Notes


Matches 51 to 100 of 1,016

      «Prev 1 2 3 4 5 6 ... 21» Next»

 #   Notes   Linked to 
51

Pepijn I van Landen of de Oudere Pépin le-Vieux (ca. 58021 februari639/640 (?)) was van 623 tot 629 en vanaf 639 hofmeier van het Frankische koninkrijk Austrasië onder de Merovingische koningen Chlotharius II, Dagobert I en Sigibert III.
Gertrudis van Nijvel (626 - 17 maart659), ook Geertrui of Gertrud, was een vroeg-middeleeuwse heilige en abdis. Ze groeide uit tot een van de belangrijke heiligen in het noorden van Gallië. Zij verbond de Pepiniden en later de Karolingen met het sacrale.
Zij werd geboren als dochter van Pepijn van Landen, hofmeier van de koningen van Austrasië. Haar moeder was de heilige Ida van Nijvel en ze is een zuster van de heilige Begga.
Gertrudis genoot een zeer godvruchtige opvoeding. Reeds als jong meisje was ze van plan maagdelijkheid in dienst van God te stellen. Op een feest bij koning Dagobert vroeg een prins haar ten huwelijk, maar zij weigerde met de woorden: "Ik heb als bruidegom gekozen de eeuwige schoonheid die de oorsprong is van de schoonheid van alle schepselen. Hij die oneindig veel rijkdommen bezit en door de engelen wordt aanbeden."
In 640 stichtte haar moeder, die inmiddels weduwe geworden was, de abdij van Nijvel, waar Gertrudis intrad en op 20-jarige leeftijd abdis werd. Haar heiligheid wordt als volgt verwoord: "Men zegt van haar dat ze ijverig was en voorzichtig en veel bewondering kreeg van de zusters. Ze bad veel en bracht dagen vastend door. Ook studeerde ze veel in de Heilige Schrift en liet daartoe boeken uit Rome komen. Overigens leefde zij in de grootste armoede en geeft alles wat ze heeft aan de armen, weduwen en wezen. Ook stichtte ze veel kerken ter ere van de heiligen. Toen ze eens in een door haarzelf gestichte kerk zat te bidden voor het altaar, daalde een vlam uit de hemel tot boven haar hoofd en verlichtte het hele kerkgebouw. Totaal verzwakt door het vele vasten en waken droeg ze de bediening van het ambt van abdis op 30-jarige leeftijd over aan haar nicht Wilfetrudis. Ze bereidde zich nu voor op de dood, maar bleef streng in het vasten en droeg altijd een stug boetekleed waarin ze ook begraven wilde worden. Daags voor haar sterven kondigde haar raadsman aan dat ze de volgende dag door de engelen Gods voor diens troon gebracht zal worden. Stralend van geluk bracht ze de hele nacht biddend en zingend door, en stierf toen, 33 jaar oud."
Haar feest wordt tegenwoordig gevierd op haar sterfdag 17 maart. Een relikwie van Gertrudis wordt bewaard in de Sint-Amanduskerk te Wezeren in Vlaams-Brabant.

 
van Nijvel, Gertrudis (I5227)
 
52

Theudesinda (Fries: Thiadsvind) (677 - ?) was een dochter van de Friese koning Radboud. In 711 trouwde zij als bezegeling van de vrede tussen Friezen en Franken na een periode van oorlogen met Grimoald, de oudste overlevende zoon van Pepijn van Herstal, de hofmeier van Austrasië. Het huwelijk werd voltrokken door Willibrord, de aartsbisschop van de Friezen. Het is onzeker of zij en haar man in de drie jaar van hun huwelijk (Grimoald werd in 714 in de buurt van Maastricht vermoord door politieke tegenstanders) kinderen hebben gekregen.
In de primaire bronnen is geen verdere informatie over haar leven bewaard gebleven. Door haar zouden de zogenaamde Radboudelingen afstammen van koning Radboud. Directe bronnen die dat kunnen bevestigen ontbreken eveneens.

 
Theudesinda (I5174)
 
53

Begga werd omstreeks 620 geboren als dochter, enerzijds van Pepijn van Landen, hofmeier[1] van Austrasië, stamvader van de Pepiniden en katholieke zalige, en anderzijds van diens vrouw Ida, beter bekend als de heilige Ida van Nijvel. Begga was de zuster van Grimoald -die zijn vader opvolgde als hofmeier- en van de heilige Gertrudis. Begga huwde omstreeks 643 met Ansegisel, een hofmeier die werd vermoord. Deze laatste was een zoon van bisschop Arnulf van Metz en van diens vrouw Doda van Metz. Zowel Arnulf als Doda werden heiligverklaard. Uit het huwelijk tussen Begga en Ansegisus werden verscheidene kinderen geboren. Echter heerst er onzekerheid over sommige mogelijke kinderen. Met zekerheid stammen de volgende uit dit huwelijk: Pepijn van Herstal (ca. 645 - 714), de latere stichter van het Karolingische rijk (zoon van Begga). Clothildis van Herstal (ca. 650 - 692), die huwde met koning Theuderik III van Bourgondië en heilig werd verklaard. Het is overduidelijk dat verscheidene van Begga's verwanten, op een bepaald tijdstip in hun leven, zich ten dienste stelden van de katholieke Kerk en sommigen zelfs werden heiligverklaard. 

 
van Saksen, Doda (I1063)
 
54

Hij werd geboren als zoon van Adriaan Roland Holst, fabrikant en assuradeur, en Sabina Posthumus. Zijn neef was de dichter Adriaan Roland Holst. Rik - zijn roepnaam - Roland Holst studeerde van 1885 tot 1890 aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam. Aldaar was hij vanaf 1918 docent en van 1926 tot 1934 directeur. Hij trad op 16 januari 1896 in het huwelijk met de bekende dichteres en revolutionair Henriette van der Schalk. Dit huwelijk bleef kinderloos.

Richard Roland Holst onderging de invloed van William Morris. Hij kende de kunst in de eerste plaats een ideële, dienende taak toe en legde vooral de nadruk op ambachtelijke zuiverheid en schone vorm. Daarbij hechtte hij grote waarde aan samenwerking tussen kunstenaars (uit verschillende "disciplines"). Om die reden wordt hij wel een gemeenschapskunstenaar genoemd. Hij was een vriend van Herman Gorter en werd overtuigd socialist.

Hij maakte houtsneden, ontwierp affiches, deed de typografische vormgeving van de dichtbundel “Sonnetten en verzen in terzinen geschreven” van Henriette Roland Holst en maakte muurschilderingen in de Beurs van Berlage, het kantoor van de Algemeene Nederlandse Diamantbewerkersbond de 'Burcht van Berlage' en het gebouw van de Hoge Raad in Den Haag.

Later maakte hij ook glas-in-loodramen, onder andere voor het Amsterdamse stadhuis, de Domkerk en het hoofdpostkantoor op de Neude, beide te Utrecht. Hij was ook boekbandontwerper

 
Roland Holst, Richard Nicolaüs (I502525)
 
55

bijgenaamd de Vette of de Dikke, was de eerste Friese graaf die zich naar het Graafschap Holland: graaf van Holland noemde ("Florentius comes de Hollant"). Hij was de zoon van Dirk V van Holland en Othilde.
Omstreeks
1108 trouwde Floris II met Geertruida van Saksen, dochter van Diederik II van Lotharingen, de hertog van Opper-Lotharingen en een halfzus van de Rooms-Duitse koning Lotharius III van Supplinburg. Geertruida veranderde haar naam waarschijnlijk bij haar huwelijk in Petronilla. Hiermee wilde ze vermoedelijk uiting geven aan haar verbondenheid met Petrus en de paus. Floris II beëindigde het conflict met bisschop Burchard van Utrecht, waarschijnlijk door hem in 1101 als leenheer te erkennen. In ruil daarvoor ontving hij van de bisschop het Rijnland (gouw) in leen en kreeg van hem de titel graaf van Holland. Floris II is de eerste die zo werd genoemd, daarvoor werd zijn domein nog als het graafschap Friesland aangeduid.
Floris verwierf grote rijkdom door de ontginning van de veengebieden in het Rijnland en door tolheffing op de grote rivieren, met name bij
Vlaardingen waar in die tijd de Lek, Waal en Maas samen in de Noordzee uitmondden. Hij heeft zijn bijnaam waarschijnlijk aan deze rijkdom te danken. Floris heeft tijdens zijn bewind diverse houten kerken vervangen door kerken van tufsteen.
Floris overleed toen zijn oudste zoon
Dirk nog maar 7 jaar oud was. Hij is begraven in de abdij van Egmond.

 
van Holland, Graaf van Holland en Egmond Floris "De Vette" II (I362)
 
56

De heilige Begga620 - Andenne, 17 december 693) was een Frankische edelvrouw, dochter van hofmeier Pepijn van Landen, en een heilig verklaarde katholieke kloosterlinge. De Collegiale kerk Sint-Begga te Andenne is aan haar toegewijd. In deze kerk bevindt zich (in de Sint-Beggakapel, links van het koor) een 12-de eeuws funerair monument in zwart marmer dat genoemd wordt: "Het graf van Begga". Erboven staat de zogenaamde "Tafel van Begga" waaraan bovennatuurlijke eigenschappen zijn toegeschreven. Een relikwie van Begga wordt bewaard in de Sint-Amanduskerk te Wezeren in Vlaams-Brabant.
Na de dood van haar man en een groot deel van haar mannelijke familieleden tijdens een mislukte staatsgreep in
662, werd Begga erfgename van het uitgestrekte familiebezit in het Maasdal. Als weduwe maakte ze een pelgrimstocht naar Rome en deed daar de gelofte om een klooster en zeven kerken te stichten. Pas nadat haar zoon Pepijn in 691 zijn politieke positie en zijn bezit veilig had gesteld, stichtte zij een klooster in Andenne, bevolkte het met nonnen uit Nijvel en werd er de eerste abdis. Begga stierf in Andenne, waarschijnlijk op 17 december 693.
De heilige Begga is de
patrones van stotteraars, van mensen met botbreuken, en vrij recent ook van de begijnen. Zij wordt aangeroepen tegen reuma. Het Walcherse dorpje Biggekerke is waarschijnlijk naar haar vernoemd.

 
van Landen, Begga de Heilige (I501569)
 
57

Hij was de zoon van Willem I en Aleid van Gelre.
Floris trouwde met
Machteld van Brabant, weduwe van Hendrik VI van Brunswijk. Op 5 november1214 maakte zijn vader samen met Hendrik I van Brabant een huwelijksverdrag op waarin werd overeengekomen dat vanaf de dag van het huwelijk van Floris, zijn vader, graaf Willem elk jaar 500 Hollandse ponden zal betalen aan Machteld, de dochter van Hendrik van Brabant. Het geld zou komen uit de inkomsten die Willem I had uit een groot aantal stukken grond, waaronder de Riederwaard. Het huwelijk werd voltrokken op 6 december 1224 te Antwerpen.
Hij volgde zijn vader op in 1222. De eerste paar maanden, tot hij op zijn twaalfde verjaardag meerderjarig verklaard werd, stond hij onder voogdij van graaf
Boudewijn van Bentheim. Floris IV breidde zijn gebied uit met het Land van Altena. Floris nam deel aan de expeditie tegen Drenthe in 1227, die mislukte in de slag bij Ane, en aan de oorlog tegen de Stedingers in 1234.
Floris overleed tijdens een
toernooi te Corbie, Frankrijk, op 19 juli1234. Volgens een romantische overlevering maakte Floris grote indruk op Mathilde II van Boulogne die hem een liefdesbrief stuurde. Haar man, Filips Hurepel, die ook deelnam aan het toernooi, kon dit niet over zijn kant laten gaan en stak Floris dood. Floris werd begraven in de Abdij van Rijnsburg.

 
van Holland, Floris IV (I408)
 
58

Hij was een zoon van Dirk I van Brederode en Alvaradis van Heusden. Willem werd pas in 1244 als heer van Brederode erkend, mede omdat hij in voorgaande jaren nog minderjarig was. Van Brederode trok in 1248/49 met Willem II van Holland mee op veldtocht tegen de opstandelingen boven de Rijn in het Ruhrgebied, in 1256 herhaalde hij dit tegen de West-Friezen. Hij werd in 1255 tot ridder geslagen en in 1269 benoemd tot baljuw van Kennemerland. Op 25 juni 1282 werd hij beleend met de gerechten van Goudriaan, Hardinxveld, Papendrecht, Peursum en Slingeland. Willem werd na zijn dood begraven in de Brederodekapel van de Engelmunduskerk te Velsen.
Willem huwde in
1254 met Hillegonda van Voorne, uit het huwelijk kwamen zes kinderen voort
Hij werd in 1255 tot ridder geslagen en in 1269 benoemd tot baljuw van Kennemerland.
Op 25 juni 1282 werd hij beleend met de gerechten van Goudriaan, Hardinxveld, Papendrecht, Peursum en Slingeland. Willem werd na zijn dood begraven in de Brederodekapel van de Engelmunduskerk te Velsen.

 
van Brederode, heer van Brederode Willem I (I657)
 
59

Hij was een zoon van Herbaren I van der Lede en een dochter van Willem van Altena. Floris wordt genoemd in een charter van een Gelderse kroniek uit 1204, dat hij samen met zijn jongere broer Folpert (Walpertus) de heerschappij krijgt van een klein kasteel te Asperen[1][2]. Ditzelfde kasteel werd tijdens de Loonse Oorlog vernietigd door Willem I van Holland. In 1207 ondertekent Floris een oorkonde tot overgave tezamen met Ada van Holland en Lodewijk II van Loon. Datzelfde jaar wordt Floris om het leven gebracht door huurlingen van de koning van Engeland en de graaf van Holland.
Floris huwde omstreeks 1200 met Jacomijn van Schoonhoven, een dochter van Hugo Botter, heer van
Schoonhoven, ze kregen samen vier zonen en een dochter

 
van der Lede, Floris Herbaren (I1132)
 
60

Hij was een zoon van Willem van Teylingen, er worden mogelijk twee moeders aan hem gelinkt, Maria van Castricum of Agnes van Bentheim. Dirk (I) wordt door historici gezien als grondlegger van het huis Brederode; het grondgebied van Brederode was echter al in het bezit van zijn vader, die uit het geslacht Van Teylingen voortkwam, waardoor hij mogelijk niet de eerste heer van Brederode was.
In
1226 werd Dirk benoemd tot drossaard aan het hof van de graaf van Holland. Hij diende onder Floris IV van Holland en Willem I van Holland. Bij afwezigheid van de graaf was hij tevens zijn eerste vervanger.
Dirk huwde omstreeks
1215 met Aleid Alveradis van Heusden; zij kregen minstens zes kinderen.

 
van Teylingen, van Brederode, heer van Brederode en drossaard van de graven van Holland Dirk I (I660)
 
61

Jan stichtte rond 1020 een kerk te Leerbroek. Jan I vertrok naar het Heilige land vermoedelijk op pelgrimstocht om Jeruzalem te bezoeken. Vervolgens zou hij in Byzantijnse dienst getreden zijn en was hij aanwezig bij verscheidene acties tegen de Seltsjoek-Turken. Hij overleed tijdens een hinderlaag in Syrië

 
van Arkel, Jan I (I1143)
 
62

Marcus Antonius was de zoon van de praetor Marcus Antonius Creticus en Iulia Antonia. Van moederszijde was hij een verre neef van Caesar. Na de moord op Caesar vormde Antonius met Octavianus (de toekomstige Augustus) en Lepidus een officiële politieke alliantie, die vandaag de dag bekendstaat als het tweede triumviraat.
Marcus Antonius zette een grote expeditie op tegen de 
Parthen die in 36 v.Chr. uitliep op een grote nederlaag. Hij kwam in de ban van Cleopatra VII, koningin van Ptolemaeïsch Egypte, die eerder een affaire had met Julius Caesar. Hij schonk haar provinciae en verleende haar en de zoon die Caesar bij haar verwekt had de titel "koningin der koningen" respectievelijk "koning der koningen". Hoewel slechts bedoeld als een gebaar naar de Parthen, was dit politiek gezien een blunder. Later trouwde Marcus Antonius met Cleopatra, bij wie hij drie kinderen kreeg: een tweeling, Cleopatra Selene II en Alexander Helios, en (vier jaar later) een zoon: Ptolemaeus Philadelphos. Hij riep hiermee het schrikbeeld op van een Egyptisch-Oosterse despotie, uitgeoefend door hemzelf en Cleopatra.
In het driemanschap was Marcus Antonius aanvankelijk de sterkste. Lepidus heeft altijd een ondergeschikte rol gespeeld. Octavianus was een politiek genie; hij liet Antonius' scheidingsbrief aan 
Octavia publiceren, tezamen met diens testament, dat in bewaring gegeven was bij de Vestaalse maagden. In de senaat werd Marcus Antonius tot een vijand van Rome verklaard. Het triumviraat viel uit elkaar in 33 v.Chr. nadat Lepidus op een zijspoor werd gezet. Een meningsverschil tussen Octavianus en Antonius mondde in 31 v.Chr. uit in een burgeroorlog, de Laatste Oorlog van de Romeinse Republiek.
Octavianus kwam uiteindelijk als winnaar uit de onderlinge machtsstrijd. Antonius werd verslagen bij de 
Zeeslag bij Actium en in een korte veldslag bij Alexandrië. Antonius gaf Cleopatra daarvan de schuld, waarop zij zich uit vrees voor zijn woede liet opsluiten in de tombe die zij voor zichzelf had laten bouwen. Haar boodschappers kregen de opdracht om aan Antonius te vertellen dat zij dood was. Antonius geloofde dat en liet zich op zijn zwaard vallen. Er wordt weleens beweerd dat hij er vervolgens van op de hoogte gebracht werd dat Cleopatra nog leefde en zich, dodelijk gewond, naar haar toe liet brengen. Vervolgens zou hij in haar armen gestorven zijn.

 
Anthonius, Marcus (I3608)
 
63

Na de dood van zijn vader Boudewijn II erfde Arnulf het grootste (noordelijke) deel van het graafschap, zijn broer Adalolf erfde het zuidelijke deel.
Arnulf vocht in 923 aan de kant van koning van
West-Francië, Karel de Eenvoudige in de Slag bij Soissons (923) tegen tegenkoning Robert van Bourgondië.
In 924 veroverde hij samen met zijn broer Adalolf en
Herbert II van Vermandois de stad Eu op Rollo, de eerste graaf van Normandië. Arnulf versloeg de Vikingen in 926 maar gaf in 928 het graafschap Guînes in leen aan de Deen Siegfried en gaf hem later zijn dochter tot vrouw.
Vanaf 930 kwam het tot een krachtmeting met Herbert II van Vermandois. Om diens expansie te beteugelen veroverde Arnulf in 931
Dowaai en Mortagne-du-Nord. In 932 verwierf Arnulf het graafschap Artesië en versterkte de abdij van Sint-Vaast. Na het overlijden van zijn broer in 933 eigende hij zich diens graafschappen Terwaan en Boulogne toe, met voorbijgaan aan de rechten van zijn minderjarige neefjes. Hij adopteerde wel Adalolfs onechte zoon Boudewijn. In 934 kwam het tot een vrede met Herbert en trouwde Arnulf in 934 met Herberts dochter Adelheid. Dit bezegelde niet alleen een vrede maar ook een bondgenootschap tegen Hugo de Grote, zoon van Robert van Bourgondië.

 
van Vlaanderen, graaf van Vlaanderen Arnulf 'de Grote I (I385)
 
64

Over Radboud zijn jeugd en jonge jaren is niets bekend. Hoewel in latere kronieken wordt beweerd dat hij een zoon van Aldgisl was, bestaat hiervoor in het bronmateriaal uit die tijd geen bewijs. Hij groeide ongetwijfeld op in een familie die tot de Friese elite behoorde en kwam niet eerder aan de macht dan circa 680, na de dood van Aldgisl.
Radboud wordt gezien als een machtige heerser, maar het begin van zijn bewind verliep teleurstellend. Hij raakte herhaaldelijk in conflict met het
Frankische Rijk en moest genoegen nemen met een ondergeschikte rol ten opzichte van zijn machtige buur. Tussen 688 en 695 leed hij een aantal nederlagen tegen de Frankische hofmeierPepijn van Herstal, onder andere in de slag bij Dorestad. Halverwege de negentiger jaren sloten Radboud en Pepijn vrede, waarbij Radboud afstand deed van Fresia citerior, het grondgebied ten zuiden van de Oude Rijn. Onderdeel van deze vrede was het sluiten van een huwelijk tussen Radbouds dochter Theudesinda met Pepijns zoon Grimoald. Van dit huwelijk is niet bekend of er kinderen uit zijn geboren.
Er bestaan aanwijzingen dat koning Radboud zich na zijn verdrijving uit Fresia citerior ophield in
Kennemerland en in het benoorden de Oude Rijn gelegen deel van het Sticht Utrecht. Hij verbleef daar op een burcht Velsereburg geheten, gelegen aan de Felisena, waar Velsen naar genoemd was. Van daaruit beheerste hij zijn grondgebied, nadat hij afstand had moeten doen van de plaatsen Dorestad en Utrecht.
Radboud beschikte over grote kwaliteiten maar maakte misbruik van de oorlogsdreiging waarin zijn land verkeerde. Zo beschuldigde hij sommige onderdanen van landverraad teneinde hun bezittingen verbeurd te verklaren en in beslag te nemen. In 708 gaf hij opdracht om
Wurssing, een belangrijke rechter, gevangen te zetten. Wurssing, de grootvader van Liudger, die tot de Friese elite behoorde wist op tijd weg te vluchten.

 
van Friesland, Radbod (I1683)
 
65

Pepijn II van Herstal, bekend met de bijnamen de Jonge, de Middelste of de Dikke, (Herstal, ca. 635 - Jupille-sur-Meuse, 16 december714) was een Frankischehofmeier.
Hij was de zoon van de hofmeier
Ansegisel en van (de heilige) Begga, een dochter van de hofmeier Pepijn van Landen.[1] Hij werd begraven in de abdij van Sint-Arnulf (zijn grootvader) in Metz.In 689 versloeg hij de Friezen in de Slag bij Dorestad en veroverde hij alle gebieden ten zuiden van de Rijn. Aan de missionaris Willibrord gaf hij een oud Romeins fort, nu de stad Utrecht, als steunpunt voor zijn zending onder de Friezen. Ook onderwierp hij de Alemannen. In 691 deed hij een schenking aan de abdij van Sint-Arnulf te Metz. In 695 benoemde hij zijn zoon Grimoald II tot hofmeier in Neustrië en zijn zoon Drogo tot hofmeier in Bourgondië.

 
van Herstal, Pepijn II (I501567)
 
66

Willem II was de zoon van Floris IV van Holland en Machteld van Brabant. Willem II was ook koning van het Heilige Roomse Rijk vanaf 1248 tot aan zijn dood in 1256. Als graaf van Holland vormde hij een sterk bondgenootschap met Brabant tegen Vlaanderen. Op zevenjarige leeftijd volgde hij zijn vader op. Een broer van zijn vader, eveneens Willem geheten, en later Otto, bisschop van Utrecht (ook een broer van zijn vader), werden regent. In navolging van Brabantse steden gaf hij Delft (1246), Haarlem (1245), 's-Gravenzande (1246) en Alkmaar (1254) stadsrechten. Willem nam het besluit om zijn hoeve in 'Haga' om te bouwen tot een kasteel van waaruit hij efficiënt zijn gebieden kon besturen. Daarmee begon de functie van Den Haag als bestuurscentrum. Omdat hij de paus in diens conflict met Frederik II van Hohenstaufen militair steunde, kroonde de aartsbisschop van Keulen hem als dank in 1248 te Aken tot rooms koning, waarmee hij kandidaat werd voor keizer van het Heilige Roomse Rijk. Rooms koning was een titel die tussen 1125 en 1508 gebruikt werd voor een gekozen koning van het Heilige Roomse Rijk. Pas in 1252 werd hij, vooral dankzij zijn huwelijk met de Welfische Elisabeth van Brunswijk door de vorsten van zijn rijk als heerser geaccepteerd. Willem II voerde verschillende oorlogen tegen de Westfriezen. Tijdens de veldtocht tegen de Westfriezen zakte hij op 28 januari 1256 bij Hoogwoud door het ijs van het Berkmeer. De Westfriezen vonden hem in machteloze positie en doodden hem. Toen ze doorhadden dat ze de koning hadden gedood, werd Willem begraven onder de haardplaat van een boerderij in Hoogwoud. Pas in 1282 wist zijn zoon, graaf Floris V, zijn stoffelijk overschot terug te vinden, maar niet zonder slag of stoot: Hoogwoud werd geplunderd en de bevolking werd voor een groot deel uitgemoord door de Hollanders. Willem II werd herbegraven in de abdij te Middelburg.

 
van Holland, Willem II (I410)
 
67

The GermanicFranks are first documented during this century (the Period of Migration), when they are to be found occupying territory on the Lower Rhine valley (on the east bank, in what is now northern Belgium and the southern Netherlands). They are one of several West Germanic federations, and are formed of elements of the Ampsivarii, Batavi, Bructeri, Chamavi, Chatti, Chattuarii, Cherusci, Salian Franks, Sicambri, Tencteri, Tubantes, and Usipetes. Most of these peoples live along the Rhine's northern borders in what is becoming known as Francia. The fortunes of all of these tribes are now tied to the greater, and growing Frankish collective.

 
der Franken, Koning der Franken Childeric I (I501603)
 
68

Grimoald II (? - 714), was hofmeier van Neustrië vanaf 695. Hij was getrouwd met een dochter van koning Radboud
Grimoald wordt gerekend tot de
Pepiniden en was de tweede zoon van Pepijn van Herstal en Plectrudis. Zijn vader benoemde hem al op jonge leeftijd, in 695, tot hofmeier van het koninkrijk Neustrië. Na de door zijn vader gewonnen slag bij Tertry heeft diens volgeling Nordebert deze functie van 687 tot 695 n.Chr. bekleed als een soort regent.
Als bezegeling van een vredesovereenkomst trad hij in 711 in het huwelijk met Thiadsvind, de dochter van de Friese koning Radboud. Zover bekend kreeg hij met haar geen kinderen; wel had hij twee bastaardzonen uit een eerdere relatie, namelijk Theudoald en Arnold. Tijdens een bedevaartstocht, op weg naar het graf van Heilige Lambertus van Maastricht bij Luik, werd Grimoald in april 714 vermoord door een sluipmoordenaar, de edelman Rantgarius, van wie wel is verondersteld dat hij van Friese afkomst was. Tegenwoordig wordt het aanwijzen van Rantgarius als moordenaar in twijfel getrokken. Het zou gaan om een constructie uit de 12e-eeuwse hagiografie (heiligenlevens), die bekendstaat om hun literaire vrijheden.
De zonen van Grimoald voerden na de dood van Pepijn van Herstal met de halfbroer van Grimoald, Karel Martel, een strijd om de macht die bekendstaat als de Frankische burgeroorlog een strijd tussen de eerste Karolingen en de laatste Pepiniden

 
van Herstal, Grimoald II (I801)
 
69

Marcus Antonius Orator (Latijn: „de redenaar“; * 143 v.Chr., † 87 v.Chr.) was een Romeins politicus uit de gens Antonia en een van de vooraanstaande redenaars van zijn tijd.
Hij begon zijn 
cursus honorum als quaestor in het jaar 113 v.Chr. en werd in 103 v.Chr. als praetor met proconsularische volmacht voor de provincia Cilicia gekozen. Tijdens zijn ambtstermijn in het oosten bekampt Antonius de piraten, die bestreden moesten worden omdat ze Romeinse steden aanvielen, met zoveel succes, dat de senaat besluit een triumphus te zijner ere te houden in 100 v.Chr.. In het jaar 99 v.Chr. werd hij samen met Aulus Postumius Albinus tot consul gekozen. Als vriend en aanhanger van Gaius Marius, verzette hij zich tegen de partij van Lucius Appuleius Saturninus. Toen hij in 97 v.Chr. als censor werd aangesteld, stond hij toe dat Italici zich Romeins burger konden maken. Hij zou hierdoor beschuldigd worden van het aanzetten van Italici tot rebellie op grond van de Lex Valeria. Nadat hij gebroken had Marius, sloot hij zich bij Lucius Cornelius Sulla aan. Deze verandering van kamp kost hem echter het leven, daar hij door Gaius Marius en Lucius Cornelius Cinna gedood werd, toen deze in 87 v.Chr. Rome bezetten.
Naast zijn politieke carrière trad hij ook voor Romeinse gerechtshoven op als bemiddelende verdediger of aanklager. Hij zou onder andere voor de vrijspraak van 
Gaius Norbanus en Manius Aquillius zorgen. Zijn roem als welbespraakt redenaar behoudt hij tot in de tijd van Marcus Tullius Cicero, die Antonius als protagonist van zijn grote dialoog De oratore (Over de redenaar) laat optreden. Daarbuiten blijft geen enkele van de redevoeringen van Antonius bewaard.
Marcus Antonius Orator had twee zoons, 
Marcus Antonius Creticus en Gaius Antonius Hybrida, die hun vaders reputatie nooit zouden evenaren. Creticus was de vader van de generaal en triumvir Marcus Antonius.

 
Orator, Marcus Antonius (I3613)
 
70

Alpaida of Chalpaida (Latijn: Chalpaidis (waarschijnlijk rond 670[1] - vermoedelijk voor 714 gestorven) was de tweede echtgenote van Pepijn van Herstal. Zij was de moeder van Karel Martel en mogelijk van Childebrand. Over haar leven is niet veel met zekerheid bekend.
Haar plaats van herkomst en het adellijke geslacht waaruit zij stamt zijn niet met zekerheid bekend. Er zijn theorieën dat zij een zuster zou zijn geweest van Dodo, een domesticus van
Pepijn van Herstal. Dodo zou de man zijn geweest, die naar men zegt bisschop Lambertus van Maastricht zou hebben vermoord. Ook wordt wel gezegd dat zij een nicht in de tweede graad van Bertrada van Prüm zou zijn. Haar geboorteplaats wordt in de nabijheid van Prüm vermoed.
Alpaida's zoon, Karel Martel, wordt gezien als de stichter van het geslacht van de
Karolingen. Hij is de vader van Pepijn de Korte en grootvader van Karel de Grote.
Volgens recente bevindingen heeft Pepijn van Herstal toch een kerkelijk geldig huwelijk met Alpaida gevoerd, dat meer dan tien jaar zou hebben geduurd. Volgens overlevering is bisschop
Lambertus van Maastricht (onder andere schutspatroon van de stad Luik) door een broer van Alpaida gedood, omdat Lambertus weigerde het huwelijk tussen Pepijn en Alpaida te erkennen.
Pepijn wendde zich na 702 echter weer tot zijn eerste vrouw,
Plectrudis. Tijdens de Frankische Burgeroorlog tussen haar zoon Karel Martel en Plectrudis, die na de dood van Pepijn van Herstal uitbrak, wordt Alpaida niet meer genoemd. Daarom vermoedt men dat zij reeds voor de dood van Pepijn van Herstal in 714 was gestorven.

 
De Bruyeres En Etampois De Landen, Alpaida (I501570)
 
71

Ansegisus (verlatijnst, oorspronkelijk Ansegisel) (ca. 610 - 662) was een Frankischehofmeier. Hij was een zoon van Arnulf van Metz en zijn vrouw Doda.
In 633 werd de toen drie jaar oude
Sigibert III koning van Austrasië. Een jaar later werd Ansegisus benoemd tot een van zijn opvoeders en waarschijnlijk kreeg hij toen ook het ambt van hofmeier, dat Pepijn van Landen moest neerleggen. Hij onderdrukte samen met Pepijn, Kunibert van Keulen, Bubo van Auvergne en Leuthar van Allemanië een opstand van de edelen Radulf en Fara. In 662 nam hij deel aan de mislukte staatsgreep van zijn zwager Grimoald I en werd daarbij gedood door Gundewin.
Rond 645 huwde hij met
Begga, de dochter van Pepijn van Landen.

 
van Metz, Anseginsel (I501568)
 
72

Calpurnia Pisonis (77 v.Chr.) was de dochter van Lucius Calpurnius Piso Caesoninus, die consul was in 58 v.Chr. en de laatste vrouw van Gaius Iulius Caesar, met wie zij in 59 v.Chr. op achttienjarige leeftijd trouwde.
Calpurnia schijnt zich niet bemoeid te hebben met de politiek en in stilte de vernedering hebben verdragen van het huwelijk met een dochter van 
Marcus Antonius dat Caesar overwoog in 53 v.Chr. en van de gunsten die haar echtgenoot aan Cleopatra VII verleende, toen deze in 46 v.Chr. naar Rome kwam. De geruchten die de ronde deden over een samenzwering tegen het leven van Caesar deden Calpurnia het ergste vrezen. Zij werd erdoor achtervolgd in haar dromen en smeekte haar echtgenoot - tevergeefs - om thuis te blijven op de fatale Iden van maart 44 v.Chr.  Na de dood van haar echtgenoot zou ze diens papieren samen met een groot som geld afstaan aan Marcus Antonius. Ze zou niet hertrouwen.

 
Pisonis, Calpurnia (I3627)
 
73

Drogo van Champagne (670 - 708) was een zoon van Pepijn van Herstal en Plectrudis.
In 690 werd hij door zijn vader op twintigjare leeftijd tot hertog van
Champagne benoemd. In 697 werd hij na de dood van Nordebert tevens tot hertog van Bourgondië benoemd. Hij werd in 695 de laatste van de hofmeiers van Bourgondië.
Hij trouwde met Anstrude, de dochter van Ansflede en
Waratton, de voormalige hofmeier van Neustrië en Bourgondië, en ook de weduwe van de hofmeier Berthar. Het echtpaar kregen samen vier zonen.

 
van Champagne, Drogo (I800)
 
74

Gebicca, ook bekend als Gjúki, Gifica, Gifica, Gibica en Gebicar, was een Bourgondische hoofdeling (koning) vanaf eind 4e eeuw tot zijn dood rond 407. Hij was de vader van Godomar, Giselher en Gundahar
Ten tijde van Gebicca woonden de Bourgondiërs aan de bovenloop van de Main. Zij waren door middel van verdragen verbonden met het Romeinse Rijk en leverden soldaten voor het leger.

 
van Bourgondië, Gebicca (I4606)
 
75

(Bastaard) vermeld 1291 als broeder van Heer Dirc van Brederode (Hollandse Oorkonde nr 759) en vermeld (genoemd) in 1300 en 1305 als broeder en mombaer door Alverade van Brederode, ridder. Hollandse oorkonde Nr 759)

 
de Scoten van Adrichem, Floris (I6829)
 
76

houder van een memorie bestaande uit 4 lijnen lands aan de noordzijde van Poortugaal, koper van tienden in Charlois (1512-42), gebruiker van land onder Charlois en Robbenoord

 
Danckertsz, Jan (I2080)
 
77

Afkomstig van Meerkerk. Weijntje is lidmaat in Meerkerk in 1638/39 en is enkele malen peet bij de doop in Meerkerk van kinderen van (haar broer) Hendrik Heymans, snijer en kleermaker. Weijntge Cornelis Maes (5-12-1663) wede Philipus Berentse in de gerechte helfte ende Dirick Bastiaensse Wiltschut wedr. van Grietge Fhilipse trp. aan Berent Philipse en Jan Philipse elck voor´t gerechte 1/6e part. Weijntje Cornelis (Maes) wede van Philips Berents won. Meerkerk is ovl. (8-1-1670) nagelatende Beernt Philips en Jan Philips haere zonen en 2 onm. kinderen van Grietgen Philip hare dr bij Dirck Bastiaense Wiltschut mede als voocht over zijn kinderen.

 
Maes, Weijntje Cornelis (I502861)
 
78

Boer te Ridderkerk, geboren circa 1566 te Ridderkerk, overleden op 29-09-1646 te Ridderkerk. De "Paradijshoeve" te Ridderkerk. Deze hoeve vanouds als een buitenplaats genoemd, is gelegen in de polder Oud-Reijerwaard, ingepolderd in 1441. Het adres was vroeger Molensteeg 70, later Molendijk 82. Thans Oostmolendijk 82. De hoeve werd vooral na 1900 erg verbouwd.

Deze hoeve werd in 1597 betrokken door Adriaen Pouwels of Poulsen, die in of rond 1567 geboren was. Hij trouwde in november 1597 op 30 jarige leeftijd met Roockgen Goossendr. Schilperoort, weduwe van Gerrit Cranendonck. Zij deed haar hoeve te Poortugaal over en kwam met haar kinderen naar Ridderkerk, welke hoeve vrijkwam door het overlijden van haar ouders. Adriaen Pouwels was een wees.

Zijn vader Pauwel Adriaensz. had een hoeve in de polder Nieuw-Reijerwaard en werd vanaf 1542 als eigenaar of gebruiker van lande-rijen onder Ridderkerk genoemd.

Vanaf 1592 stond het land in de Diercoop (10 hond land in een hoef) op naam van Adriaen Pauwelsz. Mede vanwege de relatieve welstand van Adriaen Pauwelsz. had dit tot gevolg dat hij reeds op ca: 25-jarige leeftijd heemraad van Ridderkerk werd, een functie die hij gedurende meer dan 35 jaar vervulde (1592-1628). Roockgen Goossensdr.Schilperoort overleed op de hoeve in 1603, zonder uit het tweede huwelijk kinderen na te laten.

Ondertrouwd op 26-10-1597 te Ridderkerk, gehuwd voor de kerk op 09-11-1597 te Ridderkerk (hervormd/gereformeerd) met Roockgen Goossendr. (Schilperoord), geboren circa 1565 te Ridderkerk, overleden circa 1603 te Ridderkerk. Roockgen was weduwe van Gerrit Pietersz. Cranendonck, geboren te IJsselmonde ca 1565, overleden Poortugaal kort voor 10 januari 1596, zoon van Pieter Pietersz.Cranendonck, alias den Boetser, bouwman te IJsselmonde, en Adriaentje Gerritsdr. (Roockgen en Gerrit trouwden te Ridderkerk op 16 april 1589).

Gehuwd voor de kerk (2) op 30-05-1604 te Hendrik-Ido-Ambacht (hervormd/gereformeerd) met Arijaentje Cornelis Lodewijcks (van der Giessen) (zie 5169). In mei 1604 was Adriaen Poulsen hertrouwd met Ariaentie of Aryaentje Cornelis Lodewijck uit Sandelingen Ambacht, die echter voor april 1627 overleed. Uit het tweede huwelijk waren 2 dochters en 1 zoon geboren, die opmerkelijk genoeg de naam Cranendonck gingen voeren. Ook Adriaen Pauwelsz.zelf gebruikte aan het eind van zijn leven een enkele maal de familienaam Cranendonck,ruim tien jaar nadat deze door zijn kinderen was aangenomen. Hij werd in 1608 benoemd als Waersman (penningmeester) van de polder Oud-Reijerwaard.

In 1611 werd hij aangesteld door de Ambachtsheer van Ridderkerk als "Dyckgraeff" te Ridderkerk, van de polders Oud-en Nieuw-Reijerwaard. In 1628 werd hij hierin opgevolgd door Arien Ariensz. Baes. De groeiende welstand is duidelijk af te lezen uit de belastingkohieren van 1627: hij was toen fl.13.000,- gegoed en bezat meer dan 30 morgen land. Adriaen Poulsen komt ook voor als "Adriaen Poulsen Dijckgraeff" en als "Adriaen Pauwels ouden Dijckgraeff" in zijn functies als heemraad en schepen van Ridderkerk. Hij voerde ook een wapen.

Dochter Roockgen Ariens Craenendonck trouwde in 1632 met Arien Aertsz.Kalis en zij vestigden zich op de boerderij van diens ouders aan de Benedenrijweg onder Slikkerveer. Opvolger op de Paradijshoeve werd schoonzoon Jacob Gerritszoon van der Zegen, alias den Boer, afkomstig uit Lekkerkerk. Hij trouwde in november 1637 met de jongste dochter Annigje Ariens Cranendonck.Haar vader Adriaen Poulsen werd in 1638 nog aangeslagen over zijn goederen. Hij had maar liefst 5 haardsteden en was 8000 pond gegoed, terwijl zijn zoon en dochters, allen reeds gehuwd, toch een eigen vermogen hadden tussen de 5000 en 8000 pond.

Adriaen Poulsen verkocht zijn hoeve op 13 augustus 1639 voor 9250 pond aan zijn schoonzoon. Hij overleed in september 1646 en werd in de Hervormde Kerk aan de Kerksingel begraven. Op 22 november 1646 werd een "Staet ende cavelcedulle" opgemaakt, waaruit blijkt dat er drie erfgenamen zijn: Pouwels Adriaensz.

Craenendonck, Aryen Aertsz. Kalis als getrouwd hebbende Roockgen Adriaens Craenendonck en Aryen Jacobs weeskind van Annitgen Aryens Craenendoncsdr.

Het enig kind Aryen Jacobs van der Zegen erfde in plaats van zijn moeder. Adriaen liet een grote som aan waardepapieren na, waarvan het totaal ruim boven de 10.000 gulden lag, een voor die tijd aanzienlijk bedrag.

 
Cranendonck (Den Ouden Dijckgraaf), Adriaen Pauwelsz (I1554)
 
79

Cleopatra I Syra was koningin en later voor een korte periode farao van Ptolemaeïsch Egypte. Ze was de dochter van Antiochus III, koning van Syrië, vermoedelijk bij diens echtgenote Laodice III en geboren tussen circa 219 en 210 v.Chr. (vermoedelijk vóór 212). Ze werd verloofd met Ptolemaeus V Epiphanes van Egypte in 196 v.Chr. en huwde hem te Raphia in 194/193 v.Chr., waarbij ze werd opgenomen in Ptolemaeus V van Egypte zijn dynastische cultus als (manifeste goden). Ze was de moeder van Ptolemaeus VI Philometor, Ptolemaeus VIII Euergetes II en vermoedelijk ook van Cleopatra II. Ze was de oudere co-regent van haar zoon Ptolemaeus VI vanaf september 180 v.Chr. Ze stierf tussen 9 Mesore jaar 3 (10 september 178 v.Chr.) en 9 Thoth jaar 5 (14 oktober 177 v.Chr.)

 
de Seulicide, Prinses van Syrië Cleopatra I (I3637)
 
80

David van Diepen is de vroegst vermelde naam van het West Friese geslacht van de "van Diepens".Duizenden namen zijn gepasseerd uit Katholieke en Gereformeerde doopboeken uit het begin van de 18e eeuw. Aangetekend dient hierbij te worden dat diverse registers nogal hiaten vertonen of totaal ontbreken; dit door branden in het verleden of vanwege vervolging van priesters in die tijd. Het dopen moest in het geheim geschieden of was onmogelijk daar de gesstelijkheid werd opgejaagd.Het zoeken in dergelijke boeken is te vergelijken met de bekende speld in de bekende hooiberg waarbij dan delen van de hooiberg ontbreken.
Ook de huwelijksacten van Antje, David en Jan resp. Wognum,Spierdijk en Abbekerk geven geen houvast omtrent de woonplaats van hun ouders, zo die nog in leven zijn.Vast staat wel dat ze in een zeer turbelente tijd leefden, waarin "pestilentiën" en oorlogen voor maatschappelijke omwentelingen zorgden. De sterfte onder het vee was dermate dramatisch in Westfriesland dat vele boeren beroofd waren van inkomsten en noodgedwongen overschakelde op tuinbouw of hun landerijen in de steek lieten.
Antje Davids (van Diepen) komen we voor het eerst tegen in de doopboeken van de parochie De Goorn; op 7-5-1732 wordt de doop aangegeven van Johanna d.v. Engel Janse en Jantje Willems uit de Noorddijk, meter is Antje Davids(van Diepen). Ditzelfde op 8-10-1732 van Nicolaas zv. Sijmen Claes Anna Jacobs, ook van de Noorddijk. Na haar huwelijk in 1733 met Muus Luytjes staat Antje in de Wognummer doopboeken bij vele acten als moeder, doch ook veel als meter. Dit laatste gaat door tot 1773; waarschijnlijk is ze omstreeks die tijd overleden.
Vermeldenswaard is dat haar oudste zoon Luitje(doop 9-1-1736) bij zijn overlijden in Wognum 21-3-1813 Luitje van Diepen wordt genoemd.
Van David Davids (van Diepen) weten wij slechts dat hij 3-1-1740 in de gereformeerde kerk als jonkman (dus niet als weduwnaar) huwt met Teunisje Sijmons. Hij woont in Spierdijk, zij in De Goorn. Elk moet drie gulden betalen, hetgeen aangeeft dat beiden "klein vermogend" zijn. Op 20-1-1750 koopt David Davids (van Diepen) 'op de goorn' een stuk grasland, groot een morgen, gelegen op 'de goorn' belend de koper ten zuiden. Hij woont in die tijd dus in De Goorn. Op 30-10-1760 wordt David Davidsz (van Diepen) van Diepen benoemd tot voogd van de kinderen van Jacob Pieters Knollendam en Grietje Claes.
Twee jaar later, 21-6-1762, overlijdt hij in De Goorn. Zijn leeftijd wordt helaas niet vermeld

 
van Diepen, David (I2911)
 
81

Dirk was actief in de ontginning van moerassen door gronden te verpachten aan Friezen die het in cultuur brachten, maar die wilde gronden werden door de bisschoppen van Utrecht als hun gebied beschouwd. Rond 1015 koloniseerde Dirk zo de Riederwaard. Bovendien bouwde hij een burcht in Vlaardingen, waarschijnlijk op de plek waar zich nu de Grote Kerk bevindt, waar het riviertje de Flarding (tegenwoordig de Vlaardingse haven) uitmondde in de Merwede (tegenwoordig de Nieuwe Maas). Vanuit die burcht dwong hij de kooplieden die langs kwamen varen, onderweg van Tiel naar Engeland en vice versa, om tol te betalen. Deze kooplieden én ook bisschop Adelbold van Utrecht riepen daarom de hulp in van de Duitse keizer. De keizer gaf in 1018 zijn neef Dirk de opdracht om zijn vesting te ontruimen. In plaats van zijn leenheer te gehoorzamen, verschanste Dirk zich op zijn burcht en de keizer kon nu niet anders dan een leger op hem af sturen. Dit leger, onder leiding van hertog Godfried de Kinderloze, bestond uit een vloot met troepen uit Utrecht, Keulen en Luik.
Op
29 juli 1018 kwam het tot de Slag bij Vlaardingen. Het laatste stuk naar de burcht moest via land worden afgelegd, wat lastig ging omdat het gebied vol met sloten en dijken lag. Het duurde niet lang voor het leger van Godfried vastliep en noodgedwongen moest terugkeren naar hun schepen om een andere route te zoeken. Op de terugweg liep het leger echter in hinderlaag van de troepen van Dirk. Godfried maakte met zijn leger een tactische terugtrekkende beweging, waarop iemand uit het Friese kamp riep dat de voorste gelederen verslagen waren en de hertog op de vlucht sloeg. Hierop raakten de troepen van Godfried zo in paniek dat velen in volle wapenuitrusting de rivier in sprongen, in een poging de schepen te bereiken. Andere kwamen vast te zitten in het moeras. Dirk maakte direct gebruik van de paniek en het machtige leger van de hertog werd volledig in de pan gehakt. Godfried werd hierbij gevangengenomen.
In de 12e-eeuwse
Annalen van Egmond staat Dirk III vermeld met de bijnaam Hierosolymita, de Jeruzalemganger. Dat duidt erop dat hij een pelgrimstocht naar het Heilige Land heeft gemaakt.
Tijdens zijn graafschap wist Dirk zijn gebied uit te breiden richting het oosten. Deze uitbreiding ging ten koste van het
bisdom Utrecht. De uitbreiding bestond onder meer uit het gebied ten zuidoosten van Alphen, tussen Zwammerdam en Bodegraven. In 1017/1018 zou Dirk ook nog een oorlog tegen de Friezen hebben gevoerd. Nadat de keizer in 1024 kinderloos overleed, steunde Dirk Koenraad II in diens strijd om de opvolging. Na het overlijden van Dirk III, ging zijn vrouw terug naar Saksen, waar zij op 31 maart 1044 overleed. Dirk III is begraven in de Abdij van Egmond. Othilde werd begraven in Quedlinburg.

 
van Holland, graaf van Westfriesland Dirk III (I365)
 
82

Getrouwd: Barendrecht 20 augustus 1609 met Willemtje Adriaens (Hordijck), jongedochter van Oost Barendrecht, geboren ±1590. Uit dit huwelijk wordt een niet nader benoemd kind gedoopt in Barendrecht op 14 maart 1615. Uit het rechterlijk archief van Heinenoord blijkt uit een comparitie van oktober 1647 dat er in elk geval nog twee kinderen zijn: de comparitie betreft het huwelijk van Adriaantje Jans met Crijn Ariens. Getuigen zijn Bastiaen Zimons, haar oom en bloedvoogd, haar andere oom Leendert Zimons en haar broer Cornelis Jans in 't Velt. Willemtje of Willemke overleed na (mogelijkerwijs bij) de geboorte van het derde kind.
Opnieuw getrouwd: Barendrecht 15 februari 1621 (ondertrouw: 8 februari) met Lijntge Jans Barendregt, jongedochter van West-Barendrecht. Uit dit huwelijk worden geboren:
- Willemtge, gedoopt in Barendrecht op 11 augustus 1622. Getrouwd met Jan Joppe Commijs, gedoopt Barendrecht 27 oktober 1624. Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren. Willemtge is overleden voor 18 juni 1650.
- Grietge, gedoopt in Barendrecht op 30 maart 1625. Getrouwd met Franck Dirckz van der Meer.
Op 9 maart 1640 verkopen Arie Cornelisse Hordijk, als grootvader en voogd van de kinderen van Willemke Ariensd., en Bastiaan Simonse in 't Velt, als oom en bloedvoogd van de kinderen van Willemke Ariensd., Lijntje Jansd., en wijlen Jan Simonse in 't Velt, aan Dirk Diert te Rotterdam een perceel land aan de buitenkant van de nieuwe dijk van Carnisse.

 
In 't Veld, Jan Sijmonsz (I500933)
 
83

Godfried was neef van bisschop Andries van Cuijk van Utrecht en werd door hem tot burggraaf van Utrecht benoemd. Samen met zijn moeder en zijn broer stichtte hij de Norbertijnerabdij van Mariënweerd. Hij trouwde met Ida, de erfdochter van Frederik van Werl-Arnsberg, en werd zo graaf van Arnsberg. Toen Godfrieds familie een huwelijk van een van hun nichten met Floris de Zwarte blokkeerde, verzamelde Floris een leger en viel het bisdom Utrecht binnen. Hij bezette de stad Utrecht en plunderde de Cuijkse bezittingen. Godfried en zijn broer Herman van Cuijk (1100-1170) verzamelden op hun beurt een leger een trokken naar Utrecht. Buiten de stad stuitten ze bij Abstede op Floris die daar aan het jagen was. Floris probeerde te vluchten maar zijn paard viel, waarna hij werd gegrepen en gedood (1133). Floris' broer Dirk VI van Holland en zijn neef keizer Lotharius III van Supplinburg hadden nu een persoonlijke vete met het huis van Cuijk. Dirk verwoestte de Cuijkse bezittingen en Lotharius bezette Arnsberg en nam Godfried en zijn broers al hun titels af.
In 1136 stelden twaalf edelen zich borg voor de leden van het huis van Cuijck en werd hun straf verzacht. Ze kregen hun persoonlijke bezittingen terug maar niet hun leengoederen. Lotharius overleed in 1137 en zijn opvolger 
Koenraad III van Hohenstaufen herstelde Andries als bisschop van Utrecht en gaf Godfried en Herman ook hun leengoederen terug. Door de bemiddeling van Andries werd de vrede tussen Dirk en Herman en Godfried ook weer hersteld. Herman moest Dirk voortaan als zijn heer erkennen. De kloosterlingen van Mariënweerd moesten iedere dag voor het zielenheil van Floris de Zwarte bidden. De kinderen van Dirk en Godfried, Otto I van Bentheim en Alveradis van Cuijck, trouwden met elkaar. Godfried maakte carrière aan het hof, eerst onder Koenraad en daarna onder Frederik I van Hohenstaufen. Hij vergezelde deze keizers onder andere op reizen naar Italië.
Graaf van Arnsberg en Burrggraaf van Utrecht.  Hij trouwde met Ida, de erfdochter van Frederik van Werl-Arnsberg, en werd zo graaf van Arnsberg.
Zoon van Hendrik I van Cuijck en 
Alverade van Hochstaden.
Na haar overlijden trouwde hij met Heilwig van Rhenen, dochter van Godfried van Rhenen en Sophia van Bemmel. Godfried kreeg zes kinderen, de meeste of allemaal uit zijn eerste huwelijk

 
van Cuijk, Graaf van Arnsberg en Burrggraaf van Utrecht Godfried I (I1244)
 
84

heer van Ter Leede en vanaf 1234 heer van Arkel (Arcelo) en het omringende land. Hij wordt op de volgende manieren genoemd; Herbaren II van der Leede (Herbertus, Harbertus; De Leide, De Leda, De Ledhe, Van der Lede) in diversen kronieken.
Hij was een zoon van Floris Herbaren van der Lede, die de heerlijkheid Lede bezat (nabij het hedendaagse Leerdam).
Nadat Jan VII van Arkel sneuvelde op 24 juni 1234 erfde hij de heerlijkheid Arkel, omdat hij uiteindelijk ook afstamde uit het huis van Arkel.
Herbaren ging zich tussen 1243 en 1253 heer van Arkel noemen en liet zijn domein Ter Leede na aan zijn jongere broer Jan. Hiermee werd Herbaren de stamvader van het huis Arkel. In 1227 wordt Herbaren geridderd (wordt genoemd onder de ‘Nobilis’), en neemt met de Utrechtse bisschop Otto van Lippe deel aan de Slag bij Ane, de slag verloopt dramatisch maar Herbaren weet te ontkomen. In 1230 krijgt hij het leengoed Heukelom toegewezen en werd hij ook genoemd als heer van Liesveld en Nieuwpoort. In 1251 is hij betrokken bij ontginningswerk in de Alblasserwaard en Krimpenerwaard om het land van Arkel uit te breiden.Herbaren huwde met Alveradis van Heusden.

 
Van Arkel van der Lede, Herbaren Florisz II (I1124)
 
85

Hendriks weduwe wordt er (thans) voor aangezien het territorium nauwelijks in haar eentje te hebben kunnen besturen, het lag voor de hand,voor het toezicht en mogelijk de formele (mede)voogdij over Albrecht, een beroep te doen op Aleide, die in die jaren het bewind over het gehele graafschap voerde en regentes was voor de jonge Floris V; Aleide had steeds nauw samengewerkt met Albrechts vader, de dan overleden Hendrik van Voorne, en er blijkt van nauwe kontakten tussen Aleide en de Voornes in de jaren rond 1260, wat de zaak aannemelijker maakt; zelfs over het op het hof te Maerlant woonachtig zijn van Aleide en Floris V wordt gespeculeerd (Fr.v.Oostrom).
Catharina is een Luxemburgse edelvrouw, ouders: Jan III, ridder, heer van Cysoing en Petegem, vermeld 1207-1240/ Maria van Bourghelles, vermeld sedert 1220, behoorde tot de zgn. pairs van Vlaanderen.

 
van Cysoing, Mabelia (I501421)
 
86

Het Huis Horne (ook gespeld als Horn of Hoorne) is een oud adellijk geslacht waarvan diverse leden van belang zijn geweest voor de geschiedenis van de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden. De naam is afkomstig van de Limburgse plaats Horn en niet, zoals soms abusievelijk wordt gedacht, van de Noord-Hollandse stad Hoorn. De beroemdste persoon die in het algemeen bekendstaat als 'Hoorne' heette in werkelijkheid Filips van Montmorency. Montmorency, die samen met Lamoraal van Egmont in 1568 te Brussel werd onthoofd, was weliswaar graaf van Horn, doch stamde niet uit het geslacht Horne.
De Hornes behoorden tot de hogere adel van de
Nederlanden. Tal van heerlijkheden hadden gedurende enige tijd heren die uit dit geslacht afkomstig waren. Het huis Horne is in de achttiende eeuw uitgestorven.
De oorsprong van de heren van Horne is niet duidelijk. Vaak wordt verondersteld dat zij verwant waren aan de
graven van Loon, maar dat is nooit aangetoond. De naam ‘Engelbert van Horne’ komt diverse malen voor in twaalfde-eeuwse oorkonden. Daarom wordt deze wel gezien als stamvader van de heren van Horne. Vanaf het begin van de dertiende eeuw wordt ‘Willem’ de meest voorkomende naam van de stamhouders. Met Willem I van Horne begint traditioneel de lijn van de heren van Horne, waaruit later de jongere takken van Horne-Houtkerke en Horne-Baucigny zijn afgesplitst. Uit de hoofdtak kwamen van 1450 tot 1540 de graven van Horne voort. 

 
van Hurne, Engelbertus (I594)
 
87

Het is bekend dat eerst onder de graven Willem I en Floris IV Holland vasteren voet in Zeeland kreeg en dan ook te begrijpen dat wij pas omstreeks dien tijd een Hollandsch leenman voor Borselen aantreffen.
Op 17 Augustus 1243 verleende de toen nog zeer jonge graaf’ Willem 11 te Leiden een privilegie aan de kooplieden van Hamburg en van Lübeck die in zijn land handel zouden komen drijven. Onder de getuigen dezer oorkonde vindt men Nicolaus de Berssalia (Oork. Holl. I no. 397).
Dertien jaren later, in 1256, was Nicolaus de Bersalia te Brussel onder de edelen, die beloofden den vrede, tusschen Vlaanderen en Holland tot stand gekomen, te zullen onderhouden (Oork. Holl. II no. 13). In 1258: was dominus Nicholaus de Bersalia miles te Middelburg getuige van een Walchersch edelman, heer Symon van Subburgh (Oork. Holl. II no. 48 en 49). Uit een nader to bespreken stuk van 1263 blijkt dat heer Nicolaus in dat jaar niet meer tot de levenden behoorde.
Wij weten volstrekt niets van zijn voorouders of geslacht; in zijn zegel, dat aan de oorkonde van 1256 bewaard is, voerde hij een dwarsbalk, terwijl het randschrift van ditzelfde zegel ons leert (iets, waarover de stukken ons in het onzekere lieten) dat hij heer van Borselen was. Zijn voornaam (Nicolaus, Claes) komt in deze tijden in Zeeland veelvuldig voor. Van hem zijn ons drie kinderen bekend:
Petrus, stamvader van den oudsten tak, Henricus, stamvader van den tak der heeren van Vere, en een dochter, waarvan wij niet meer weten, dan hetgeen omtrent haar in een hierna te noemen oorkonde van 1263 vermeldt wordt.

 
van Borselen, 1e heer van Borselen Nicolaes (I936)
 
88

Het ontgaat ons wat Pieter voor het dorpsleven heeft betekend. Hij was dus (koren)molenaar, voor die dagen een beschermd beroep met een zekere exclusiviteit, dat betekende dus een behoorlijk gewin. Zijn kinderen deden dan ook (financieel) gezien acceptabele huwelijken, meer is er niet waar te nemen omdat de oude Rechterlijke Archieven niet ter inzage beschikbaar zijn (zij bevinden zich in een zeer slechte toestand) en dat zijn toch de bronnen waaruit we moeten putten. Blijft over het Kerkarchief en daar biedt alleen het lidmatenboek uitkomst, dit vermeld over diverse jaren dat Pieter Bendervoet onder censuur stond, gelukkig niet tot het einde van zijn leven. De reden van deze censurering staat niet vermeld, zodat we daar niet over zullen gissen.
Binnen het gezin noteren we drie hoogtijdagen, n.l. de huwelijken van de kinderen.
Uiteindelijk zal er na het overlijden der ouders wel een boedelverdeling zijn gehouden.
Hierover is (nog) niets gevonden.

 
Bindervoet, Pieter (de oude) (I1547)
 
89

Hij bracht zijn jeugd door in Schotland.
Willem begeleidde zijn vader op diens kruistocht naar het Heilige Land. Daar waar zijn vader overleed, keerde Willem met roem terug.
Bij de twisten met zijn broer Dirk koos hij de zijde van de Westfriezen. Uiteindelijk werd deze ruzie bijgelegd en mocht Willem zich onder andere als graaf van Friesland manifesteren. In die hoedanigheid kwam hij in conflict met Hendrik de Kraan, heer van Kuinre, leenman van de Bisschop van Utrecht, die plundertochten ondernam in het Friese gebied. Willem trok ten strijde en vernietigde de burgt van Kuinre. Zijn broer Dirk, voogd over het bisdom, liet Willem op kasteel Horst bij Rhenen door Hendrik van Kuinre gevangen nemen. Willem ontsnapte echter en vluchtte naar Gelre. Daar verloofde hij zich met de dochter van graaf Otto I van Gelre, Aleid en in 1198 huwde hij met haar te Stavoren.
Na de dood van zijn oudere broer, graaf Dirk VII in 1203, betwistte hij het recht van opvolging van diens dochter Ada, die onmiddellijk na de dood van haar vader in het huwelijk was getreden met Lodewijk van Loon. Het gevolg was de zogenaamde "Loonse oorlog", waarbij Willem aanvankelijk de winnende partij was. Lodewijk van Loon gelukte het echter om in 1204 terug te slaan met steun van de Graaf van Vlaanderen en de Bisschoppen van Luik en Utrecht. Willem week uit naar Zeeland en van daar uit wist hij in 1205 het graafschap terug te veroveren.
In 1206 werd de vrede getekend en formeel werd het graafschap tussen Willem en Lodewijk van Loon opgedeeld. Willem kreeg Zeeland met de streek rond Geertruidenberg, Lodewijk de rest. Waarschijnlijk is echter dat Willem als Graaf van Holland gewoon door regeerde en in 1213 ontving hij het graafschap als rijksleen van de Welfische keizer Otto IV. Hierna was hij onbetwist Graaf van Holland.
Toen deze Keizer Otto IV op 27 juli 1214 in de slag bij Bouvrines verslagen werd, waarbij Willem I gevangen genomen werd, veranderde Willem van partij en sloot hij zich aan bij Keizer Frederik II.
Vervolgens nam Willem I zelfs deel aan een Franse expeditie naar Engeland tegen Jan zonder Land. Het gevolg hiervan was dat de Engelse koning het verdrag uit 1206 weer boven tafel bracht en Lodewijk van Loon als graaf van Holland erkende. Tevens bereikte hij dat Willem I door de paus in 1216 werd geëxcommuniceerd.
Mede om van deze ban ontslagen te worden, heeft Willem in 1217 aan de vijfde kruistocht deelgenomen. Op deze tocht verwierf hij veel roem, onder andere in 1217 te Portugal bij de verovering op de moren van de vesting Alcacer en in 1219 in de verovering van Damiate aan de Nijl in Egypte.
Zijn vrouw Aleid was inmiddels op 12 februari 1218 overleden en na zijn terugkeer in Holland in 1220 huwde Willem voor een tweede maal, nu met Maria van Brabant, de weduwe van keizer Otto IV. Hoewel er in het huwelijksverdrag werd bepaald dat een eventueel uit het huwelijk geboren zoon in erfrecht voor zou gaan op de kinderen uit zijn eerste huwelijk kwam het niet zo ver. Toen Willem I op 12 februari 1222 overleed was zijn tweede huwelijk nog steeds kinderloos.
In de tijd van Willem I werd de opkomst van de steden bevorderd. Hij verleende stadsrechten aan Middelburg, Dordrecht, Geertruidenberg en mogelijk ook aan Leiden. Ook werden tijdens zijn bewind een aantal belangrijke waterstaatkundige werken uitgevoerd, waaronder de bedijking van de Grote Waard en de aanleg van de Spaarndam. Hij gaf bovendien een belangrijke aanzet tot het ontstaan van de hoogheemraadschappen.

Abdij van Egmond; toegangsnummer: 356; 4. Regestenlijst:(1212-1214)
Wilhelmus, graaf van Hollandia verklaart te zamen met zijn drossaart (dapifer) Ogerus ter boetedoening aan de kerk van Egmunda de gunst gegeven te hebben, dat de lieden, die op S. Adalbertsland in Popteswolde wonen, niet meer belasting zullen betalen dan die van Delf, en in geval die van Delf vrijgesteld zijn, dat zij dan gelijkgesteld zullen zijn met de bewoners in den Vrijenban.

(1212-1214)
Wilhelmus, graaf van Holland (Hollandensis comes), verklaart besloten te hebben den dijk van Berghen tot Alcmer, welke ten tijde van zijn broeder Theodericus in overleg met vroede mannen was aangelegd maar sedertdien verwaarloosd was, te doen voltooien, waarna de landen, die in cultuur zullen komen, zijn eigendom zullen zijn; hij verklaart verder ter boetedoening aan S. Adalbertus geschonken te hebben ten gebruike van de ministri van S. Adalbert alles wat op zal komen en in gebruik zal komen tussen het Aremersweth en Wymnemersweth, terwijl hij aan S. Adalbertus overal, waar het klooster van Hecmunde in het aangrenzende gebied de tienden bezat, de tienden gegeven heeft van de nieuw-opkomende "slick" landen, wanneer deze in gebruik zullen komen.

1215 Augustus 28
Wilhelmus, graaf van Hollandia, oorkondt, dat in het geschil tussen Lub(b)ertus, abt van Ekmonda en Wilhelmus Walterust. van Ekmonda over de advocatie, over zekere rechten, door dezen - buiten diens leen - uitgeoefend binnen Aremmeresweth en Wimnemersweth, alsmede over tolinkomsten in (Egmond) en in Alcmare, na overleg van mannen (homines) van den graaf en van de abdij, met goedvinden van beide partijen overeengekomen is, dat genoemde Wilhelmus zijn rechten, door hem als leen gepretendeerd, slechts voor den duur van zijn leven en bij wijze van gunst zal hebben; dat de abt en Wilhelmus tezamen de rechtsmacht op nader beschreven wijze zullen uitoefenen; dat Wilhelmus de boeten zal ontvangen t.w. 2 denarii bij den lagen ban; 2 solidi bij den hogen ban en 2 denarii of een hoen bij schouwzaken; dat Wilhelmus geen van de ministerialen van de abdij tot diensten zal mogen verplichten en dat een nader genoemde groep van personen tot de abdij in betrekking staande niet aan het recht van genoemden Wilhelmus onderworpen zullen zijn.

1215
Lubbertus, abt in Egmunda, en convent verklaren met toestemming van heer Wilhelmus, graaf van Hollandia, meester (magister) Theodericus "physicus" van Alesmar in leen gegeven te hebben een rente van 2 hoed tarwe en 2 hoed gerst, jaarlijks uit zijn tienden te Sasnem, welke rente benevens zeker land in Alesmar, dat Theodericus in leen bezit, aan zijn vrouw Ermengardis als lijftocht zal komen, terwijl het leen na haar dood bij ontbreken van zoons op een dochter zal overgaan; de rente zal vóór S. Andreas uit de graanschuur te Sasnem of door de pachters (pactionarii) door heer Wilhelmus de Theylinghe of zijn opvolgers jaarlijks uitgereikt worden.
Afschrift (Inv.no. 3, fol. 8).

 
van Gelre, Graaf van Gelre en Zutphen, Graaf van Holland; graaf van Oostergo, Westergo en Stavoren. Otto 'de grote' I (I414)
 
90

Hij treedt op 20-2-1203 op als getuige voor de (vorige) heer van Voorne; wordt heer van Voorne door het kinderloos overlijden van oudere broer Hugo; (zie bij broer Hugo i.z. verdeling van erfgoederen); in 1220 staat zijn land door overstromingen onder water, hij wordt te hulp gekomen door monniken van Ter Doest (Vlaanderen), die de dijken herstelden en de landerijen weer droog legden. Als dank voor deze hulp schenkt hij de abt o.a. de polder Middelland, in de oorkonde (1220) die hiervan getuigt, vermeldt Dirk: 'een oud spreekwoord zegt dat men in nood zijn ware vrienden leert kennen'.
Toen zoon Hendrik van Voorne in 1229 als heer van Voorne in het daglicht trad had hij nog maar één handelingsbekwame broer Hugo. Hun jongere broers Dirk en Albert worden in die oorkonde niet genoemd. Zij zijn derhalve nog te beschouwen als minderjarig, dus jonger dan 12 jaar. Dirk en Albert van moeten derhalve in of na 1217 zijn geboren.
Dirk van Voorne overleed op 31 december 1228. Achteraf blijkt dat hij voor zijn dood had beschikt dat zijn tweede zoon een deel van de heerlijkheid zou ontvangen, vermeerderd met een rente van 30 mark jaarlijks uit de bede van Walcheren, wanneer de heerlijkheid niet genoeg mocht opbrengen. Deze bepaling kan pas inwerking zijn getreden met het overlijden van Dirk van Voorne. In 1229 zien we Hugo als getuige in een oorkonde van zijn broer zodat hij in 1229 minstens 14 was, een leeftijd die hij hoogstwaarschijnlijk al had bereikt op 31 december 1228. Hugos jongere broers Dirk en Albert van Voorne zijn dus in of na 1215 zijn geboren.
Dirk van Voorne was de opvolger van zijn broer Hugo. In 1198 komen beiden voor het eerst voor in een grafelijke oorkonde. De broers hadden bovendien nog een jongere broer Bartholomeus die vanaf 1199 bekend is. Oudste broer Hugo vertegenwoordigde in 1198 het geslacht Voorne. Als heer van Voorne en leenman van de graaf zal hij dan minstens 18 jaar zijn geweest. Hij moet dan ook minstens uit 1180 datereren. Voor zijn broers was het voldoende dat ze civielrechtelijk gezien meerderjarig waren om als getuige te mogen fungeren. Ze zullen dan minstens twaalf jaar zijn geweest (in Brabant was dat 14 jaar). Jongste broer Bartholomeus zal derhalve in 1199 minimaal twaalf zijn geweest en uiterlijk in 1187 zijn geboren. Van broer Dirk weten we dat hij rond 1205 zal zijn gehuwd. Als jongere broer had hij niet de primaire taak om de stamlijn van het geslacht voort te zetten. Vveronderstel wordt dan ook dat hij bij zijn huwelijk gewoon meerderjarig en zo rond de 25 jaar zal zijn geweest. Dit plaatst zijn geboortejaar op ca. 1180. Zijn broer Hugo zal daarom ook iets ouder zijn geweest. Hun vader Dirk van Voorne wordt geacht met een dochter van Udalrich van Naaldwijk te zijn gehuwd. We mogen uit vernoemingsoogpunt dan ook verwachten dat er tussen Hugo en Dirk een vroegoverleden broer met deze naam zal zijn geboren. Met een kleine marge is te schatten dat vader Dirk van Voorne rond 1175 huwde met een qua voornaam onbekend gebleven erfdochter van Udalrich van Naalwijk.

 
van Voorne, Dirk II (I928)
 
91

Hij was boonman in 1666, commissaris van de kleine zaken in 1671, weeshuisvoogd 1672, schepen 1674, vroedschap 1676, weesmeester 1676, president-schepen 1677, burgemeester 1679, 1684, 1687, 1690, 1692, presideerend-burgemeester 1680, 1685, 1688, kerken armenvoogd 1681, 1686, 1689, 1691, raad ter admiraliteit 1683, ontvanger der gemeenelands middelen en bewindhebber der O.I. Compagnie 1691 enz. Als lid van de regeering van Hoorn en lid der Staten van Holland behoorde hij in 1686 tot de Commissie, die zooveel doenlijk nauwkeurig en in persoon moest gaan opnemen en berichten inwinnen betreffende de gesteldheid der oorlogsbodems, behoorende tot de Admiraliteiten van de Maas, Amsterdam en het Noorderkwartier en in het bijzonder betreffende hun grootte, bewapening enz

 
Velius, Timon (I5369)
 
92

Hij was een zoon van Reinier III van Henegouwen en Adela van Leuven. Samen met zijn broer Reinier zou hij door aartsbisschop Bruno de Grote verbannen zijn geweest. Na de dood van keizer Otto I keerden ze terug om het kasteel van “Bussud”  te belegeren, maar werden verslagen en opnieuw verbannen door keizer Otto II. In 973 zouden beide broers zijn teruggekeerd om Werner en Reinout, die hun vaders land in bezit hadden genomen, te bestrijden en te doden. In 976 deden Reinier en Lambert een tweede poging om hun bezittingen te heroveren. Ze werden op 19 april 976 verslagen bij Bergen maar kregen toen wel hun graafschappen van de koning terug. Lambert werd graaf van Leuven. Ook uit een andere bron weten we dat in 977 de zonen van Reinier III terug waren in hun vaderland.
In 1003 wordt Lambert voor het eerst vermeld als graaf van Leuven, ter gelegenheid van zijn aanduiding als voogd over de abdij van Nijvel. Hij verwierf ook de voogdij over de abdij van Gembloers. Door dit voogdijschap moest hij instaan voor de bescherming van de abdijen, maar anderzijds verkreeg hij ook de territoriale controle over de uitgestrekte abdijdomeinen. In 1007 wordt vermeld dat graaf Lambert terug in de gratie is gekomen bij keizer Hendrik II.
 Door Lamberts huwelijk met Gerberga, dochter van hertog Karel van Lotharingen, kwam hij in het bezit van het graafschap Brussel.  De toewijzing van het hertogdom Lotharingen aan Godfried I van Verdun bracht Lambert openlijk met de graven van de Ardennen in conflict. Dit gaf aanleiding tot de Slag bij Florennes (1015), waar Lambert I sneuvelde.

Uit zijn huwelijk met Gerberga van Neder-Lotharingen ontsproten vier kinderen

 
van Leuven, Lambert (I1394)
 
93

Hildegard werd reeds als kleuter verloofd en trouwde op twaalfjarige leeftijd. Hiermee ijverde Arnulf naar meer zeggingschap in Holland wat paste in zijn expansiepolitiek. Anderzijds bracht Hildegard Karolingisch bloed in de dynastie van Holland, en kreeg Holland nauwere contacten met het Graafschap Vlaanderen.

 
van Vlaanderen, Hildegard (I381)
 
94

Hoewel zijn ouders pas in 1603 huwden is aan te nemen dat Aert Ariensz eerder geboren is gezien hij al in 1623 vermeld word als laagheemraad van de polder Dirk Smeetland en Mr. Arend van der Woudensland Op 21-08-1646 krijgt Aert Ariënsz. Hacke een volmacht om een proces te voeren.Cornelis Cornelisz Keyser, man van Neeltgen Dierten, Wouter Pietersz Besteman, man van Trijntgen Dierten, Robbrecht Aertsz, man van Ariaentgen Dierten, Pieter Dierten den oude, allen namens Cornelis Meulenaer, man van Maritgen Dierten, Adriaen Dierten, Pieter Ingensz, man van Maritgen Dierten de jonge, Leytgen Dierten, jongedochter, allen kinderen en erfgenamen van Diert of Diere Allersz en Niesgen Engelen, overleden in West-IJsselmonde, machtigen Aert Ariensz Hacke, schout van West-IJsselmonde, om voor hen in hoger beroep voor het hof van Holland een proces te voeren tegen Pietertgen Pietersdr, weduwe van Pleun Pleunen Verschoor, dijkgraaf van West-IJsselmonde. Na de dood van zijn vader trad zoon Aert in zijn voetsporen, zowel in diverse belangrijke functies in West-IJsselmonde (schout, hoogheemraad, dijkgraaf), als ook in de woning met toebehoren en land die hij van zijn moeder overnam.

 
Hacke, Aert Adriaensz (I3685)
 
95

Hugo III van Voorne (geboren ca. 1100 – na 1168), Heer van Voorne. Hugo komt als getuige voor in twee oorkonden van bisschop Burchard van Lechsgemünd van Utrecht. In het eerste onder de “principes” dat wil zeggen edelen en vrijen, in het tweede onder de “laycos liberos”, dat zijn de vrije leken. In tegenstelling met de geestelijke heren en met de dienstlieden (servientes) die mede onder de getuigen voorkomen). Hugo was waarschijnlijk Heer van Voorne en leenman van de bisschop.
Hij was getrouwd met Hadewich (ca. 1110 – na 1157), een buitenechtelijk kind van Floris II van Holland.

 
van Voorne, Hugo III (I633)
 
96

Iulia Caesaris (104 v.Chr.-na 39 v.Chr.) of Iulia Antonia (gebruikt in de bronnen om haar te onderscheiden van de andere Iuliae Caesares) was een dochter van consul Lucius Iulius Caesar en een zus van de consul in 64 v.Chr. Lucius Iulius Caesar IV. Wie haar moeder was is onbekend. Ze werd geboren in Rome, waar ze ook haar kinderjaren zou doorbrengen. Ze was een verre verwante van de Julius Caesar.

Iulia trouwde met Marcus Antonius Creticus, een man afkomstig uit een senatorengeslacht. Hun zonen waren Marcus Antonius (de later triumvir), Gaius Antonius en Lucius Antonius. Door haar familiebanden werden haar zonen in hun politieke carrière van door Julius Caesar gesteund. Nadat Iulia’s eerste echtgenoot in 74 v.Chr. was overleden, hertrouwde ze met Publius Cornelius Lentulus Sura, een politicus, die in 63 v.Chr. was betrokken in de Catilinarische samenzwering en werd geëxecuteerd op bevel van consul Marcus Tullius Cicero. Haar tweede echtgenoot zou haar zonen hebben gecorrumpeerd, waarvan haar oudste, Marcus Antonius, het minst geliefd was bij zijn moeder.[1] Toch wist Iulia uit haar huwelijken ook voordeel te halen voor haar zonen.

Toen haar zoon Decimus Iunius Brutus Albinus belegerde in Mutina (43 v.Chr.), zorgde zij ervoor dat diens familie hier niet het slachtoffer van werd.[2]

Plutarchus omschrijft haar als een van de « meest edel geboren en bewonderde vrouw van haar tijd ».[3] En Cicero noemde haar een femina lectissima (« meest voortreffelijke vrouw »)

 
Antonia, Iulia (I3612)
 
97

Jan III was rond 1280 getrouwd met de erfdochter Sophie van der Goude († 1299). Ze hadden een dochter, Margriet, die op grond van een grafelijk privilege van 24 maart 1297 de stad Gouda van haar moeder kon erven. Niet voor lang, want in 1308 werd Gouda met enkele bijbehorende bezittingen toebedeeld aan Jan van Beaumont, de jongere broer van graaf Willem III uit het Henegouwse huis van de Avesnes.

Na 1290 trad Jan III nog met zijn vader op. In een oorkonde van 7 mei 1293 werd hij naast zijn vader genoemd onder de borgen van een verdrag tussen Floris V en de Utrechtse bisschop Jan van Sierck en op 28 augustus 1293 waren vader en zoon Van Renesse getuige bij de regeling van de Voornse erfenis door graaf Floris. Rond die tijd overleed Jan II en Jan III volgde hem in zijn Zeeuwse bezittingen op. Hij trad voortaan zelfstandig op.

In het voorjaar van 1295 woedde de strijd weer tussen Holland en Vlaanderen, nadat Floris V bij de Roomse koning Adolf van Nassau herroeping had verkregen van het vernederende verdrag dat hij in Biervliet verplicht was geweest te ondertekenen. Vanuit Vlissingen trok Jan III van Renesse naar Sluis en zette deze voorhaven van Brugge in brand. Er volgde een wapenstilstand, maar die was van korte duur. In het najaar herbegon de strijd. De Vlamingen werden op Borssele verslagen door een Hollandse krijgsmacht, die volgens sommige auteurs door de vrome ridder Jan III van Renesse werd aangevoerd.

Toen in de winter van 1295-1296 graaf Floris V een politieke ommezwaai maakte en zijn bondgenootschap met koning Eduard I van Engeland ruilde voor een met de koning Filips IV van Frankrijk, was dit niet tot ieders tevredenheid. Verschillende edelen hielden het bij het bondgenootschap met de Engelse koning en organiseerden een samenzwering om Floris gevangen te nemen en te vervangen door zijn jonge zoon Jan, die verloofd was met de Engelse prinses Elisabeth en die in Engeland werd opgevoed. In juni 1296 werd het plan uitgevoerd, maar korte tijd daarop werd Floris onverhoeds gedood toen enkele Gooiers hem wilden bevrijden. In het najaar 1296 trad de nieuwe en jonge graaf Jan I van Holland in het huwelijk en stak een delegatie van Hollandse ridders en burgers over naar Engeland, om de plechtigheid bij te wonen. Jan III van Renesse was een van hen. Bij de terugkeer en zeker tot halverwege 1297 was hij de voornaamste raadgever van de jonge graaf. Op 27 maart 1297 voerde hij de troepen van de graaf aan en in de strijd met diens opponenten onderscheidde hij zich op het slagveld bij Vronen, ten noorden van Alkmaar. Deze militaire actie vestigde zijn faam als krijgsman. De beloning volgde: hij werd benoemd tot baljuw van Dordrecht en de wijde omgeving. In 1991 vond men tijdens archeologische opgravingen in Sint Pancras, skeletten van gesneuvelden, van zowel mannen als vrouwen, waaruit bleek dat tijdens deze slag ernstige oorlogsmisdaden werden begaan. Grotendeels alle weerbare mannen van Westfriesland, van alle vier ambachten werden afgeslacht. Het dorp Vronen ging in vlammen op en verdween daarmee voorgoed van de kaart, er mocht niet meer op gewoond worden.

Zijn bevoorrechte positie naast de graaf bleef niet duren. Onder de raadslieden van Jan I trad Wolfert I van Borselen op de voorgrond en zijn invloed nam toe. Er woedde weldra een gevecht voor de eerste plaats tussen Renesse en Borsele. Wolfert zorgde ervoor dat aan Renesse taken werden opgedragen die hem ver van de graaf bezighielden. Hij maakte aan de jonge graaf wijs dat Renesse hem wilde gevangennemen en afzetten. Hij bracht de graaf naar Veere en deed Renesse oproepen om er zich te komen verantwoorden. Die ging daar niet op in en werd dan maar verbannen, terwijl zijn slot in Moermond werd verwoest. Tegen einde oktober 1297 was de breuk volledig. In de twee volgende jaren bleef Wolfert de plak zwaaien en was Holland onveilig voor Jan III van Renesse. Hij trok dan maar naar Vlaanderen om er zijn diensten aan te bieden en meteen contacten te realiseren met de Engelse koning. Op 1 augustus 1299 werd Wolfert van Borssele in Delft gelyncht door een volksmenigte, naar aanleiding van een conflict dat hij had met de poorters van Dordrecht. Jan III ondernam onmiddellijk een poging om naar het graafschap terug te keren. Kort daarop overleed de jonge graaf en volgde zijn oom van Avesnes als Jan II hem in Holland op. Met hem was een overeenkomst voor Renesse onmogelijk.

Jan III van Renesse keerde dan ook naar Vlaanderen terug en stelde zich in dienst van graaf Gwijde van Dampierre, de vijand van de Avesnes. Renesse hernam de strijd in Zeeland, met wisselende kansen. Jan II van Avesnes haalde de bovenhand, verbande hem en verdeelde zijn goederen onder Avesnesgetrouwen.

Op 1 januari 1301 werd slag geleverd bij Lodyke door de opstandige Zeeuwen onder leiding van Jan III van Renesse en Floris van Borsele, maar Jan zonder Genade, de zoon van graaf Jan II van Namen, versloeg ze. Renesse trok weer naar Vlaanderen. Op 11 juli 1302 nam hij aan Vlaamse zijde deel aan de Guldensporenslag bij Kortrijk.[3] De Vlaamse overwinning werd vrij algemeen mede toegeschreven aan de manier waarop Renesse tactische leiding gaf.

Vanaf 1303 was hij weer gewikkeld in de gevechten die de Vlamingen gingen leveren tegen de Avesnes op hun noordelijke gebieden. In april en mei vielen de Vlamingen Zeeland binnen en bezetten Middelburg.[3] Daarna kwam men weer een wapenstilstand overeen. Maar in maart 1304 begonnen de vijandelijkheden opnieuw. De Vlamingen behaalden een overwinning op het eiland Duiveland.[3] Daarbij namen ze Gwijde van Avesnes, broer van graaf Jan II en sinds 1301 bisschop van Utrecht, gevangen.[3] Door eigentijdse kroniekschrijvers werd Jan van Renesse aangeduid als de opstoker voor de Vlaamse agressie.[3] Bij het verdere oprukken tot diep in Holland werd Renesse opnieuw als hoofdrolspeler vernoemd.[3] Hij maakte deel uit van het gevolg van graaf Gwijde van Namen en installeerde zich in de bisschopsstad Utrecht als diens zaakwaarnemer. Vanaf april 1304 keerden de krijgskansen: Witte van Haamstede, bastaardzoon van Floris V, landde aan de kust bij Zandvoort en realiseerde een Hollands reveil. De Vlaamse troepen werden uit Gouda en elders verdreven en Gwijde van Namen nam de wijk uit Utrecht. Op 10 augustus kwam het tot een zeeslag bij Zierikzee op de Gouwe, waarbij de Vlamingen de strijd verloren.

Jan III van Renesse en enkele anderen verlieten heimelijk Utrecht. Ze wilden een overtocht doen over de Lek bij Beusichem. De boot die ze namen was overbeladen en kapseisde, waarbij Jan III en zijn gezellen verdronken. Zijn goederen, waaronder Renesse en Brouwershaven, werden verbeurdverklaard en vielen toe aan Witte van Haamstede, die de resterende Vlaamse legers uit Holland verdreef. Jan III stierf derhalve met de reputatie ontrouw te zijn geweest aan zijn heer.

 
van Renesse, Jan III (I638)
 
98

Jan Sibrantsz  vermoedelijk woonachtig in Oversloot bij Jaarsveld De 7 generaties voor Bernard Jansz (stamvader van de Meerkerkse Burggraaf´en) zijn geconstrueerd aan de hand van de leenhoven van de heren van Vianen waarvan repertoria zijn gepubliceerd in Ons Voorgeslacht en de legger van de bezittingen van de kerkfabriek van Ameide en de armen, tevens legger van memorierenten (1481-1599) (door B.J. van Es in Ons Voorgeslacht 1993 pag 81/103). Oversloot ligt onder Jaarsveld aan de Lek. Vanaf 1407 treffen we zoon Jan Jansz van Oversloot aan in Ameide waar vervolgens in 150 jaar vermoedelijk 5 generaties blijven wonen. In 1569 woont Johan Jan Berntsz in het nabij gelegen Tienhoven. Zijn zoon Bernard Jansz woont vermoedelijk vanaf 1585 in Meerkerk op de Burggraaf

In de Alblasserwaard, halverwege het oude Zederikkanaal, dat loopt van Ameide tot Gorinchem, tegenover de buurtschap Bazeldijk aan de weg van Nieuwland naar Noordeloos lag een kleine groep boerderijen en huizen genaamd "de Burggraaf". De stichting ervan heeft mogelijk te maken met de familie De Borchgrave. Deze familie is zwaar gedupeerd geweest met de Sint Elisabethsvloed en het verloren gaan van de Hollandsche Waard in 1421. Het wapen van die familie laat twee zalmen zien die ruggelings omhoog zwemmen. Meermalen wordt men vernoemd naar de plaats van afkomst als 'van de Burggraaf' of 'in Burggraaf'

 
van Oversloot, Jan Sibrantsz (I3226)
 
99

Kleinzoon van Clothaire I en zoon van Chilpéric I; hij was koning van Neustrie (584-629) en van Austrasie (613-629), uiteindelijk was Clothaire II enig koning over het Frankische rijk. Zijn zoon Dagobert I regeerde vanaf 623 over Austrasie.

Chlotarius II wordt in 584 geboren als zoon van Chilperik I, koning van Neustrië, en Fredegonde. Als Chlotarius geboren wordt, is zijn vader al enkele maanden dood. Door messteken om het leven gebracht. Algemeen wordt aangenomen dat Chlotarius' moeder, Fredegonde, de hand heeft gehad in deze moord. Fredegonde zorgt ervoor dat haar pasgeboren zoon tot opvolger van Chilperik I wordt benoemd. Ze regeert, zolang hij minderjarig is, uit zijn naam. Fredegonde beschermt het rijk van Chlotarius tegen invallen van de Austrasische koning Childebert II. Fredegonde laat diverse aanslagen plegen op het leven van Childebert II, echter zonder resultaat. Ze verslaat hem uiteindelijk in 593 bij Soissons.

Childebert II wordt in 595 door de Austrasische adel, die zijn bewind beu is, vergiftigd. Daarmee zijn de problemen voor Fredegonde en Chlotarius echter niet opgelost. Childebert wordt opgevolgd door zijn twee zonen, Theodebert en Theodorik, die hun gezamenlijke macht inzetten tegen Neustrië. In 596 overlijdt Fredegonde op de leeftijd van 53 jaar. Vanaf dat moment staat Chlotarius (pas 12 jaar oud) er alleen voor. Zijn nieuw-verworven zelfstandigheid brengt hem weinig goeds. In 604 wordt hij door de broers Theodebert en Theodorik verslagen waarbij hij vrijwel zijn gehele territorium verliest.

Na hun overwinning op Chlotarius II, raken de broers Theodebert en Theodorik onderling slaags. Theodorik zoekt daarbij de steun van Chlotarius wat resulteert in de dood van Theodebert in 612. Chlotarius II eist in ruil voor zijn hulp gebieden op die Theodorik hem weigert te geven. Een jaar later, in 613, overlijdt ook Theodorik. Brunhilde, de grootmoeder van Theodorik, probeert om Sigebert II (de zoon van Theodorik) op de troon te krijgen. Sigebert is een jong kind en in de praktijk zou Brunhilde uit zijn naam regeren. De Austrasische adel, onder leiding van Pippijn van Landen, ziet dit niet zitten. Ze vragen Chlotarius II daarom om de macht over te nemen. Chlotarius laat Brunhilde en de zonen van Theodorik II gevangen nemen en vermoorden. Brunhilde, inmiddels hoogbejaard, sterft een gruwelijke dood. Gedurende drie dagen wordt ze gemarteld en op een kameel aan het hoofd van de troepen rondgereden, waarna ze met een arm en een been wordt vastgebonden aan de staart van een wild paard om zo rondgesleeptte worden over de ruwe wegen tot de dood erop volgt.

Chlotarius II is nu de heerser over het gehele Frankische rijk. Hij moet echter veel concessies doen aan de Austrasische edelen, die hem aan de macht hebben geholpen. In 614 sluit hij een verdrag met hen af waarbij onder meer wordt overeengekomen dat de drie delen van het Frankische rijk, Austrasië, Neustrië en Bourgondië, elk een eigen regering zullen krijgen onder leiding van zogenaamde 'hofmeijers' (een erfelijk ambt, vergelijkbaar met de positie van een eerste minister). Formeel zijn de Merovingers nog steeds koning, maar hun macht is gebroken en een nieuwe periode in de West Europese geschiedenis breekt aan.

Hoewel Chlotarius ook wel "de Grote" wordt genoemd, was hij een zwakke koning. De moord op Brunhilde en de zonen van Theodorik was nodeloos wreed: geen daad van sterkte maar van zwakte. Gedurende zijn regering werd het land bovendien in feite gerund door Pippijn van Landen die de functie van hofmeijer bekleedde. Chlotarius II sterft in 629 en wordt opgevolgd door zijn zonen Dagobert I en Charibert II.

 
Der Franken, Chlotarius "de grote" II (I1016)
 
100

Lambert Jacobsz (Amsterdam ca 1598 - Leeuwarden 27 juni 1636) was een Nederlands kunstschilder van historiestukken, voorganger bij de doopsgezinden in Leeuwarden, ondernemer en kunsthandelaar. Hij was de zoon van een lakenkoper op de Nieuwendijk en de vader van de in Leiden werkzame schilder Abraham van den Tempel. Hij wordt vermeld als leerling van Peter Paul Rubens in een catalogus van Hoet, 1752, maar de precieze periode van zijn eventuele werkzaamheid in het Rubensatelier is niet bekend. Hij behoorde tot de voor-Rembrandtse schildersgroep (oa. Pieter Lastman, Jan Pynas en Claes Cornelisz.). Op 28-7-1620 trouwde hij met Aecht Anthonisdochter. Ter gelegenheid van dat huwelijk maakte Vondel een gedicht. In 1621 verhuisde Lambert Jacobsz naar Leeuwarden. Hij werd de leermeester van Jacob Backer en Govert Flinck. Jacobsz hertrouwde met een dochter van de Hoornse geschiedschrijver Theodorus Velius.
De Friese schilder Lambert Jacobsz (1598-1636) wordt geschaard onder de zogenoemde pre-Rembrandtisten. Deze kunstenaars schilderden doorgaans kleurige historiestukken met ongewone thema
’s. Museum Catharijneconvent heeft een schilderij van Lambert Jacobsz gekregen. "Jozef door zijn broers verkocht", uit 1629, werd geschonken door de adellijke familie De Wijkerslooth de Weerdesteijn.
Jacobsz was ook werkzaam als voorganger. Als doopsgezinde uit een geslacht van Waterlanders fungeerde hij als 'vermaner' (lekenpreker) voor zijn gemeente in Friesland. Hij stond bekend om zijn sobere leven en goede preken. Begin jaren 1630 was hij een van de initiatiefnemers voor de bouw van een nieuwe vermaning aan de Wirdumerdijk te Leeuwarden. Zijn vriend Jacob Hendricks (vader van Jan Jacobs Popta) tekende in zijn familiebijbel aan: "Anno 1631 den 7 Augusti heeft Lammert Jacobszoen de eerste predicatie gedaen in onse nieuwe vermaenhuys."
Hij werkte te Leeuwarden van 1620 tot 1637.

 
Jacobsz, Lambert (I5240)
 

      «Prev 1 2 3 4 5 6 ... 21» Next»