieleden begraven in de toenmalige Abdij van Egmond en werd later heilig verklaard.
Hij was getrouwd met Lutgardis van Luxemburg( geboren ca. 960, overleden 14 september na 1005) was een dochter van Siegfried van Luxemburg en Hedwig van Nordgau

 
van Holland, Count of Westfriesland Arnulf (I372)
 
28

Floris I  (geboren ca. 1025 – Nederhemert, 28 juni 1061) was een Friese graaf die van 1049 tot 1061 het bewind voerde over de gebieden die later bekend zouden worden als het graafschap Holland. Hij volgde zijn broer Dirk IV op.
maar moest aanvankelijk vluchten. De relatie met de keizer en de bisschoppen bleef slecht. Floris raakte in conflict met de keizer over de tol op de Merwede (vermoedelijk bij Vlaardingen, dus stroomafwaarts van de huidige Merwede). Bovendien probeerde hij zijn bezit in het rivierenland uit te breiden en kwam daardoor in conflict met bisschop Willem van Cuijk. Regentes Agnes gaf in 1058 bisschop Willem van Cuijk van Utrecht, Hendrik II van Leuven, Wichard van Gelder, Anno II aartsbisschop van Keulen, Diederik bisschop van Luik en Egbert I van Meißen, de markgraaf van Friesland (Friesland en Groningen), opdracht om Floris tot de orde te roepen. De eerste echte slag werd in 1061 uitgevochten bij Oudheusden. Floris was zwaar in de minderheid en had daarom het slagveld met grote aantallen valkuilen voorbereid. Zo raakten zijn tegenstanders in grote verwarring en werd een groot aantal direct al buiten gevecht gesteld. Floris wist daarna de slag eenvoudig te winnen. De volgende slag vond op 28 juni 1061 plaats bij Nederhemert. Floris viel de troepen van Keulen, Brunswijk en Cuijk aan en wist ze snel te verjagen. De Friezen gingen vervolgens rusten in de schaduw van de bomen langs de Maas. Herman van Cuijk, burggraaf van Utrecht, hergroepeerde zijn troepen en overviel de nietsvermoedende Friezen. Floris werd samen met honderden van zijn mannen gedood. Floris was gehuwd met Geertruida van Saksen. Zij was de dochter van Bernhard II van Saksen (Zie Hertogen van Saksen II nr. 5), en Eilika van Schweinfurt.

 
van Holland, van Westfriesland, graaf Floris I (I364)
 
29

Jan I van Arkel bijgenaamd de Sterke (ca. 1233 – Gorinchem, 15 mei 1272) was uit de tweede generatie heer van Arkel  vanaf 1253 tot zijn dood. Verdere bezittingen waren Noordeloos, Bergenambacht, Heukelom, Hoog Blokland, Slingelandt, Stolwijk en Willige Langerak.
Hij was een zoon van Herbaren II van der Lede, erfgenaam van Jan VII van Arkel, en Aleid (Alverade) van Heusden.
Jan wordt voor het eerst genoemd in een Latijnse kroniek uit 1253, daarin staat hij vermeld als Johannes miles dominus de Arkele (Jan, ridder, Heer van Arkel). Daarna wordt hij nog meerdere malen in aktes over beleningen genoemd. In 1253 komt hij samen met zijn broer Herbaren voor in een akte als getuige voor Jan I van der Lede. Op 25 juni 1254 is Jan getuige bij een verbond van Jan van der Lede en Hugo van Arkel om Floris van Dalem het bezit van Dalem te vergeven als leenbeheer. Hij nam deel aan de oorlogen tegen de opstandige Westfriezen, onder leiding van zijn leenheer Willem II van Holland. Krijgt rond 1260 het leengoed van den Berghe (hedendaagse Bergambacht) toegewezen van het Graafschap Holland, die hij in lening geeft aan zijn broer Herbaren. Op 29 oktober 1263 beleent Jan eene Otto met Slingelandt. Op 23 augustus 1264 verleent hij samen met
Willem van Brederode het recht aan Hendrik van Alblas om een watergracht of kanaal te graven (Jan wordt dan voor het laatst vermeld in een document. Jan I werd bijgenaamd De Sterke, hij zou zich eens voor de grap aan de poort van Gorinchem opgetrokken hebben met zijn paard. In 1267 begon hij met de bouw van het kasteel van Gorinchem. Hij was gehuwd met Bertha van Ochten, dochter van Hendrik van Ochten (Zie Heren van Ochten nr. 4) en Jutta.
Jan kreeg drie kinderen:
Jan van Arkel werd met zijn vrouw bijgezet in een graftombe in de kerk van Gorinchem.
In 1604 werden de beenderen verwijderd en ergens anders begraven.

 
van Arkel, Jan Herbaren (I1448)
 
30

ridder, was een buitenechtelijke zoon van graaf Willem III van Holland en jonkvrouw N.N. de Moor, uit het Brabantse geslacht De Moor.

Jan Aelman vergezelde zijn halfbroer graaf Willem IV van Holland naar het Heilige Land. In 1352 schonk graaf Willem V hem landerijen onder Haarlem omdat hij in zijn dienst in Utrecht gevangen had gezeten. In 1356 werd hij beleend met het Huis Te Nesse onder Linschoten. In 1372 stuurde hertog Albrecht, graaf van Holland, hem naar Frankrijk om te onderhandelen over het huwelijk van de latere graaf Willem IV met Margaretha van Bourgondië. Hij was lid van de raad van Henegouwen.

Jan Aelman huwde Justine de Gouwer van Coudekerke, (overleden 1350), dochter van Hugo de Gouwer. Na haar overlijden hertrouwde hij met Mechteld van Wulvenhorst (1320-1401), dochter van Ernst van Wulvenhorst van Sterkenburg. Hij werd begraven te Valencijn op 16 december 1389.

 
Aelman van Holland, Jan (I6807)
 
31

Jan van Driel wordt in 1382 vermeld in de do-meinrekening van Zuid-Holland, wegens een levering aan de stad Dordrecht, vermoedelijk van rijshout. In 1385 kocht Jan van Driel een korentiende in het land van Zwijndrecht, in "Aper ende Jans van Leyden ghemeijn Volgherlant".

 
van Driel, Jan Jansz (I501007)
 
32

Herbaren I was de stamvader van het huis Ter Leede. Hij werd als getuige genoemd bij een samenkomst van Hardbertus, bisschop van Utrecht in 1143; mogelijk ging het hier om de doping van Herbaren. In een Hollandse kroniek wordt hij beschreven als Harbernus de Liethen, mogelijk gaat het over een vorm- of drukfout, want Liethen verwijst naar de oude benaming van Leiden. Onder zijn leiding werd mogelijk het Mottekasteel gebouwd dat bij het recht van ter Leede stond (enkele kilometers ten zuiden van Leerbroek). Wordt genoemd als ambachtsheer van Haastrecht. Herbaren huwde met Adelheid een dochter van Willem van Altena en zij kregen minstens twee zonen

 
van der Lede, Herbaren I (I1135)
 
33

Mazereeuw en Wijven Slikker

 
Mazereeuw, Maartje Symons (I502887)
 
34

pacht Grond Aan Dijk Bij Poortugaal

 
van Driel, Beije Rutgersz (I501034)
 
35

pleegde de beruchte moord op Everhard Saxo

 
van Teisterbant, Waltger (I384)
 
36

Ptolemy, who writes in the mid-second century, places the Sicambri to the south of a group of westerly SueviLangobards, in the Rhineland. To their east are the Suevi Anglii, while along the Elbe are the Chauci, to the east are the Semnones, and then there are the Suebi, perhaps the original core tribe of the confederation, which is apparently settled on the Rhine to the east of the Ems.

 
der Franken, Koning der Franken Marcomir IV (I842)
 
37

Reinier trouwde in 885 met Alberada (854 - na 919). Haar herkomst is onbekend maar haar voor die tijd hoge leeftijd bij het huwelijk suggereert dat ze een (rijke?) weduwe was.

 
van Mons, Alberada (I1266)
 
38

Verondersteld wordt dat het Huis Cuijk nog van de tiende-eeuwse Anfrieds, graven in Teisterbant, afstamde; de lenen in het graafschap Gelre zijn wellicht gedeeltelijk toe te schrijven aan medegaven bij haar 2e huwelijk.

 
van Cuijk, Alveradis (I929)
 
39

zoon van Jan Jansz Bregger en Neeltje Cornelis Mazereeuw

 
Bregger, Cornelis Jansz (I502886)
 
40

Dommer diende aanvankelijk bij de cavalerie (vanaf 1833), waar hij in 1839 werd benoemd tot tweede luitenant. Het jaar erop vroeg hij vanwege zijn aanstaande huwelijk ontslag. Hij vestigde zich als herenboer in Ubbergen. In 1844 werd hij benoemd tot adjunct-houtvester.

Van 13 februari 1849 tot aan zijn overlijden in 1862 was hij lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Hij sprak in de Kamer onder meer over accijnzen, onderwijs, militaire aangelegenheden en waterstaat.

 
Dommer, Gustaaf Eugenius Gysbert (I502592)
 
41

Hij verkocht de heerlijkheid Geldrop in 1552 aan zijn neef Hendrik van Merode, maar kreeg deze in zijn sterfjaar terug. Vervolgens erfde zijn zoon, Filips van Horne, de heerlijkheid.

Maarten van Horne had bij zijn nicht Catharine van Horne (natuurlijke dochter van zijn broer) een natuurlijke zoon, Armand van Horne, né ex incestu & adulterio. Over de legitimiteit van de afstamming zijn nog jarenlang processen gevoerd.


 

 
van Horne, Maarten (I6673)
 
42

Wouter Hendricksz. Verduijn was bewoner van een hofstede en bezitter van landerijen te Charlois met een geschatte waarde van 10.000 gulden.

Hij was pachter van de tienden van Charlois sedert 1573. Op 11 juli 1626 liet hij te Rotterdam zijn testament maken, dezelfde dag overleed hij ook en is begraven in de kerk van Charlois "int hoochkoer" in het graf bij zijn vrouw onder een zerk met het wapen Verduijn. Wouter-Hendricksz. was weduwnaar van Maertge Cornelisdr.

Volgens zijn testament (gemaakt op 11 Jul 1626) krijgt de jongste zoon Cornelis de hofstede met boomgaard, schuur etc. Hiervoor moet hij zijn broers en zusters 5 gouden carolusguldens en 10.000 gulden betalen (ONA Rotterdam 147 pag. 72).

Kennelijk overlijdt hij op dezelfde dag dat testament gemaakt wordt. 29 Jul 1626 coopceel van de erfgenamen van coorn te velde. 16 Jan 1627 Gecompareerd Eeuwout, Dirck, Willem en Cornelis Woutersz, zonen Verduijn, Japhet Cornelisz als man en voogd van jonge Maertgen Woutersdr, Pieter Jansz de Raet als man en voogd van Lijsbeth Woutersdr, Adriaen Smitshouck als man en voogd van Lea (Leytghen) Woutersdr, allen kinderen en erfgenamen van Wouter Hendricksz Verduijn en Lijntge Eewoutsdr, zijn tweede huisvrouw beide zaliger gedachte. Huijbert Jansz de Ruyter getr. met oude Maertge Woutersdr, Dammis Pietersz getr. met Maertge Heijndricksdr voor hem zelf en procuratie hebben van Crijn Heijndricks, zijn huisvrouws broeder gepasseerd voor Bastiaan Pietersz en Adriaen Lenertsz Pors, schepenen van Charlois d.d. 15 Okt 1626, aan schout en schepenen vertoond, in deze vervangende Isaack Hendricksz, zijn huisvrouws broeder en Abraham Hendricksz, mede zijn huisvrouws broeder. Alle kinderen van Heijndrick Woutersz Verduijn. Joost Pietersz als man en voogd van Neeltge Willemsdr, nagelaten dochter van Nelletje Woutersdr, die een voorkind was van de vz. Wouter Heijndricksz Verduijn en Maertge Cornelisdr, zijn eerste huisvrouw, beneffens de vz. oude Maertgen en Heijndrick Woutersz, kinderen en mede erfgenamen van de vz. Wouter Heijndricks Verduijn. Zij bekenden de boedel geschift en gescheiden te hebben.

 
Verduijn, Wouter Hendricxz (I1291)
 
43

De schriftelijke bronnen uit de vroege Middeleeuwen verzwijgen wie koning Radboud opvolgde. Poppo kennen we als de aanvoerder van het Friese leger dat ten strijde trok tegen de Franken, en om die reden wordt hij aangemerkt als de waarschijnlijke opvolger van Radboud, en mogelijk zijn zoon. Overtuigend bewijs voor deze stelling ontbreekt echter en H. Halbertsma heeft daartegen aangevoerd dat het ontbreken van mannelijk nageslacht juist de reden was voor het huwelijk van Radbouds dochter met Grimoald II in 711.
Volgens historici als P.C.J.A. Boeles en H. Halbertsma strekte Radbods rijk zich uit over heel Frisia, van Zwin tot Wezer, anderen als W.A. van Es menen dat zijn macht zich beperkte tot het Midden-Nederlandse rivierengebied en delen van Holland. Daarom is er ook wel geopperd dat Poppo een lokale heerser was die los van Redbad een deel van het Friese territoria (het huidige Friesland) beheerste.
Het Friese Rijk heeft ten tijde van koning Radboud zijn grootste uitbreiding bereikt. Die gebiedsuitbreiding was ten koste gegaan van het Frankische Rijk. Door hofmeier Karel Martel werd aan die situatie een eind gemaakt door kort na de dood van Radboud een deel van de Friezen te onderwerpen. Tijdstip en plaats van een beslissende zee- of veldslag worden niet opgegeven, maar vanaf 720 was het Friese gebied ten westen van de Vlie (Zeeland, Holland en Utrecht) in Frankische handen. Het ontbreken van een geschikte opvolgingskandidaat heeft de Friezen bij dit verlies parten gespeeld. Er zijn aanwijzingen dat de plaatselijke elite betrokken is geweest bij de machtsovername door de Franken Vermoedelijk kozen zij de kant van de Franken en hebben zij Poppo niet gesteund als opvolger van Radboud. Aangenomen wordt dat Poppo na de nederlaag tegen de Franken een verdrag met Karel Martel heeft gesloten.
Onder Poppo hebben de Friezen tussen Vlie en Lauwers nog een korte periode vrede gekend met de Franken. Aan die toestand kwam een einde toen Karel Martel de Friezen in 733 opnieuw aanviel. Met een vloot stak hij over naar het huidige Friesland en sloeg hun terug naar Oostergo. Het jaar daarop (734) keerde hij terug en versloeg het Friese leger geleid door Poppo in de Slag aan de Boorne, waarbij de Friese koning sneuvelde. In de voortzetting van de kronieken van Fredegarius wordt deze veldslag als volgt omschreven:
Toen het gruwelijke Friese zeevolk opnieuw een vreselijke opstand ontketende, ondernam Karel zonder aarzeling een stoutmoedige zeetocht, voer met de benodigde schepen overzee en rukte op naar de Friese eilanden Westergo en Oostergo. Op de oever van de Boorne sloeg hij zijn kamp op. De heidense aanvoerder Bubo, hun onbetrouwbare raadgever, werd gedood en hun leger verslagen. Karel vernielde hun heiligdom en brandde het plat en keerde als overwinnaar met een omvangrijke buit naar het Frankische rijk terug.
Met deze overwinning kwam er een eind aan de macht van de Friese koningen.
Volgens de Duitse historicus Hugo Jaekel was de latere graaf Alfbad van Oostergo, een zoon van Poppo. Jaekel baseert zijn stelling op het feit dat de Karolingers de Friese adel inschakelden bij het bestuur van het veroverde land.

 
van Friesland, Bubo (Poppo) (I1682)
 
44

Gundohar was de zoon van Gebicca en volgde deze op als koning. De Bourgondiërs hadden in 407, toen diverse Germaanse volken de Rijn–grens overschreden de zijde gekozen van de Britse usurpator Constantijn III in plaats van de wettige keizer Honorius. Toen Constantijn III in 411 bij Arles verslagen werd steunde hij aanvankelijk ook de nieuwe usurpator Iovinus, maar onderwierpen zich aan Honorius toen Iovinus in 413 verslagen werd. Honorius wist de Bourgondiërs aan zich te binden middels een foederati verdrag. De Bourgondiërs werden belast met de verdediging van de Rijn–grens vanaf de Alpen tot Metz en mochten zich blijvend vestigen langs de bovenloop van de Rijn in de Romeinse provincie Germania Superior. Gundohar beschikte over een grote mate van autonomie. Hij stichtte nabij Worms het Bourgondische Rijk toen de Romeinse macht verder in betekenis afnam.
Uiteindelijk zegde Gundohar in 435 het verdrag met de Romeinen op en viel het omringende Romeinse gebied binnen. Als reactie hierop zond de Romeinse veldheer een strafexpeditie naar de Bourgondiërs, voornamelijk bestaande uit Hunnen. Koning Gundohar sneuvelde in de buurt van Worms in een veldslag tegen de Hunnen. Een groot deel van Gundohars volk en zijn gehele familie werd uitgemoord.
Verhalen over hem zijn verschenen in Latijnse, Oud-Noorse, Germaanse en Oud-Engelse teksten. De bekendste verhalen waarin Gundohar voorkomt zijn het Nibelungenlied en de Thidrekssaga. Hierin staat zijn relatie tot de held Siegfried centraal, het verraad door Flavius Aetius of Attila de Hun en zijn uiteindelijke dood aan het hof van Attila de Hun.

 
van Bourgondië, Gundahar (I4605)
 
45

Pepijn van Landen wordt in de Kronieken van Fredegar, de belangrijkste bron over zijn leven, genoemd als zoon van Carloman van Landen. Verder is over zijn afkomst weinig met zekerheid bekend. Zijn naam komt van de Vlaams-Brabantse stad Landen, zijn waarschijnlijke geboorteplaats. Pepijn was afkomstig uit een familie van grootgrondbezitters in het Maasdal.
In 613 leidde hij met Arnulf van Metz en hofmeier Warnachar II van Bourgondië, de aristocratische opstand tegen de nieuwe minderjarige koning van Austrasië en Bourgondië, Sigibert II, en de koningin-overgrootmoeder Brunhilde van Austrasië, die de feitelijke macht bezat - de oorzaak van het conflict. De opstandelingen sloten een bondgenootschap met Chlotharius II van Neustrië. Tezamen versloegen ze de troepen van Sigibert en Brunhilde bij de Aisne, waarna Sigibert en Brunhilde werden gedood. In Andernach werd een verdrag gesloten waarin de autonomie van Austrasië en de leidende rol van de Austrasische adel werden vastgelegd.
Hij werd in 623 benoemd tot hofmeier van de in dat jaar tot (onder)koning benoemde Dagobert I. In 629 stierf koning Chlotharius II en werd Dagobert I koning over het gehele Merovingische rijk. In datzelfde jaar verloor Pepijn zijn functie en werd hij verbannen naar Orléans. Volgens de traditie was de kritiek van Pepijn op het overspel van Dagobert de aanleiding voor de verbanning. Pas na de dood van Dagobert I (19 januari 638/639) werd Pepijn wederom benoemd tot hofmeier. Hij stierf echter niet lang daarna (in 639 of 640).
Pepijn en Arnulf van Metz zijn erin geslaagd de feitelijke macht in de Frankische koninkrijken in handen van de aristocratie te leggen. Zo begon de periode van de "Vadsige of Luie koningen": de Merovingische koningen die alleen in naam regeerden terwijl de hofmeiers de feitelijke macht uitoefenden.
Pepijn van Landen was gehuwd met Ida van Nijvel (592–652).

 
van Landen, Pepijn I, de Oude (I501571)
 
46

Nicolaus Mulerius (Brugge, 25 december1564 - Groningen15 september1630) was een arts, mathematicus en astronoom en een van de eerste hoogleraren aan de in 1614 opgerichte Academie te Groningen, waarvan hij de vierde Rector Magnificus was.

Mulerius behoorde tot de familie Des Muliers die oorspronkelijk uit Rijsel kwam.[1] Zijn vader was Pierre Des Muliers. Zijn moeder, Claudine le Vettre, werd als aanhangster van de Doopsgezinden slachtoffer van de inquisitie en stierf met een aantal van haar kinderen de marteldood.[2] Nicolaus vluchtte met zijn vader naar Leiden, waar hij zich in 1582 inschreef aan de Leidse Academie. Hier volgde hij colleges bij Lambertus Danaeus (theologie), Justus Lipsius (geschiedenis en rechten), Bonaventura Vulcanius (Grieks), Franciscus Raphelengius (oosterse talen), Rudolph Snellius (wiskunde) en Joannes Heurnius en Gerardus Bontius (medicijnen). Hij promoveerde in 1589 in de geneeskunde op vijfien stellingen met betrekking tot borstvliesontsteking. Hij trouwde in datzelfde jaar met Christina Maria Six, telg uit de later in Amsterdam zo invloedrijke familie Six. Het paar kreeg elf kinderen, van wie er zes hun vader zouden overleven. Overigens zou Mulerius zich zelf op enig moment, mogelijk onder invloed van zijn huwelijk, bekeren tot het Calvinisme.

In 1590 verhuisde Nicolaus, die zijn achternaam inmiddels verlatijnst had tot Mulerius, naar Harlingen waar hij werd benoemd tot stadsarts. Vrijwel meteen ondernam hij - vruchteloze - pogingen benoemd te worden tot hoogleraar in Leiden. Hij zou tot 1603 in Harlingen blijven, waarna de Staten van Stad en Lande hem benoemde tot medicus provincialis, een aanzienlijke functie met een al even aanzienlijk traktement. Lang zou hij er niet blijven want in 1608 werd hij aangesteld als opperrector van de Latijnse School in Leeuwarden. Zijn aanstelling diende vooral om toezicht te kunnen houden op de nieuwe rector van die school, de Duitser Edo Neuhusius, aan wiens religieuze rechtzinnigheid - hij was Lutheraan - werd getwijfeld. Mulerius zelf legde zich hier ook toe het geven van onderwijs in Grieks en filosofie. Met een jaarlijkse wedde van 950 gulden, werd hij er nog ruimhartiger betaald dan in zijn dagen als provinciaal arts.

In 1614 werd Mulerius door zijn vriend Ubbo Emmius gevraagd hoogleraar in de geneeskunde en Grieks te worden aan de even daarvoor gestichte Groningse Academie. Niet veel later zou Mulerius het Grieks met Ubbo Emmius ruilen voor de wiskunde. Onder dit laatste vak resorteerden de zuivere wiskunde maar ook de mathematica mixta, waartoe ook de astronomie, de landmeetkunde, de zeevaartkunde en de fortificatie werden gerekend. Tot het vakgebied van de geneeskunde behoorde ook de plantkunde en hoewel Mulerius achter zijn eigen huis een bescheiden verzameling exotische en geneeskrachtige kruiden aanlegde, kwam het in Groningen - anders dan in Leiden - vooralsnog niet tot de aanleg van een botanische tuin. Wel werd er in het voormalige Broerklooster, dat nu dienstdeed als vestiging van de Academie, een anatomisch theater aangelegd, waarin Mulerius welgeteld drie keer een schouwing uitvoerde. Zijn voornaamste liefde bleek uit te gaan naar de sterrenkunde, terwijl hij naast zijn hoogleraarschap ook weer aangesteld was als provinciaal arts en hij dus veel van zijn tijd kwijt was aan patiëntenzorg. In de zestien jaar dat Mulerius aan de Academie verbonden was, waren er zeventien studenten medicijnen ingeschreven bij de Groningse universiteit. Zes daarvan promoveerden, vermoedelijk voor een deel met Mulerius als promotor. In 1617 werd Mulerius de vierde Rector van de Academie. Hij was de eerste bibliothecaris van de Groningse Universiteitsbibliotheek, een boekerij die met ruim driehonderd banden ongeveer half zo klein was als de privébibliotheek van Mulerius.[3] Vanaf 1622 was hij een van de bewindhebbers van de Groningse kamer van de West-Indische Compagnie.

Mulerius is afgebeeld op het gedenkraam Deo Patriae Academiae (1914) in het het trappenhuis van het Groninger Academiegebouw.

Voorblad van de - door Mulerius geredigeerde - derde editie van Copernicus' De revolutionibus orbium coelestium

Mulerius dankt zijn roem voornamelijk aan zijn bijdragen aan de astronomie. Als zijn belangrijkste bijdrage geldt een door hem geredigeerde heruitgave van Copernicus' De revolutionibus orbium coelestium, waarbij het interessant is op te merken dat Mulerius zelf helemaal niet geloofde dat de aarde om de zon draaide. Voor het overige was Mulerius' astronomische belangstelling eerder praktisch dan theoretisch te noemen. Daarvan getuigt zijn eerste verhandeling Cort onderwijs van het ghebruyck des astrolabiums. Een astrolabium is een hoekmeetinstrument waarmee de hoogte van hemellichamen gemeten kan worden als functie van de tijd. Van zijn praktische gezindheid getuigen ook de almanakken die hij jaarlijks uitgaf en waarvan een aantal is bewaard. Zijn eerste geleerde publicatie in het Latijn verscheen in 1611: de Tabulae Frisicae, waarin - aan de hand van de Juliaanse kalender - tabellen zijn opgenomen met betrekking tot de stand van maan en zon over een langere periode. Over diezelfde Juliaanse kalender schreef hij Calendarium Romanum en een 1616 verscheen een leerboek (in twee delen) over de sterrenkunde. Als gezegd dankt hij zijn grootste bekendheid aan de uitgave van het standaardwerk van Copernicus, dat hij aanvulde met nieuwe, en soms eigen inzichten en een nieuwe titel meegaf Astronomia instaurata ('Herstelde astronomie'). Als kind van zijn tijd - hij was een rechtzinnig Calvinist, voor wie het woord des Heren boven alles ging - kon hij het niet met zijn eigen wereldbeeld in overeenstemming brengen dat de aarde om de zon zou draaien. Zijn wereldbeeld bleef dus geocentrisch, al week hij in die zin van het aristotelisch wereldbeeld af, dat hij aannam dat andere planeten dan de aarde wél om de zon draaiden. Bij dit alles moet worden bedacht dat het copernicaanse wereldbeeld in zijn dagen geenszins gemeengoed was. Dat de Rooms-katholieke Kerk Copernicus' werk in 1600 op de Index plaatste, leidde wel tot hernieuwde belangstelling voor het werk in de protestantse Republiek.

 
Mulerius, Nicolaas (I503450)
 
47

Godomar was een vorst van de Bourgondiërs aan het begin van de 5e eeuw.
Hij wordt in de
Lex Burgundionum genoemd als zoon van Gebicca en broer van Gundohar en Giselher. Het is onbekend of hij na de dood zijn vader in 407 in leven was en welke positie hij in het koninkrijk van Gundahars bekleedde.
Godomar is waarschijnlijk het historisch voorbeeld voor Gernot in het
Nibelungenlied

 
von Burgund, Gundomar (I4608)
 
48

Abba of Alfbad was een Friese graaf die halverwege de 8e eeuw regeerde. Uit naam van de Frankische koning Pepijn de Korte bestuurde hij het gebied Oostergo in de tegenwoordige provincie Friesland.
Abba was afkomstig uit de stand van de Friese elite en maakte onder het bewind van de Franken opgang.
Nadat de nederlaag bij Jirnsum in 734 een einde had gemaakt aan het Friese Rijk, viel Friesland ten westen van de Lauwers in Frankische handen. Onder het bewind van hofmeier Karel Martel werd er een begin gemaakt met de kerstening van de heidenseFriezen, waarbij de Friese adel een belangrijke rol heeft gespeeld.
Vanuit deze optiek moet ook de benoeming van Abba worden gezien. Hij behoorde tot de Friese elite en is naar aller waarschijnlijkheid één van de eerste bestuurders in de periode na de heerschappij van de Friese koningen. Hij speelde een belangrijke rol bij de kerstening van de Friese bevolking. Zo is bekend dat na de dood van Bonifatius in 754 er in Dokkum een kerk gebouwd werd, gewijd aan Bonifatius, waarbij Abba de leiding had.
Verder zijn er aanwijzingen dat Abba, een directe afstammeling zou zijn van de Friese koning Radboud.

 
van Friesland, Abba (Alfbard) (I994)
 
49

Arnulf van Metz (Lay-Saint-Christophe (bij Nancy), ca. 582 - bij Remiremont, 16 augustus640) was een Frankische edelman en later bisschop van Metz. Hij was een van de belangrijkste Frankische politici van zijn tijd en is na zijn dood heilig verklaard. Hij was eerst begraven in Remiremont, maar is in 717 herbegraven in Metz in een abdij die daarna naar hem werd genoemd.
Arnulf diende aan het Austrasische hof onder Theudebert II (595-612) en was beheerder van de koninklijke domeinen en graaf aan de Schelde. In 613 leidde hij, met Pepijn van Landen en hofmeierWarnachar II van Bourgondië, de aristocratische opstand tegen de nieuwe minderjarige koning van Austrasië en Bourgondië, Sigebert II, en de koningin-overgrootmoeder Brunhilde van Austrasië die de feitelijke macht bezat - wat de oorzaak was van het conflict. De opstandelingen sloten een bondgenootschap met Chlotarius II van Neustrië. Tezamen versloegen ze de troepen van Sigebert en Brunhilde bij de Aisne, waarna Sigebert en Brunhilde werden gedood. In Andernach werd een verdrag gesloten waarin de autonomie van Austrasië en de leidende rol van de Austrasische adel werden vastgelegd.
In 614 gaf Arnulf te kennen dat hij in een klooster wilde treden, maar in plaats daarvan benoemde Chlotarius hem tot bisschop van Metz, wat een ook politiek belangrijke functie was. In 623 werd hij voogd van Dagobert I, die door zijn vader tot koning van Austrasië was benoemd (wat een erkenning was van de Austrasische autonomie). Een jaar later onderdrukte hij samen met Pepijn een opstand in Thüringen. In 625 bemiddelde hij bij de totstandkoming van een overeenkomst tussen Chlotarius en Dagobert.
In 629 trad hij in het klooster van Remiremont. De overlevering vertelt dat hij zorg droeg voor zieken en leprozen en dat hij de rest van zijn leven als kluizenaar leefde.
Arnulf wordt vaak de beschermheilige van de brouwers genoemd, maar dat lijkt een verwarring te zijn met St. Arnold van Soissons. Zijn naamdagen vallen op 18 juli en 16 augustus.
Volgens de legende werd Arnulf gekweld door wroeging over zijn vroegere daden en gooide hij zijn bisschopsring in een rivier, zeggende dat hij pas zou weten dat God zijn zonden vergaf, als hij de ring terug zou zien. Korte tijd later werd de ring teruggevonden in een vis.
In 717 zijn zijn relieken overgebracht naar een Benediktijner abdij van de Heilige Apostelen bij Metz. Deze abdij werd nadien naar hem vernoemd en werd ten tijde van Karel de Grote een prominente plaats voor de begrafenis van de Karolingen; o.a. Lodewijk de Vrome en zijn moeder Hildegard (tweede vrouw van Karel de Grote) zijn er begraven. Door verbouwingen, oorlogsgeweld en door vernielingen tijdens de Franse Revolutie zijn de abdij en de keizerlijke grafkelders verloren gegaan.

 
van Metz, Arnulf (I1064)
 
50

Gondioc, ook wel Gundioc, Gundowech, Gunderik (? – 473) was koning van de Bourgondiërs. Onder Gondioc, die tevens generaal was in het Romeinse leger, werd de grondslag gelegd voor het Bourgondische Rijk.
De afkomst van Gondioc is onduidelijk. Volgens de Frankische bisschop Gregorius van Tours zou hij afstammen van de Visigotische koning Athanarik († 381), maar er zijn meer redenen om aan te nemen dat hij een zoon of familielid van koning Gundahar was.
Het grootste deel van zijn leven stond in het teken van de strijd. Toen koning Gundahar in 436 sneuvelde en volgens berichten het merendeel van zijn volk werd vermoord, kwam Gundioc in beeld als nieuwe aanvoerder van de Bourgondiërs, die als generaal in dienst van de Romeinen diverse militaire diensten verrichtte. Hij stichtte een koninkrijk toen rond 455 het Romeinse gezag in Gallië ineenstortte, waarin hij een strikte scheiding doorvoerde tussen de oorspronkelijke bevolking, en de eigenlijke Bourgondiërs die een militaire kaste vormden.
Gundioc was getrouwd met een zuster van Ricimer, opperbevelhebber van het Romeinse leger in Italië. Hij had vier zonen, Gundobad, Godigisel, Chilperic II en Gundomar. Toen na zijn dood in 473 het koninkrijk onder zijn zonen werd verdeeld brak er een burgeroorlog uit.

 
van Bourgondië, Gundioc (I4604)
 

      1 2 3 4 5 ... 21» Next»