Notes


Matches 201 to 250 of 1,095

      «Prev 1 2 3 4 5 6 7 8 9 ... 22» Next»

 #   Notes   Linked to 
201

Jan Jansz. van Driel was heemraad (1408) van Gherit Hendricxz. Ambacht (later Adriaen Pieters Ambacht of Sandelingenambacht genoemd). In de reeks Zuid-Hollandse domeinrekeningen (1383-1386) van rentmeester Goedscalc van Brakel zijn de kopers van korentienden van Zwijndrecht met name genoemd. In drie rekeningen wordt wordt "jonge" Jan Jansz. van Driel vermeld als koper van korentienden in de Zwijndrechtse Waard (jaren 1383, 1384 en 1385).

 
van Driel, Jan (Jan Jansz) (I500993)
 
202

Jan VI huwde met Margaretha van Nyvelle, een dochter van Boudewijn van Nyvelle, bij wie hij een opvolger verwekte. Hij ging in 1180 mee met Floris III van Holland op pelgrimstocht naar het Heilige land. Hij ging in het contingent van Willem I van Holland mee op de Vijfde Kruistocht, zijn zoon Jan VII zou hieraan ook deelgenomen hebben. Na het Beleg van Damiate (1215) verkregen de heren van Arkel uit dank voor hun deelname een symbolisch wapen, waar voortaan het huis Arkel aan verbonden zou zijn. In 1227 nam Jan deel aan de Slag bij Ane samen met zijn neef Herbaren II van Lede. Jan sneuvelde in de confrontatie met de noorderlingen.

 
van Arkel, Jan VI (I7693)
 
203

Jan was de oudste zoon van Burchard van Avesnes en Margaretha van Vlaanderen. Dit huwelijk werd echter onder politieke druk onwettig verklaard en ontbonden. Zijn moeder hertrouwde met Willem II van Dampierre en erfde in 1244 de graafschappen Vlaanderen en Henegouwen. Zij benoemde de kinderen uit haar tweede huwelijk tot haar erfgenamen.

Jan en zijn broer Boudewijn begonnen een politieke campagne om hun aanspraken te doen gelden. In 1243 verkregen zij een beslissing van keizer Frederik II van Hohenstaufen dat zij wettige kinderen van hun ouders waren. Jan kwam in 1244 in opstand tegen zijn moeder en koning Lodewijk IX van Frankrijk wierp zich in 1246 op als arbiter. Ook hij erkende de wettigheid van Jan en Boudewijn, en hij besliste dat Margaretha's oudste zoon uit haar eerste huwelijk Henegouwen zou erven, en de oudste zoon uit het tweede huwelijk Vlaanderen zou erven. Lodewijk bereikte daarmee op zijn beurt dat het grote Vlaams-Henegouwse machtsblok aan zijn noordgrens werd versplinterd. Margaretha reageerde door het bestuur van Vlaanderen over te dragen aan haar zoon Willem II van Vlaanderen, maar ze hield wel het bestuur over Henegouwen.

Jan begreep dat het conflict met zijn moeder nog niet voorbij was en vond nog in 1246 een krachtige bondgenoot in graaf Willem II van Holland en trouwde op 9 oktober 1246 met diens zuster Aleid van Holland. Toen Willem in 1248 tot Duits tegenkoning was gekozen, bevestigde hij Jan als heer van Henegouwen en Rijks-Vlaanderen. In datzelfde jaar 1248 vertrok Lodewijk IX om deel te nemen aan de kruistocht en Jan besloot om zijn moeder aan te vallen. In 1250 werd zijn wettige status bovendien erkend door de paus. In 1251 lukte het Jan om zijn halfbroer Willem II van Vlaanderen te laten vermoorden tijdens een toernooi. Hij werd opgevolgd door zijn broer Gwijde van Dampierre. Nadat een aanval van Vlaanderen op Holland was mislukt (Slag bij Westkapelle, 4 juli 1253) was de Vlaamse macht gebroken. Margaretha besefte dat ze Henegouwen moest opgeven en in een laatste poging om Jan dwars te zitten schonk ze het graafschap aan Karel van Anjou, broer van de Franse koning. Karel probeerde Henegouwen te bezetten maar werd bij Valenciennes verslagen en kon ternauwernood ontsnappen. In 1254 keerde Lodewijk IX terug naar Frankrijk. Hij bevestigde zijn eerdere arbitrage en beval zijn broer om Henegouwen met rust te laten.

Zonder verder tastbaar resultaat overleed Jan in 1257, nog voor zijn moeder. Hij is begraven in Valenciennes.

 
van Avesnes, Jan I (I470)
 
204

Jan woonde en werkte op kasteel Wallsteijn in Schijf (gem Rucphen) en was daar stalmeester en wanneer de Freule of iemand van de gasten met het "Gerei" weg moest dan mende hij de paarden.

 
Voeten, Johannes (I7601)
 
205

Jan wordt genoemd bij de doop van Beerent Philips Barents te Meerkerk op 30 April 1626 als broer van Philips Berentsz van den Burggraef. Jan is overleden voor 8-5-1638. Dan wordt het leen van zijn vader aan de oude Zijdwinde overgedragen aan zijn zuster Prijske Bernardsd (Bernts). Er is eveneens een vermelding in 1658 (?) waarbij voordien Bernard Jansz en daarna Jan Bernardsz genoemd worden als buren.

 
Berents, Jan (I3247)
 
206

koopman en meester pannen- estrikbakker te Oegstgeest 1686, woonde aan de Haagse Schouw te Voorschoten en Valkenburg 1669, 1688, schepen van Voorschoten 1693, baljuw en schout van de vrije heerlijkheid Valkenburg 1693-1696, gaarmeester van de verponding en morgengelden van Valkenburg 1693-1695, ouderling van Valkenburg 1690-1692, eigenaar van twee pannenbakkerijen te Valkenburg en te Voorschoten.

 
Vlasveld, Gerrit Jansz (I501230)
 
207

laatste telg uit de eerste generatie van het huis Arkel. Hij was een zoon van Jan VI van Arkel en Margretha van Nyvelle. Jan VII huwde met Maria van Vernenburg, een kleinkind van graaf Otto I van Bentheim. Jan VII zou met zijn vader deel hebben genomen aan de Vijfde Kruistocht, en na het gevecht op Egyptische grond het symbolische stamwapen hebben verkregen waar het huis van Arkel aan verbonden werd. Jan VII trok als trouw vazal van Floris IV van Holland mee op tegen de Stadingers, een groepering die zich tegen de bisschop van Münster hadden gekeerd. Tijdens een veldslag nabij de rivier de Wezer sneuvelde van Arkel op 24 juni 1234. Jan VII overleed zonder enig rechtmatig nageslacht, waardoor de heerlijkheid Arkel werd geërfd door het huis van der Lede. Herbaren II van Lede betrok het landgoed en liet de heerlijkheid van der Lede aan zijn broer.

 
van Arkel, Jan VII (I7695)
 
208

Lancelot van Brederode († Schoten, 20 juli 1573) was een geuzenleider. Hij was viceadmiraal bij de geuzen en kapitein in het leger van Lodewijk van Nassau.

Lancelot was een bastaardzoon van Reinoud III van Brederode, die hem verwekte bij Anna Simonsdochter. Zijn geboortejaar is onbekend. Hij leidde als kapitein het verzet tegen de Spaanse troepen tijdens het beleg van Haarlem. Na de verovering van Haarlem door de Spanjaarden werd Lancelot van Brederode onthoofd, waarna het kasteel van Brederode door hen werd verwoest.

Lancelot van Brederode was de halfbroer van de ""Grote Geus"" Hendrik van Brederode, de eerste leider van de gewapende opstand tegen de Spanjaarden bij de Slag bij Oosterweel uit 1567 en vader van Reinoud van Brederode, de latere schoonzoon van Johan van Oldenbarnevelt, die zelfs zou hebben geweten van de aanslag op prins Maurits in 1623.

Lancelot van Brederode - 'Eén van de schoonste verzetsstrijders'

 
van Brederode, Lancelot (I503924)
 
209

later gedoopt als Robert, was een Vikingkrijgsheer. Mogelijk dient hij vereenzelvigd te worden met Hrolf Ganger (Oudnoords voor Hrolf de Wandelaar). Hij zou zo genoemd zijn omdat hij een grote en zware man was en geen toenmalig paard sterk genoeg was[1] om hem te dragen en hij dus altijd moest lopen. In ieder geval is Rollo een Latijnse of Franse versie van de naam Hrolf. Na de dood van zijn vader moest hij vluchten uit Noorwegen. Hij is eerst naar familie op de Orkney-eilanden getrokken, en daarna naar familie op de Hebriden. In deze tijd is hij met een onbekende Keltische vrouw getrouwd. Uiteindelijk vestigde hij zich in Deens Engeland (Danelaw). Van daaruit gaf hij leiding aan een gezamenlijk Deens-Noors-Engelse plundertocht in Groter-Friesland en langs de benedenloop van de Rijn.

In 885 was hij een van de aanvoerders van de Vikingen tijdens het beleg van Parijs. Nadat het beleg was opgeheven leidde hij een plundertocht door Bourgondië.

In 896 doodde hij graaf Berengar van Bayeux (markgraaf van Neustrië), die eerdere Vikingaanvallen had afgeslagen, en nam zijn dochter Poppa tot vrouw.

In 911 werd Rollo tijdens een nieuwe rooftocht verslagen bij Chartres. Koning Karel de Eenvoudige besloot echter zaken met Rollo te doen en gaf hem met het Verdrag van Saint-Clair-sur-Epte het gebied rond de Seine-monding in leen, met Rouen als hoofdstad. Rollo nam daarmee de verplichting op zich om de rivier (en dus de stad Parijs) te verdedigen tegen andere Vikingen. Rollo liet zich dopen, scheidde van Poppa en trouwde met Gisela - een dochter van Karel. Volgens de overlevering was er een groot protocollair probleem: om leenman te worden moest Rollo knielen voor de koning en zijn voet kussen maar hij weigerde dat te doen. Bij wijze van compromis zou een van zijn ondergeschikten dat doen, maar die wilde ook niet knielen maar bukte, pakte de voet van de koning en tilde die zover op dat de koning zijn evenwicht verloor en achterover viel. Rollo trouwde in 919 weer met Poppa nadat Gisela was overleden.

Rollo heeft zich goed aan de afspraak gehouden om de Seine tegen andere Vikingen te verdedigen. Maar wel bleef hij zelf oorlog voeren en plundertochten houden in de rest van West-Francië. Hij breidde zijn macht uit tot de rivier de Vire maar bracht na verloop van tijd wel rust in zijn eigen graafschap. Daardoor konden de kloosterlingen van Rouen terugkeren naar hun kloosters, met hun relieken en kostbaarheden.

In 923 hield Rollo nog een plundertocht, samen met de Vikingen die zich aan de Loire hadden gevestigd. Koning Rudolf, Herbert II van Vermandois en Hugo de Grote, probeerden hem te onderwerpen maar werden in 924 door Rollo verslagen. Rudolf was gedwongen om Rollo ook de omgeving van Bayeux en Caen in leen te geven. Daarmee kreeg Normandië ongeveer zijn huidige vorm. In 925 hield Rollo een veroverings- en plundertocht naar Vlaanderen, Amiens en Noyon. Koning Rudolf en Herbert van Vermandois vielen daarop Normandië binnen, maar werden door Rollo tegengehouden. Wel kreeg hij toen te maken met een opstand in de regio rond Bayeux en een tegenaanval van Arnulf I van Vlaanderen. Die veroverde Eu en verbrandde de versterking met allen die daarin waren. Door bemiddeling van Hugo de Grote werd een vrede gesloten waarbij Rollo al zijn Vlaamse veroveringen weer afstond.

Rollo was weliswaar gedoopt maar bleef zijn leven lang zijn oude geloof trouw en voedde ook zijn kinderen daarin op.[bron?] Volgens de overlevering liet hij voor zijn dood 100 christelijke gevangenen doden, ter ere van de Noorse goden en verdeelde hij 100 pond goud over een aantal kerken, blijkbaar om zich zo dubbel te verzekeren van een goed hiernamaals. Rollo is begraven in de kathedraal van Rouen.

 

 
de Noorman, Rollo (I6741)
 
210

Leefde ca. 1230. Lid van de wethouderschap in de tijd dat de stad met muren werd versterkt.

 
Oem, Claes (I7797)
 
211

Leendert was eerst boer, later landarbeider te Ridderkerk. Hij was hoogheemraad van de Oud- en Nieuw-Reijerwaard in de periode 1635-42. Hij was penningmeester van Varkensoord en Karnemelksland in de periode 1647-49.
Leendert erfde van zijn zuster Maijcken Henricx int Velt.
Hij was aanvakelijk zeer welgesteld met een geschat vermogen van 13000 ponden in 1638. Zijn woning bezat 5 haardsteden. In 1644 had hij nog 4 haardsteden.
Bij de 200e penning van Ridderkerk uit 1652 werd vermeld: "Lenert Heindricxz int Velt, te vooren op 13000 ponden begroot ende soo sijn boedel t eenemael insolvert is, wert hier gebracht - memorie". Eind 1654 was sprake van onder curatele stelling.

 
In 't Veld, Lenert Hendricxz (I6953)
 
212

moeder van Willem de Veroveraar

De bronnen zijn schaars over Herleva. Aangenomen wordt dat zij de dochter was van Fulbert, een leerlooier uit Falaise. Robert de Duivel, hertog van Normandië, wilde haar als zijn minnares maar Herleva zou te trots zijn geweest voor een heimelijke verhouding. Ze eiste door Robert als een echtgenote te worden behandeld, zij hadden een niet-kerkelijk huwelijk volgens de "more Danico", het gewoonterecht van de Vikingen. Uit hun verhouding werd Willem de Veroveraar geboren, en mogelijk ook een dochter Adelheid. Deze laatste was in ieder geval een dochter van hertog Robert, maar het is niet zeker of Herleva de moeder was. Herleva werd begraven in de abdij van Grestain.

In 1031 stond de hertog haar toe te trouwen met Herluinus van Conteville

 
van Falaise, Herleva (Arlette) (I6731)
 
213

Na de executie van zijn vader nam Willem van Oranje de voogdij van de jonge prins op zich, later verbrak Filips de band met hem en bood zijn diensten aan aan koning Filips II van Spanje, voor wie hij diverse steden heroverde. Hij werd uit dank hiervoor door Filips II benoemd tot ridder in de Orde van het Gulden Vlies. Hij sneuvelde in 1590 te Ivry in de strijd tegen koning Hendrik IV van Frankrijk.

 
van Egmont, van Gavere, Filips (I6683)
 
214

Nadat Adriana's vader was overleden erfde zij de heerlijkheden Boxtel en Liempde, en Jan van Horne verbleef daar ook regelmatig, hoewel hij de lopende zaken meestal door Adriana liet behartigen. De heerlijkheid ging echter van het geslacht Van Ranst in de mannelijke lijn op het huis Horne over, en dat zou enkele eeuwen zo blijven. In 1526 werd Filips van Horne dan ook heer van Boxtel en Liempde.

Jan van Horne werd bijgezet in het praalgraf van Hendrik van Ranst in de Sint-Petruskerk te Boxtel. Dit graf werd in 1795 door de Franse troepen vernield, tezamen met een glas-in-loodraam waarop Jan in volle wapenrusting stond afgebeeld.

 
van Horne, Jan (I6665)
 
215

Nicolaes Tulp werd in Amsterdam geboren als Claes Pieterszoon. Zijn familie kwam uit de Zaanstreek. In 1611 vertrok hij naar Leiden om daar geneeskunde te studeren. In 1614 keerde hij terug om zich in Amsterdam als medicinae doctor te vestigen. In 1617 trad hij in het huwelijk met Eva Egbertsdr. van der Voech (1593-1628). Toen hij in 1622 schepen werd van de stad, koos hij als wapen voor zijn schepenzegel een tulp. Het motief gebruikte hij ook op het uithangbord aan zijn huis (op Keizersgracht 210). Rond dezelfde tijd liet hij zijn naam veranderen naar Nicolaes Tulp.

Tulp was al snel een veelgevraagd geneesheer en om zijn vele patiënten te bezoeken, in het bezit van een koetsje met daarop ook een afbeelding van een tulp. Daarnaast was hij actief in het stadsbestuur. Zijn dubbele posities als arts en politicus maakten dat hij veel invloed had.

In 1628 werd Tulp benoemd tot praelector anatomiae (voorlezer in de anatomie) van het chirurgijnsgilde. Dat college vergaderde in de Pietershal, de voormalige kapel van het Pietersklooster aan de Nes. Later betrok het gilde een speciale snijzaal in de Waag op de Nieuwmarkt. Elke winter gaf Tulp hier lessen in anatomie en ontleding van het menselijk lichaam. Om dit wettelijk te mogen doen, mocht hij alleen lijken gebruiken van opgehangen criminelen. In deze functie werd hij in 1632 afgebeeld door Rembrandt op diens 'Anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp'.

In 1636 nam Tulp het initiatief voor een receptenboek of Farmacopee voor apothekers waarin een standaardisering voor de samenstelling en doseringen van verschillende medicijnen werd opgenomen. Dankzij nieuwe handelsroutes hadden apothekers in Amsterdam namelijk toegang tot meer kruiden en specerijen uit het oosten. Bovendien was Tulp geschrokken door het feit dat er veel waardeloze anti-pest geneesmiddelen in omloop waren. Dit boek, de 'Pharmacopoea Amstelredamensis', werd al snel verplichte lectuur voor apothekers, en het apothekersgilde gebruikte het boek als basis om een examen te maken dat nieuwe apothekers af moesten leggen alvorens een zaak te mogen openen.

Tulp bleek ook een goed psycholoog te zijn, blijkens zijn bevindingen van een placebo-effect. Opvallend in het boek is zijn beschrijving van de sectie op het lichaam van een ‘Indische Satyr’: de orang-oetan.

Tulps invloedrijkste werk op medisch gebied publiceerde hij in 1641: zijn Observationes Medicae. Hij schetste hierin uitvoerig 231 ziekte- en sterfgevallen. Hij beschreef bijvoorbeeld de toestand van de longen van een lichaam waarop hij sectie had verricht en legde, voor zover bekend, als eerste medicus de link tussen roken en de mogelijk negatieve effecten ervan op de longen.

Tulp schreef de eerste versie voor zijn zoon, die net was afgestudeerd in Leiden. Hij schreef het boek in het Latijn, een taal die de meeste mensen niet konden lezen, om te voorkomen dat mensen zelf op basis van zijn boek hun ziekte zouden gaan proberen te behandelen. Het boek bevat ook anatomische tekeningen van dieren die door de VOC werden meegenomen uit onder andere India en Afrika. Verder bevat het een reeks verhalen over medische operaties, waaronder het verhaal van Jan de Doot, die een niersteen bij zichzelf zou hebben verwijderd.

Het boek werd in 1651 herdrukt door Lodewijk Elzevir.

In 1652 besloot Nicolaes Tulp definitief afscheid te nemen van zijn functie als arts. Zijn werkzaamheden werden steeds moeilijker te combineren met zijn werk voor het stadsbestuur. Twee jaar later werd hij voor de eerste keer burgemeester van Amsterdam, er zouden nog drie ambtstermijnen volgen. Onder zijn beheer werkte Artus Quellinus aan het beeldhouwwerk van het Amsterdamse stadhuis, het tegenwoordige Paleis op de Dam. Ook haalde hij Paulus Potter naar Amsterdam, die zijn zoon Dirck Tulp portretteerde. Zijn dochter Margaretha, uit zijn tweede huwelijk met Margaretha Pietersdr. de Vlaming van Outshoorn, trouwde in 1655 met Jan Six.

Tulp stond bekend als een steile calvinist. Hij verbood al te uitbundige huwelijkspartijen in een tijd toen Amsterdam geplaagd werd door de pest. In 1672 hield Tulp een feestje vanwege het 50-jarig ambtsjubileum in de raad van Amsterdam. Het feest vond plaats in een tent in de tuin achter zijn huis, met veel toespraken en gedichten. Toen er kritiek kwam, haastte Tulp zich te verklaren dat men van houten borden had gegeten, melk had gedronken en dat het menu uit stokvis, sla, haring en andere Hollandse gerechten had bestaan. In 1673 werd Tulp benoemd tot Gecommitteerde Raad in Den Haag. Nicolaes Tulp overleed in 1674 en werd begraven in de Nieuwe Kerk in Amsterdam.

 
Tulp, Nicolaas Peter Dirk (I503842)
 
216

Omstreeks 1125 huwde hij met Sophia van Rheineck, dochter van Otto van Rheineck en Geertruid van Northausen. Door dit huwelijk kwam het graafschap Bentheim in handen van de graven van Holland. Sophie overleefde haar man met ruim 19 jaar. Ze stierf in 1176 tijdens een bedevaart in Jeruzalem.
Toen zijn vader Floris II in 1122 stierf, was Dirk VI nog te jong om het bestuur op zich te nemen, waarop zijn moeder Petronilla van Saksen deze taken waarnam. In 1123 hielp Petronilla haar halfbroer hertog Lotharius in zijn strijd tegen keizer Hendrik V. Nadat Lotharius in 1125 zelf koning van het Heilige Roomse Rijk werd, voegde hij Rijnland en Leiden, (formeel sinds 1064 Utrechts bezit), bij Holland. In 1133 stichtte Petronilla de abdij van Rijnsburg. Omdat ze geen vertrouwen had in de nogal ambitieloze Dirk, rekte Petronilla haar regentschap, zodat haar 2de zoon Floris het graafschap kon overnemen.

Dirk VI, pas 7 jaar oud, was graaf onder het voogdijschap van zijn moeder Petronilla van Saksen. Omstreeks 1125 huwde hij, op 12-jarige leeftijd, met Sophia van Rheineck. Omdat ze geen vertrouwen had in de nogal ambitieloze Dirk, rekte Petronilla haar regentschap, zodat haar tweede zoon Floris het graafschap kon overnemen.  Floris kwam tweemaal in opstand tegen zijn oudere broer, Dirk VI.  De eerste maal werd hij gesteund door zijn moeder Petronilla, Andries van Cuijk (de bisschop van Utrecht) en de rooms-koning, zijn oom Lotharius III. In 1129 werd het conflict bijgelegd, waarna Floris zich korte tijd, ongeveer 2 jaar lang, graaf van Holland mocht noemen. In augustus 1131 kwam Floris opnieuw in opstand. Ditmaal steunde zijn moeder hem niet en moest hij uitwijken naar het gebied van de WestFriezen die tegen Dirk VI in opstand waren gekomen. Zij boden Floris de heerschappij over West-Friesland en ook de Kennemers schaarden zich achter hem. De broedertwist werd in               augustus 1132 door tussenkomst van Lotharius bijgelegd. In 1133 werd Floris de Zwarte nabij       Fantasiereliëf van         Utrecht vermoord. Floris viel bisschop Andries van Cuijk aan bezette de stad Utrecht. Herman       Floris de Zwarte  en Godfried van Cuijk trokken met een leger naar Utrecht. Zij verrasten Floris toen die buiten de stad aan het jagen was, en doodden hem. In 1138 ondernam Dirk VI samen met zijn vrouw een pelgrimstocht naar Jeruzalem. Op de terugreis bezocht Dirk Paus Innocentius II, en droeg de abdij van Egmond en de door zijn moeder in 1133 gestichte abdij van Rijnsburg aan hem op. Hiermee onttrok hij de abdijen aan het kerkelijk gezag van het Aartsbisdom Utrecht. In 1156 loste Dirk VI de slepende kwestie rond de Echternachse kerken op. De Abdij van Egmond had de kerkelijke rechten over het gebied. Dit werd door de Abdij van Echternach betwist. De abdij van Echternach ondernam herhaaldelijk pogingen het verloren bezit terug te krijgen. Dirk VI loste het conflict op door de abdij van Echternach, in ruil voor de gebieden, land op Schouwen en de inkomsten van de grote kerk in Vlaardingen te schenken. De abt van Egmond was het hier niet mee eens en kort daarna werden Dirk VI en zijn zoon Floris in de ban gedaan. Dit is waarschijnlijk de oorzaak dat Dirk VI niet in Egmond maar in de Abdij van Rijnsburg werd begraven.

 
van Holland, Graaf van Holland Dirk VI (I361)
 
217

Ondanks de moeilijke tijden, zoals de retorsieperiode, wist hij het Kasteel Geldrop nog te verfraaien. Hier waren belangrijke personen te gast zoals de bisschoppen van 's-Hertogenbosch, Michael Ophovius en Joseph Bergaigne, alsmede de vriend van Ophovius, Peter Paul Rubens. Voor de huisvesting van de bisschoppen was enige moed nodig, want het was hun door de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden verboden zich in hun diocees op te houden.

Nadat in 1627 de kerktoren van Geldrop was ingestort, waarbij 85 doden en 200 gewonden vielen, betaalde Amandus II mee aan het herstel.

 
van Horne, Amandus II (I6685)
 
218

Onechte zoon van Floris V en toegangspoort naar de Adelijke geslachten. vanaf Witte van Haamstede lopen er diverse lijnen naar Keizer Karel de Grote

 
van Haamstede, Witte (I7784)
 
219

ook bekend als Willem de Veroveraar (Guillaume le Conquérant), was de eerste Normandische koning van Engeland van Kerstmis 1066 tot zijn dood. Hij was ook Hertog van Normandië van 1035 tot zijn dood, onder de naam Willem II. Vóór zijn verovering van Engeland, stond hij bekend als Willem de Bastaard omdat hij een buitenechtelijk kind was. Om zijn aanspraken op de Engelse kroon kracht bij te zetten viel Willem in 1066 Engeland binnen. Hij leidde een leger van Normandiërs, Bretons, Vlamingen en Fransen (van Parijs en Île-de-France) naar de overwinning op de troepen van de Engelse koning Harold II in de Slag bij Hastings. De daaropvolgende Engelse opstanden werden door hem onderdrukt in wat bekend is geworden als de Normandische verovering van Engeland. Engeland was een goed georganiseerd koninkrijk met goed werkende belastingheffingen. Vooral dat laatste maakte het voor Willem aantrekkelijk om zijn aanspraken op de troon door te zetten. De verschijning van een komeet, vermoedelijk de komeet van Halley in april 1066, zag hij als een goed voorteken. Hij kreeg hulp van edelen uit Bretagne, Vlaanderen en het hele westen van Frankrijk en verzamelde een vloot van bijna 700 schepen. Harold stationeerde een leger en een vloot in het zuiden van Engeland om deze dreiging het hoofd te kunnen bieden maar op 8 september moest hij, gedwongen door de wet, zijn leger ontbinden en zijn vloot op Londen terugtrekken. Harolds leger bestond vooral uit dienstplichtige boeren, die bij het aanbreken van de oogsttijd het recht hadden om het leger te verlaten. Willem was juist door slecht weer vertraagd: zijn expeditie was vertrokken uit de Divesmonding maar had enkele weken moeten schuilen in de Sommemonding. Daardoor landde hij pas op 28 september 1066 bij Pevensey op de Engelse kust, zonder tegenstand te ontmoeten. Willem bleef aan de kust en bouwde bij Hastings een kasteel dat hij in kant-en-klare onderdelen uit Normandië had meegenomen, als verdediging tegen een mogelijke aanval over zee.

Harold was toen met zijn kleine beroepsleger ver weg in York, waar hij Harald III van Noorwegen en zijn eigen broer Tostig Godwinson had verslagen in de slag bij Stamford Bridge. Na het nieuws van Willems landing trok hij in haast naar het zuiden, waarbij hij onderweg zo veel mogelijk troepen verzamelde. Op 14 oktober vond de slag bij Hastings plaats, waarbij na een dag van zware gevechten Harold werd gedood en Willem de overwinning behaalde.

De slag bij Hastings was nog lang niet de definitieve beslissing. De Engelsen kozen Edgar Ætheling als koning. Willem trok via Dover en Canterbury naar Londen. Hij probeerde via London Bridge de stad te veroveren maar deze aanval werd afgeslagen. Willem liet versterkingen uit Normandië komen en stak de Theems over. Een nieuwe aanval op Londen lukte wel. Op 25 december werd Willem in de Westminster Abbey tot koning gekroond. Zijn verovering is het onderwerp van het beroemde Tapijt van Bayeux.

Willem werd voortdurend met Engelse opstanden geconfronteerd, wat in 1068 uitliep op een grote opstand in Mercia en Northumbria onder leiding van Edgar. Edgar werd verslagen en vluchtte naar Schotland, waar zijn zuster trouwde met koning Malcolm III. Northumberland kwam weer in opstand en York werd veroverd. De opstand werd gesteund door een inval uit Schotland en Denemarken (ook de Deense koning maakte aanspraken op de Engelse kroon). De opstandelingen kwamen tot Lincoln maar werden daar gestuit en uiteindelijk in Yorkshire verslagen. Willem begon toen een campagne van verschroeide aarde in het noorden van Engeland (de zogenaamde Harrying of the North) wat tot grote hongersnood en ontvolking leidde. De gevolgen daarvan waren 100 jaar later nog merkbaar en zelfs de paus zou Willem hebben vermaand over de behandeling van zijn onderdanen. De adel in het noorden werd op grote schaal vervangen door Willems volgelingen en de Denen werden afgekocht en gingen naar huis. In 1072 viel Willem Schotland binnen en sloot uiteindelijk een verdrag met Malcolm. Edgar gaf zich over in 1074. De laatste echte opstand in Engeland was vooral een opstand van Normandische edelen, hoewel de laatste Saksische earl Waltheof II van Northumbria ook aan de opstand deel nam en er weer steun was vanuit Denemarken. Willem was ten tijde van deze opstand in Normandië maar de opstand werd neergeslagen door zijn halfbroer Odo van Bayeux.

Willem introduceerde het feodale stelsel in Engeland, en benoemde veel Franse edelen in Engelse posities. Daarbij gaf hij ze bezittingen die over grote gebieden waren versnipperd zodat ze geen echte machtsbasis konden opbouwen. Hij bouwde ongeveer 80 kastelen, waaronder de Tower of London. In 1085 liet Willem het Domesday Book opstellen met een gedetailleerde inventarisatie van bezittingen in land en vee, voor een doelmatige belastingheffing en om de nieuwe bezitsverhoudingen permanent vast te leggen. Tegen deze tijd had de oorspronkelijke Angelsaksische adel en geestelijkheid nog maar 8% van het land in bezit. De Normandiërs drukten ook qua recht, cultuur en architectuur gedurende de volgende eeuwen een sterk stempel op Engeland.

Opmerkelijk aan de verovering van Engeland is dat deze trekken heeft van een commerciële onderneming. In de Normandische administratie werd vastgelegd wat ieders bijdrage in schepen aan Willems invasievloot was geweest. Er bestaat een zichtbaar verband tussen de grootte van deze investeringen en de grootte en het belang van de Engelse functies en bezittingen die deze investeerders na 1066 kregen toebedeeld.

 
van Engeland, Willem I, "de Veroveraar" (I6713)
 
220

Ook Marijtge Pietersdr. Cranendonck genoemd. Zij is tweemaal gehuwd geweest en beide echtgenoten behoorden in in respectieve woonplaatsen tot de vooraan-staande inwoners en belangrijke plaatselijke bestuurders: zo was haar eerste man schout en waren beide echtgenoten dijkgraaf. Door haar tweede huwelijk was zij vanuit IJsselmonde vertrokken naar de Group bij Westmaas, maar na de dood van haar tweede man in 1641 verhuisde zij weer terug naar haar geboortedorp, waar zij een zevental jaren later overleden is. Opmerkelijk is, dat op haar grafsteen in de kerk van IJsselmonde wel vermeld werd, dat zij weduwe was van Adriaen Aertsz. Hacke, maar dat de naam van Dirck Adriaensz. Fonkert er niet op voorkomt: wellicht was de grafsteen bekostigd door haar zoon Aert Adriaensz. Hacke en vond deze het niet nodig ook zijn stiefvader te vermelden?Uit het feit, dat haar zoon Aert Adriaensz. Hacke al in 1623 vermeld werd als laagheemraad van de polder Dirk Smeetland en Mr.Arend van der Woudensland, kan afgeleid worden, dat zij reeds op vrij jonge leeftijd getrouwd moet zijn. Zij huwde 1e voor 1603 met Adriaen Aertsz. Hacke
Marijtge huwde 2e (tussen 10 mei en 27 augustus) 1627 met Dirck Adriaensz. Fonckert, geboren te Rhoon, als zoon van Adriaen Willemsz. Fonckert en Haesje Dircksdr. Coorneeff, overleden 20-1-1641 te Westmaas. Hij was weduwnaar van Bastiaentje Segersdr. Cranendonck. Evenals de eerste man van Marijtge Pietersdr. Cranendonck, was ook Dirck Adriaensz. Fonkert een vooraanstaand plaatselijk bestuurder en ingeland van zijn woonplaats de Group onder Westmaas. Hij was dijkgraaf van de polders Westmaas-Nieuwland en Oud-Cromstrijen met Oud-Beijerland bedijkt (benoemd 03-06-1622) en schepen (1635-1640) en stedehouder (1639) van de Group. Zijn hofstede in de Group onder Westmaas lag aan de Molenweg (nu: Smidsweg) naast de Vliet, zoals te zien is op een kaartfragment uit de 17e eeuw.

 
Cranendonck, Maartje Pietersdr (I569)
 
221

Over Rechila wordt in een aantal primaire bronnen verhaald, o.a. Hydatius doet verslag van hem. Van zijn jeugd en jonge jaren is echter niets bekend en over zijn geboortedatum en -plaats tasten we in het duister. Niettemin lijkt het meest waarschijnlijke dat hij na 409 geboren werd in Gallaecia, het gebied dat de Sueven toegewezen kregen nadat zij in Spanje arriveerden. Hij was getrouwd met een verder onbekende dochter van Wallia van de Visigoten en was vader van twee zonen en een dochter, waarvan de namen van de zonen aan ons zijn overgeleverd, Rechiar en Ricimer.

Toen zijn vader, koning Hermeric, in 438 ernstig ziek werd, nam Rechilla alle bestuurstaken van hem over en regeerde in diens naam totdat deze in 441 stierf, en hij zelf tot nieuwe koning werd benoemd. Tijdens zijn bewind trachtte hij het Suevische koninkrijk verder uit te breiden door het vacuüm op te vullen dat de Vandalen en Alanen hadden achtergelaten na hun overtocht naar Noord-Afrika.

Rechila voerde een zeer oorlogszuchtige politiek tegen de Romeinse machthebbers in Spanje. Hij sloot een verbond met de Bagaudae, bandieten die hij gebruikte als huurlingen. En leidde verschillende veldtochten tegen de Romeinen in Hispania Baetica en Hispania Lusitania.

Nadat hij in 438 het Romeinse leger, dat onder aanvoering stond van comes Andevotus, had verslagen aan de rivier Jenil (Singillio), veroverde hij in de provincie hoofdstad Mérida (439) van Lusitania en deed hij hetzelfde in Baetica met de stad Sevilla (441). Alle generaals die de Romeinen op hem af stuurden, Andevotus, Censorius, Vitus, werden door Rechila verslagen.

Aan het eind van zijn korte, doch intense regeerperiode bezat hij bijna geheel Andalusië en Baetica en delen van Hispania Tarraconensis. Het Romeinse Rijk had nog slechts de beschikking over de rest van de provincie Hispania Tarraconensis. Rechila overleed in Mérida, volgens zijn tijdgenoot Hydatius stierf hij als een heiden. Hij werd opgevolgd door zijn oudste zoon Rechiar. Een andere zoon, Ricimer [1] werd uiteindelijk opperbevelhebber van het West-Romeinse leger. Zijn dochter trouwde met Gundioc.

 
der Sueben, Rechila (I4126)
 
222

Overleden 19-9-1826 ten 5 ure des namiddags overleden in no 17 te Oosterblokker van beroep landman, geboren te Blokker, zoon van Remment de Boer en laatst weduwnaar van Aafje Klaasdochter Steen.
Op de verklaring van Remment de Boer, zoon van de overledene, oud 47 jaren, wonende te Oosterblokker, beroep koopman en van Klaas de Boer, wonende mede aldaar, van beroep landman, oud 31 jaren, zoon van de overledene

 
de Boer, Cornelis Remments (I504458)
 
223

Petronilla van Saksen, ook bekend alsGeertruid, en ook wel Petronella van Saksen genoemd, (circa 1082 - 23 mei1144) was een dochter van Diederik II van Lotharingen en Hedwig van Formbach. Uit een eerder huwelijk van Hedwig met Gebhard van Supplinburg werd de latere keizer Lotharius III geboren, waarmee Petronilla dus een machtige halfbroer had.
Zij trouwde vermoedelijk in 1113 met graaf Floris II van Holland. Mogelijk liet zij toen haar naam veranderen naar Petronilla. Waarschijnlijk uit devotie voor de Heilige Petrus.
Na de vroege dood van haar man in 1122 voerde zij het regentschap voor haar zoon, graaf Dirk VI van Holland. Petronella vond dat Dirk niet voldoende kwaliteit had om graaf te worden en ze weigerde haar functie op te geven Petronella steunde haar halfbroer in zijn poging om keizer te worden.
Petronella benoemde haar kapelaan tot abt van Egmond. In 1133 stichtte zij de abdij van Rijnsburg. Petronilla werd in de abdij, voor het koor van de grafelijke kapel begraven. Haar restanten werd in 1949 gevonden bij de opgraving van de kapel. Forensisch onderzoek toonde onder ander aan dat de gravin een grote en grof gebouwde vrouw geweest moet zijn.

 
van Saksen, Petronilla (I370)
 
224

Pierson (Piersom) de (des) Muliers, een doopsgezinde uit Brugge, België, gewaarschuwd door een lid van de Raad van Brugge, vluchtte met zijn vrouw Claudine le Vettre naar Meenen. Daar werd hij verraden door een buurman. Hij ontsnapte opnieuw door middel van een waarschuwing door een raadslid; maar zijn vrouw, omdat ze niet van haar zoontje afzien zou, werd in 1567 in gevangen genomen door de inquisiteur Titelman en verbrand op de brandstapel in Ieper het volgende jaar. Er wordt gezegd dat zij een mooie vrouw geweest was, die goed kon zingen. Hun verrader moest de stad ontvluchten. De comptabiliteitsboeken van Pierson zijn gered door het raadslid die hem redde. Na het verlaten van België, woonde Pierson de Muliers in Hoorn, Holland, en vervolgens verhuisde hij naar Leiden (voor 1589). Hij hertrouwde, eerst met Peronne Hennebo (overleden 1589 te Leiden) en daarna met Isabeau de la Motte, en stierf in 1591. De kinderen uit zijn eerste huwelijk werden illegaal gedoopt door de pastoor: Pieter (stierf in 1568), Nicolaas, Jan (geboren 1567) en Margriete, die stierf in Calais, Frankrijk, op de leeftijd van zestien. Peronne van kinderen, Maria en Martha, werden geboren in Hoorn: Martha trouwde met de Dirck Volckertsz. Seylmaeker (Theodorus Velius), de chroniqueur van Hoorn; hun zoon was Pieter Velius. Isabeau was de moeder van Margriete des Muliers, die in Gouda leefde.

De zoon van Claudine was Nicolaas Mulerius, die zijn M.D. aan de Universiteit van Leiden behaalde in 1589 en kort daarna de Doopsgezinde kerk verliet voor de hervormde gemeenschap.

 
des Muliers, Pierre (I503439)
 
225

Pompeia Sulla (ca. 1e eeuw v.Chr.) was de dochter van Quintus Pompeius Rufus minor (zoon van Quintus Pompeius Rufus maior) en Cornelia Sulla (de dochter van de dictator Lucius Cornelius Sulla Felix).
Zij was de tweede vrouw van Gaius Iulius Caesar tussen ca. 69 v.Chr. en 63 v.Chr. Hoewel mooi en charmant, schijnt Pompeia een gebrek aan intelligentie gehad te hebben, en haar huwelijk met Caesar schijnt hoofdzakelijk omwille van politieke redenen gesloten te zijn. Caesar, dat jaar tot pontifex maximus (belangrijkste priester) verkozen, hield de ceremonie van Bona Dea bij zijn woonplaats. De riten voor de moeder aarde godin Bona Dea waren uiterst heilig en werden slechts vrouwen toegelaten om er getuige van te zijn. Tijdens de ceremonie was de vluchtige tribunus Publius Clodius Pulcher een bekende herrieschopper, die als vrouw was vermomd, binnengegaan in zijn huis, vermoedelijk om Pompeia te ontmoeten. Hoewel het zou lijken alsof Pompeia zelf vrij was van elk wangedrag, werden haar de beruchte sociale cirkels waarin ze zich begaf aangerekend en zij werd openbaar te schande gemaakt. Kort daarna, scheidde Caesar van haar, niets anders zeggend dan de cryptische uitdrukking "Caesars vrouw moet boven alle verdenking verheven zijn."

 
Sulla, Pompeia (I3626)
 
226

Ptolemaeus V Epiphanes was koning van Egypte van 205 - 180 v.Chr.
Hij kwam al als klein kind op de troon na de dood van zijn vader Ptolemaeus IV Philopator, als vijfde in de Ptolemaeïsche dynastie, gesticht door Ptolemaeus I Soter I. Zijn moeder was Arsinoë III Tijdens een serie regentschappen kreeg het aanzien van Egypte in het Midden-Oosten veel te lijden, hoewel de priesters het nieuwe bewind een opluchting vonden vergeleken bij het vorige. De regenten Agathocles, Sosibius, Tlepolemus, Aristomenes, Scopas e.a. hadden in het binnenland weer orde op zake gesteld. Dat werd duidelijk gemaakt door een aantal proclamaties in steen te laten beitelen in zowel hiërogliefen, demotisch als Grieks. De latere Egyptologen zijn hun daar eeuwig dankbaar voor omdat de Steen van Rosette (van 4 Xandikos = 18 Mechir = 27 maart 196 v.Chr.) hen de mogelijkheid gaf het Egyptische schrift te ontcijferen. Dit is dan ook de voornaamste reden waarom Epiphanes wat bekender is dan de andere leden van zijn dynastie.

 
Epiphanes Ptolemea, Farao van Egypte Ptolemaeus V (I3636)
 
227

Ptolemaeus VIII Euergetes II (ook Physcon genoemd) (+/-182 v.Chr. - 26 juni 116 v.Chr.) was koning van Egypte van 145 v.Chr. t/m 116 v.Chr..
Physcon heeft een aantal keer tevergeefs geprobeerd om Ptolemaeus VI Philometor van de troon te stoten om zo zelf koning van Egypte te worden. Toen Philometor stierf in 145 v.Chr., riep zijn vrouw Cleopatra II hun zoon Ptolemaeus VII Neos Philopator uit tot koning. Physcon kwam terug en bood aan om gezamenlijk te regeren en te trouwen met Cleopatra II, zijn zus. Op het bruiloftsfeest vermoorde hij Neos Philometor en kroonde zichzelf tot koning.
Als koning nam hij wraak op de Joodse gemeenschap en intellectuelen in Alexandrië, die hem dwars zaten toen hij Philometor van de troon probeerde te stoten. Door deze massavervolging verlieten veel intellectuelen zoals Apollodorus Alexandrië, waardoor de stad ingrijpend veranderde.
Physcon trouwde met Cleopatra III, de dochter van zijn vrouw Cleopatra II. Toen zij dat hoorde, werd ze woest en in 132/131 v.Chr. kwamen de inwoners van Alexandrië in opstand en zette het koninklijke paleis in brand. Physcon, Cleopatra III en hun kinderen vluchtten naar Cyprus, terwijl Cleopatra II haar twaalf jaar oude zoon (en die van Physcon) Ptolemaeus Memphites op de troon probeerde te krijgen. Physcon kon dit verhinderen door zijn zoon te vermoorden en in het in stukken gehakte lichaam naar Cleopatra II te sturen.

 
Euergetes II Ptolemea, Farao van Egypte Ptolemaeus VII (I3633)
 
228

Ptolemaeus XII Neos Dionysos (ook Auletes (fluitspeler) genoemd) (117 - 51 v.Chr.) was farao van Egypte. Hij was een zoon van Ptolemaeus IX Soter II en Cleopatra IV. Hem werd een dochter, Cleopatra VII, geboren in 69 v.Chr. in Alexandrië, van wie de moeder waarschijnlijk zijn zus (óf nicht?, óf tante?) Cleopatra V Tryphaena, was. Zijn oudste zoon was de in 63 v.Chr. geboren Ptolemaeus XIII. Een jongere zoon was Ptolemaeus XIV.
Ptolemaeus stond bekend als een aanhanger van de cultus van Dionysus, zoals uit zijn bijnamen duidelijk wordt (ook Auletes verwijst vermoedelijk naar de Dionysuscultus, waarin muziek en dans een belangrijke rol speelden). Hij had het aan invloedrijke aanhangers van deze cultus te danken dat hij na de moord op Ptolemaeus XI Alexander II in 80 v.Chr. als zijn opvolger werd benoemd.
Marcus Antonius Creticus stamde, samen met zijn broer Gaius Antonius Hybrida, uit de plebejische gens Antonia, als zonen van de beroemde redenaar Marcus Antonius Orator.
Hij werd in 74 v.Chr. tot praetor verkozen. Hij verkreeg, dankzij de invloed van de consul Marcus Aurelius Cotta en de senator Publius Cornelius Cethegus, door een senatus consultum het bevel (een imperium infinitum) om de zeerovers langs de kusten van de Middellandse Zee te vervolgen. Hij streed echter niet nadrukkelijk tegen hen, maar plunderde slechts Sicilië en zou zelfs met de rovers gemene zaak hebben gemaakt.
Door zijn aanval tegen het eiland Kreta , waar hij ook na grote verliezen te hebben geleden in 71 v.Chr. stierf, verkreeg hij het agnomen (persoonlijke bijnaam) Creticus 
Zijn eerste echtgenote was een zekere Numitoria uit Fregellae.] Hij trouwde vervolgens met Iulia Caesaris, een dochter van de consul Lucius Iulius Caesar,[8] met wie hij drie zonen zou krijgen: Marcus Antonius (de later triumvir), Gaius Antonius en Lucius Antonius.

 
Creticus, Marcus Antonius (I3611)
 
229

Ptolemaeus XII Neos Dionysos (ook Auletes (fluitspeler) genoemd) (117 - 51 v.Chr.) was farao van Egypte. Hij was een zoon van Ptolemaeus IX Soter II en Cleopatra IV. Hem werd een dochter, Cleopatra VII, geboren in 69 v.Chr. in Alexandrië, van wie de moeder waarschijnlijk zijn zus (óf nicht?, óf tante?) Cleopatra V Tryphaena, was. Zijn oudste zoon was de in 63 v.Chr. geboren Ptolemaeus XIII. Een jongere zoon was Ptolemaeus XIV.
Ptolemaeus stond bekend als een aanhanger van de cultus van Dionysus, zoals uit zijn bijnamen duidelijk wordt (ook Auletes verwijst vermoedelijk naar de Dionysuscultus, waarin muziek en dans een belangrijke rol speelden). Hij had het aan invloedrijke aanhangers van deze cultus te danken dat hij na de moord op Ptolemaeus XI Alexander II in 80 v.Chr. als zijn opvolger werd benoemd.

 
Neos Dionysos Ptolemea, Farao van Egypte Ptolemaeus XII (I3629)
 
230

Remment de Boer overlijdt te Blokker op 24-9-1849, oud 70 jaar. Wonende te Westerblokker aan de Straatweg. Geboren te Blokker; weduwnaar van Trijntje Visser en zoon van Cornelis de Boer en Elisabeth Sluis, beide overleden.
Aangegeven door Dirk de Boer , oud 45 jaar en Pieter Zwan, veldwachter.
Waarvan akte
Bron : burgelijke stand gemeente Blokker

 
de Boer, Remment (I7272)
 
231

Richard volgde zijn vader op als graaf van Normandië in 996. Kort na zijn aantreden, in 996-997, diende hij het hoofd te bieden aan een boerenopstand. Zijn oom Rudolf van Ivry, sloeg de opstand genadeloos neer en liet de leiders van de rebellen de handen en voeten afhakken. Daarna steunde Richard koning Robert II van Frankrijk tegen de hertogen van Bourgondië.

Vikingen gebruikten het Cotentin-schiereiland als uitvalsbasis voor hun aanvallen op Engeland. In 1002 sloot Richard echter vrede met Engeland, en huwelijkte zijn zuster Emma uit aan koning Ethelred II van Engeland. In 1013 werd Ethelred verslagen door Sven Gaffelbaard en Richard bood hem, Emma en hun kinderen toevlucht in Normandië.

Nadat Boudewijn IV van Vlaanderen de Henegouwse stad Valencijn had ingenomen, maakte Richard deel uit van de coalitie onder leiding van keizer Hendrik II die Boudewijn - tevergeefs - bestreed. Hij zocht toenadering tot Odo II van Blois, aan wie hij zijn zuster Margaretha uithuwelijkte en de helft van Dreux als bruidsschat meegaf. Om het verlies van Dreux te compenseren liet hij de versterking Tillières oprichten, maar Odo II van Blois ging nog voor deze versterking afgewerkt was in de aanval. Een derde zuster trouwde met Godfried I van Bretagne, terwijl Richard met Godfrieds zuster trouwde.

In 1014 ontving hij Noorse en Zweedse Vikingen te Rennes en plunderde met hen de Atlantische kusten van Vlaanderen tot Spanje.

Richard organiseerde zijn graafschap en plaatste zijn eigen familie aan het hoofd van de graafschappen van Brionne, Ivry, Évreux, Mortain, Hiémois, Eu en de bisdommen Bayeux en Rouen en creëerde een aantal burggraafschappen. Hiermee had hij feitelijk een echt feodaal systeem opgezet. Een aanzienlijk aantal akten wijst ook op een functionerend administratief centrum. Richard nodigde de Italiaanse hervormer Willem van Volpiano met twaalf monniken uit om een abdij in Fécamp te stichten, waaruit snel andere abdijen werden gesticht. Richard werd begraven in de abdij van Fécamp.

Richard trouwde in het jaar 1000 in de abdij van Mont Saint-Michel met Judith van Bretagne (982 - 16 juni 1017), een zuster van Godfried I van Bretagne.

 
van Normandië, Richard II, de Goede (I6735)
 
232

Richard was een zoon van Willem I van Normandië en diens vrouw Sprota. Zijn grootvader Rollo was de eerste heerser van Normandië. Toen zijn vader stierf in 942 was Richard te jong om hem op te volgen. Koning Lodewijk IV van Frankrijk veroverde Normandië en Richard werd overgebracht naar Laon, zogenaamd voor zijn opvoeding. Met hulp van Osmund de Centeville, Bernard de Senlis (een vriend van Rollo), Ivo de Bellême en Bernard de Deen, wist Richard echter te ontsnappen. Ondertussen benoemde Lodewijk in 943 Herluinus II van Ponthieu, graaf van Montreuil (Pas-de-Calais) tot gouverneur van Normandië. Zelf bezette Lodewijk de Normandische gebieden ten noorden van de Seine. Hugo de Grote maakte gebruik van de situatie en bezette Gacé, Évreux en belegerde Bayeux. Normandisch verzet met hulp van Vikingen had nog weinig effect. In 945 wist Bernard de Deen echter Lodewijk en Hugo de Grote tegen elkaar uit te spelen: hij beloofde Lodewijk de volledige onderwerping van Normandië en beloofde tegelijk aan Hugo de Normandische hulp tegen Lodewijk. Hugo liet zich overhalen om acties tegen Lodewijk te beginnen. Tegelijk viel een nieuwe hulptroep van Vikingen Normandië binnen. Lodewijk viel aan, zonder steun van Hugo, en werd op 13 juli 945 verslagen bij de rivier de Dives. De Normandiërs wisten Lodewijk IV gevangen te nemen en droegen hem over aan Hugo de Grote, Herluinus van Ponthieu werd in de veldslag gedood. Na de veldslag wist Richard de rijksgroten over te halen om zijn bestuur en de zelfstandigheid van Normandië te erkennen.

In 946 viel Lodewijk opnieuw Richard aan, met hulp van Otto I de Grote, Arnulf I van Vlaanderen, Koenraad van Bourgondië en Alain of Alan II van Bretagne. Het bondgenootschap belegerde Richard in Rouen. De Normandiërs verdedigden zich fel en Richards agenten probeerden met valse geruchten verdeeldheid te zaaien onder de aanvallers. Daardoor trok eerst Arnulf en daarna ook Otto zich terug van het beleg, en moesten Lodewijk en zijn resterende bondgenoten zich ook terugtrekken. Bij hun terugtocht werden ze tot aan Amiens aangevallen door kleine Normandische eenheden. Met hulp van Harald I van Denemarken wist Richard in 947 Normandië definitief onder zijn gezag te brengen. Hij sloot een bondgenootschap met Hugo de Grote en verloofde zich met diens dochter Emma.

 
van Normandië, Richard I (I6736)
 
233

ridder voor 1398, heemraad van Delfland 20.11.1391-1396, rentmeester van Noord-Holland 1402, leenman van hertogin Margaretha 1384,

 
van Hodenpijl, Dirc Jansz (I6845)
 
234

ridder, heemraad van Delfland, ambachtsheer van Hodenpijl, leenman van de Grafelijkheid.  Hij bewoonde het Huis te Hodenpijl (verwoest in 1351).
Hij was lid van het Hoeks verbond en werd verbannen (1351 -1355).

 
van Hodenpijl, Arnoud (I6840)
 
235

Ridder, vermeld tussen 1270 en 1293. Hij was leenman van de graaf van Holland voor het huis te Doortoge met 33 morgen land, in Monsterambacht gelegen, en voor de ambachten Zegwaard en Zevenhuizen.
Jongere broer van Willem, heer van Brederode, vermeld 9 okt. 1270 als bloedverwant van heer Dirk van Heusden, beleend voor 1266 met het goed de Doortoghe met 33 morgen, ambachtsheer van Zevenhuizen en Zegwaard, vermeld als getuige van Floris V 1292, 1296 en van heer Dirk van Brederode bij diens verzoening met graaf Floris V 1296.
In oudere studies werd als echtgenote van Floris van Brederode opgevoerd een dochter van Jan Persijn van Putten, getrouwd met een dochter van Hugo van Voorne. Deze filiatie was mede gebaseerd op het feit dat Niclaes III van Putten, een vierendeel van Beatrijs van der Doortoghe (kleindochter van Floris van Brederode) wordt vermeld in 1309. Beatrijs’ moeder Ermgaert werd op basis van de tweede vierdeel Willem heer van Naaldwijk zelf ook als een van Naaldwijk beschouwd. Hugo van Voorne, de schoonvader van Jan Persijn was zelf een jongere broer van Floris en Dirk van Voorne. Na overlijden van Floris werd Hugo beleend met de parochie Putten langs de Striene. Hij overleed tijdens zijn deelname aan de Derde Kruistocht in 1189. Zijn geboortedatum kan op 1145 geschat worden. Zijn (onbekende) dochter moet dan omstreeks 1180 geboren zijn, om kort voor 1213 met Jan Persijn in het huwelijk te treden. Een dochter uit dit huwelijk zou dan omstreeks 1215 geboren moeten zijn. Gezien het feit dat het huwelijk van Floris van Brederode rond 1255 gesloten moet zijn, is deze aanname erg onwaarschijnlijk. Verder is ingebracht dat het huis Ter Doirtoghe bij Huntsele (Honselersdijk) dat voor 1266 in bezit kwam van Floris van Brederode, in Naaldwijk stond en wellicht via een huwelijk met een van Naaldwijk is verworven. Dit lijkt bevestigd door het feit dat Hugo II van Naaldwijk in 1257 met Huntsele is beleend door zijn neef Hendrik heer van Voorne. Bij een geschatte overlijdensdatum van Hugo omtrent 1263 moet het goed Huntsele kort na die tijd num exoris aan Floris van Brederode zijn.

 
van Brederode, Floris (I1339)
 
236

Rond 1060 ontving Robert het graafschap Mortain toen de regerende graaf werd verbannen en zijn titel verloor. Kort daarna erfde hij ook de familiegoederen van zijn vader, rond Conteville. Robert had ook bezittingen in de Cotentin. In 1066 nam hij deel aan de beraadslagingen voor de inval in Engeland. Hij leverde 120 schepen en was een van de aanvoerders in de slag bij Hastings. Als beloning ontving hij van Willem 549 "manors" verspreid over Engeland, en het bestuur over het strategische district Pevensey.

In 1069 versloeg Robert samen met Robert I van Eu de Denen die York belegerden. Robert ontving in 1072 nog een keer 248 manors en de kastelen van Launceston (Cornwall) en Trematon in Cornwall. Robert was meerdere malen actief als rechter in zaken van de hoge adel en geestelijkheid. Aan het sterfbed van Willem de Veroveraar in 1087 pleitte hij voor de vrijlating van zijn broer Odo van Bayeux, die sinds 1082 gevangen zat. Onder invloed van Odo nam hij deel aan de opstand van 1088 tegen koning Willem II van Engeland. Robert verdedigde zijn kasteel van Pevensey gedurende zes weken tegen een beleg door de koning (waarbij Willem van Warenne dodelijk werd gewond) maar moest uiteindelijk opgeven. Robert werd door Willem begenadigd en behield zijn bezittingen en functies.

Volgens bronnen uit zijn tijd was Robert een zware en trage man, maar een dappere aanvoerder waarvan geen wreedheden, misdaden of huiselijke problemen bekend waren. Robert en zijn eerste vrouw werden begraven in de abdij van Grestain, die zijn vader had gesticht.

 
van Mortain, Robert (I6748)
 
237

Samen met zijn tweede echtgenote Eremesinde wordt hij in 1214 graaf van Luxemburg. In 1221 wordt hij hertog van Limburg in opvolging van zijn vader. Zijn grafzerk ligt in de abdijkerk van Rolduc.

 
van Limburg, Walram III (I6693)
 
238

Siegfried I van Guînes (ca. 925 - 966) was een Viking die graaf van Guînes werd en trouwde met een dochter van Arnulf I van Vlaanderen.

Het gebied van het latere graafschap Guînes, hoorde oorspronkelijk toe aan de abdij van Sint-Bertinus. Karel de Kale bevestigde in 877 nog hun bezit. Nadien kwamen deze gebieden terecht bij het graafschap Vlaanderen. Er bestaan twee hypotheses over de wijze waarop Guînes terechtkwam bij Siegfried.

Willem I van Ponthieu maakte Boulonnais, Guînes en Saint-Pol-sur-Ternoise in 965 afhandig van Arnulf II van Vlaanderen, waarop Arnulf de hulp van de Denen inriep. Deze slaagden in hun opzet en Arnulf schonk Guînes aan Siegfried, en huwelijkte zijn zuster/zijn tante? Elftrudis van Gent uit aan Siegfried.

Siegfried en de Noormannen vielen de streek binnen en startten de bouw van de stad Guînes. Arnulf I van Vlaanderen deed geen tegenaanval en erkende Siegfried als vazal en gaf hem zijn dochter Elftrudis ten huwelijk.

Siegfried zou een kleinzoon zijn van Harald de Deen. Hij trouwde met Elftrudis (na 934 - 972), dochter van Arnulf I van Vlaanderen en Aleidis van Vermandois. Ze hadden een zoon: Ardolf I (966-996), postuum geboren, opvolger van zijn vader. De wettigheid van het huwelijk van Siegfried en Elftrude werd betwist door de abdij van Sint-Bertinus.

 
van Guînes, Siegfried I (I7553)
 
239

Steppo heeft rond 1140 moeilijkheden met de abdij van Affligem omdat hij meent erfelijke rechten te kunnen doen gelden op een schaapskooi te Pakinge. In 1164 schenkt hij land aan de St. Pietersabdij te Gent, gelegen in 'Transblide' (Beoostenblij) in castellaria de Axla (Axel).

 Viggezele ligt in West-Vlaanderen noordoostelijk van Tielt. Hij had ca. 1140 moeilijkheden met de abdij van Affligem omdat hij meende erfelijke rechten te kunnen doen gelden op een schaapskooi te Pakinge. In 1164 schonk hij aan de St.Pietersabdij te Gent land, gelegen in 'Transblide' (Beoostenblij) in castellaria de Axla (Axel). Steppo was mogelijk zoon van Willem, burggraaf van Ieper en heer van Loo en N.N. van Bourgondië.

 
van Viggezele, Steppo (I7532)
 
240

Stichter van Kasteel Crayenstein

 
van Riede, Zeger (I7828)
 
241

TESTAMENT METJE BURGGRAAFF 14 September 1771. 174

Compareerde voor Jan Stek (in deeze bij absentie vervangende den schout) Jacob van Lakerveld en Jan Schoenmakers, Scheepenen der Heerlijkheijd Meerkerk.

METJE BURGGRAAFF wed. van DIRK GOVERTSE de WIT, wonende alhier, te kennen gevende genegen te zjn om tedisponeren van hare na te laten goederen, mits dien revocerende alle hare voorgaande testamenten, en Codicillen.

Alvorens komende ter finale dispositie zoo prolegateert zij comparante aan hare broeders WOUTER BURGGRAAFF en PEETER BURGGRAAFF, alle het linnen ten hare lijve gehorende.

Nog prolegateert de comparante aan haare zuster JANTJE BURGGRAAFF, huijsvrouw van WILLEM de JONG, en bij vooroverlijden aan dervelve zoon, hare goude ketting zijnde vier streenen swaar, met den gouden boot daer annex.

Item nog aan deselve hare zuster voor de eene helfte, en aan hare twee nichten GEERTJE en ADRIAANTJE BURGGRAAFF, kinderen van wijlen harer broeder ARY BURGGRAAFF, voor de weder helfte, en bij voor overlijden hare wettige descendenten bij representatie, alle hare kleederen mitsgaders het overige goud en silver, ten haren Lijve behooren der komende ter finale dispositie, zoo verklaarde de comparante, in alle hare verdere na te latene goederen, tot hare eenige en universeele Erfgenamen te nomineren en te institueeren, hare voorsz. broeders WOUTER en PEETER BURGGRAAFF. Item hare gemelde zuster JANTJE BURGGRAAFF Ijder voor een vijfde part, alsmede hare voorsz. beijde nichten GEERTJE en ADRIAANTJE BURGGRAAFF, insgelijks voor een vijfde part, Ende de drie kinderen van harer overleden broeder BAEREND BURGGRAAFF, in huwelijk verwekt bij wijlen ANNIGJE ARI+NSE, genaamt PHILIP, ARIE en DILLIAANJE BURGGRAAFF, mede voor een vijfde part en bij voor overlijden hare wettige afkomelingen bij representatiedes dat voor zoo veree ijmand van hare voorn. gestelde Erfgenn voor haar Compte mogten komen te overlijden, zonder wettige descendent, of descendenten na te laten zal Zodanige Erfportie, of portien, moeten gaan aan haar comparante overige genomineerde Erfgenamen, volgens de voorgestelde institutie staakswijse.

 

Verders Stelt, en commiteert de Comparante tot voogden over de minderjarige en toezigt behoevende, die in deze hare nalatenschap mogte werden gecomprehendeert, hare twee neven JAN WILLEMSE de JONG en GIJSBERT van der HAM, beijde wonende in Meerkerksbroek, met zodanige ampele magt als aan voogden, na regten kan en mag worden gegeven, Speciaal met de magt van assumtie en Surrogatie tot den eijnde toe.

Secluderende ten dien zijnde uijt haer comparante boedel en nalatenschap alle Heeren Weesmeesteren, oppervoogden en geregten, zoo hier als elders waer haer Comptes Sterhuijs zal komen te vallen.

Alle het geen voorsz. staat de Compte duijdelij voorgelezen zijnde verklaarde zij het zelve te wezen haer testament begerende dat het daar voor zal werden erkent, en zijn volkomen effect genieten t zij als testament of codicil, zoo en indiervoegen als best konnen bestaan.

Aldus gedaan en gepasseert in den Geregtshuijse te Meerkerk den 14e September 1771.

 
Burggraaf, Metje Philips (I502877)
 
242

vader van Willem de Veroveraar. Hij was de zoon van hertog Richard II van Normandië en Judith, dochter van Conan I van Bretagne.

Na de dood van zijn vader volgde zijn oudere broer Richard hem op als hertog van Normandië terwijl Robert graaf van Hiémois werd. Richard stierf in 1027, hij werd vermoedelijk vergiftigd, en werd opgevolgd door Robert. De plotselinge dood van zijn broer terwijl hij zelf belanghebbende was als erfgenaam, maakte Robert wel verdacht en leverde hem de bijnaam "de Duivel" op. "Robert de Duivel" is ook een figuur uit sprookjes. Robert nam op grote schaal kerkelijke bezittingen in beslag om te verdelen onder zijn vazallen en zo hun trouw te verzekeren. Daardoor kwam hij in conflict met de bisschop van Bayeux en zijn oom Robert de Deen, aartsbisschop van Rouen, maar hij wist hun verzet te breken.

Robert steunde in 1028 Boudewijn IV van Vlaanderen tegen zijn opstandige zoon, Boudewijn V van Vlaanderen en verwoestte het kasteel van Chocques. In de strijd van de toenmalige koning Hendrik I van Frankrijk tegen diens broer en moeder steunde Robert in 1031 de koning, waarvoor deze hem beloonde met het grondgebied van Vexin. In dat jaar bood hij onderdak aan Eduard de Belijder die Engeland was ontvlucht. Een poging om Eduard met een vloot te helpen tegen de Denen in Engeland mislukte door een storm. Robert gebruikte toen de vloot om de hertog van Bretagne te onderwerpen, die probeerde om zich aan de Normandische invloed te onttrekken. Robert stichtte de abdij van Cerisy-la-Forêt, van Montivilliers en die van Sainte-Trinité te Rouen.

Nadat hij zijn zoon Willem tot zijn erfgenaam had aangesteld, ging hij op bedevaart naar Jeruzalem. Volgens de Gesta Normannorum Ducum reisde hij via Constantinopel en werd daar ontvangen door Michaël IV Paphlagon. Hij bereikte Jeruzalem en stierf op de terugreis in Nicea op 22 juli 1035. Robert werd daar begraven in de Maria-kerk. Sommige bronnen schrijven zijn dood toe aan vergif en dateren het op 2 juli. Zijn zoon Willem, acht jaar oud, volgde hem op.
Volgens de historicus William van Malmesbury verzond Willem rond 1086 een gezantschap naar Constantinopel en Nicaea om het lichaam van zijn vader terug te brengen naar Normandië om het daar te begraven. De toestemming om het lichaam mee te nemen werd verkregen, maar tijdens de terugtocht door Apulië (Italië) kwam het bericht dat Willem was overleden. De leden van missie besloten toen het lichaam van Robert in Italië te begraven.

 
van Normandië, Robert II, de Duivel (I6729)
 
243

vanaf 1345: deelname aan het beleg van Utrecht, onder aanvoering van Willem IV van Holland

 
van Haamstede, Floris I (I7780)
 
244

Vermeld 1445, 1446 en 1450 als landpoorter van Dordrecht in de stadsrekeningen. Zijn erven worden voor 3 morgen resp 3 morgen 1 hont aangeslagen voor de dijkplicht.

 
Giessen, Aernt Lodewijcks (I1111)
 
245

Wala van Corbie (ook Walacho) (rond. 755 - Bobbio, 31 augustus836) was een van belangrijkste adviseurs van zijn neef koning/keizer Karel de Grote, diens zoon Lodewijk de Vrome en zijn zoon Lotharius I.
Wala van Corbie was de zoon van Bernard, een zoon van Karel Martel, en een Saksische vrouw. Wala Hij was gehuwd met Rothlindis (Nederlands: Rodlinde), een dochter van Sint-Willem met de Hoorn, een legendarische middeleeuwse persoon. Deze was hertog van Aquitanië, graaf van Toulouse en ook de eerste graaf van Orange. Het lijkt erop dat Wala in 791 deel nam aan de opstand van Pepijn met de Bult; als gevolg hiervan werd hij verbannen maar keerde snel in de gunst terug van Karel de Grote en hij mocht terugkeren naar het hof. Zijn rol werd na de keizerlijke kroning (800) aanzienlijk. Wala versloeg herhaaldelijk de Saksen en in het jaar 812 versloeg hij een moslimvloot. Wala was benoemd tot graaf van Saksen en werd in het jaar 811 benoemd als paltsgraaf. Vervolgens werd hij samen met zijn halfbroer Adalardus in 812 door Karel de Grote naar Italië gestuurd om op te treden als adviseur van onderkoningBernard van Italië.

 
van Corbie, Saint Quentin, Wala (I999)
 
246

was de zuster van Clovis I, koning van de Franken. Zij trouwde rond ca. 493 n.Chr. (exacte datum onbekend). met Theodorik de Grote, koning van de Ostrogoten van 471 tot 526. Theodorik stuurde een ambassadeur naar Clovis om de hand van Audofleda te vragen.[2] Hierdoor kwam een politieke alliantie tussen Theodoric en Clovis tot stand. Doordat Theoderik zijn dochters liet huwen met de koningen van de Bourgondiërs, de Vandalen en de Visigoten verbond deze zich met alle belangrijke 'barbaarse' koninkrijken in het westen.

Theodoric en Audofleda hadden een dochter, Amalasuntha, die getrouwd was met Eutharik. Amalasuntha had op haar beurt een dochter, Mathesuntha, en een zoon, Athalarik; Amalasuntha regeerde van 526-34 als koningin/regentes van de Ostrogoten.

Audofleda was voorafgaand aan haar huwelijk niet christelijk. Vlak voor haar huwelijk werd zij gedoopt door een ariaanse bisschop.

Volgens Gregorius van Tours, die zo'n vijftig jaar na de dood van Audofleda schreef, werd zij in 526 door haar dochter Amalasuntha vergiftigd, uit wraak omdat Audofleda haar minnaar zou hebben laten ombrengen

 
Merowinger, Aldofleda (I1052)
 
247

was echtgenote van Frederik I van Lotharingen. Na zijn dood was zij vanaf 978 tien jaar lang regentes van Opper-Lotharingen. Zij speelde een actieve rol in de politiek van het Heilige Roomse Rijk en West-Francië.

Beatrix was een dochter van Hugo de Grote (de machtigste edelman van West-Francië) en van Hedwig van Saksen (zuster van keizer Otto I de Grote). Een van haar broers was Hugo Capet, die koning van Frankrijk zou worden. Ze hoorde dus tot de hoogste adel van West-Europa. In 951 werd ze verloofd met Frederik, die als belangrijke edelman in Opper-Lotharingen een waardevolle alliantie voor haar vader was. Ze trouwden in 954 of 955 toen Beatrix meerderjarig werd. Als bruidsschat bracht ze de Lotharingse bezittingen (onder andere Saint-Mihiel) van de abdij van Saint-Denis in Parijs mee. Dit vormde de kern van het latere graafschap Bar.

Na het sneuvelen van haar man in 976 tegen Lotharius van Frankrijk was ze regentes voor haar minderjarige zoon Diederik en noemt zichzelf “dux” (hertog). Ze koos partij tegen Lotharius en voor de keizerin-weduwe Theophanu en keizerin-moeder Adelheid. Daardoor werd ze automatisch tegenstander van hertog Hendrik II van Beieren. Haar steun aan Otto III was doorslaggevend voor zijn keuze tot koning. Als tegenprestatie werd haar zoon Adalbero tot bisschop van Metz benoemd. Beatrix voerde een actieve diplomatie naar het keizerlijk hof en West-Francië en speelde een belangrijke rol in de vreedzame oplossing van de opstand van Hendrik van Beieren (die zijn hertogdom behield) en de oorlog met Lotharius. In 985 bereikt ze via haar broer Hugo de vrijlating van haar zoon Diederik die in Verdun gevangen was genomen. In 987 trad ze terug als regentes en werd Diederik hertog van Opper-Lotharingen. In de praktijk hield ze nog veel macht in handen en hierdoor ontstond een conflict met haar zoon, Diederik. Die heeft haar zelfs opgesloten in een abdij om zo de werkelijke overdracht af te dwingen, maar onder druk van de paus moest hij haar weer vrijlaten.

Beatrix voerde een correspondentie met Gerbert van Auriallac, een bekende wetenschapper en geestelijke, die later als Silvester II paus zou worden. Naast Diederik en Adalbero kregen Frederik en Beatrix nog een zoon Hendrik, die ca. 975 is overleden.

 
Capet, Beatrix (I6913)
 
248

was een zoon van hertog Frederik I van Lotharingen en van Beatrix van Frankrijk, zuster van Hugo Capet. Hij was hertog van Opper-Lotharingen en graaf van Bar van 978 tot 1027, in opvolging van zijn vader. Tot 987 was zijn moeder regentes, ondanks dat Diederik toen al minstens 20 moet zijn geweest en volgens de gewoonten van die tijd was een vorst met 16 meerderjarig en in staat om zelfstandig te regeren. Diederik zou mogelijk zijn moeder hebben laten opsluiten in een klooster teneinde eigenhandig te kunnen heersen. Feit is dat ze na 989 niet meer vermeld wordt. Andere geruchten fluisteren zelfs over pogingen haar te vergiftigen.

In 985 belegerde hij Verdun dat door Franse troepen was bezet en werd daarbij gevangengenomen. Hij werd vrijgelaten maar enige tijd later zwaargewond gevangengenomen door paltsgraaf Ezzo van Lotharingen in het conflict tussen keizer Hendrik II en de Luxemburgers over Metz. Diederik werd in Ezzo's kasteel Tomburg opgesloten en moest zich voor een groot bedrag vrijkopen. Ook werd Diederik nog een keer door de Bourgondiërs gevangengenomen. Hij voerde wel een succesvolle campagne in de Champagne tegen Odo II van Blois toen die de stad Toul aanviel. In 1024 maakte Diederik op tijd de keuze voor koning Koenraad II en behield zo zijn titels. In de laatste jaren van zijn bestuur deelde hij zijn taken met zijn zoon Frederik maar die overleed al in 1026, voor Diederik.

 
van Lotharingen, Diederik I (I6910)
 
249

was koning van de Ostrogoten. Hij volgde zijn vader Theodemir op in 474 en regeerde tot aan zijn dood. Keizer Zeno benoemde hem tot consul in 484, en aldus heerste hij over een gedeelte van Italië. Hij trachtte de Romeinse bevolking te assimileren in zijn eigen van oorsprong Germaanse volk, maar dit mislukte omdat de Romeinen ver in de meerderheid waren ten opzichte van de kleine bovenlaag Gotische heersers. Hij was ook bekend onder de naam Diederik van Bern (naar zijn zomerresidentie Verona).

Theodorik bracht een gedeelte van zijn jeugd door als gijzelaar aan het hof in Constantinopel. Zijn vader wist daarmee de Oost-Romeinse keizer Leo I een garantie te geven dat hij het verdrag met de keizer zou respecteren. Tijdens deze periode leerde Theodorik veel over de Romeinse gebruiken en krijgskunst. Als jongeman was hij aanwezig bij diverse veldtochten die zijn vader voerde. In 469 werden de Gepiden overwonnen in de Karpaten tijdens de slag aan de Bolia. Het Romeinse Moesia werd in 471 bezet en Theodorik zelf leidde een aantal gevechten tegen Theodorik de Oudere. Verder viel Theodorik later als generaal van het Oost-Romeinse Rijk een aantal malen Italië binnen.

In 476 had de Germaanse huurlingenleider, Odoaker de laatste West-Romeinse keizer afgezet, wiens West-Romeinse Rijk alleen nog bestond uit de oude kernprovincie Italia, en zichzelf uitgeroepen tot koning van Italië. Odoaker zond de keizerlijke regalia naar Zeno in Constantinopel, waarmee Odoaker zichzelf onderwierp aan Zeno en de titel "Rex" aannam, wat 'Koning' betekent.

Zeno gaf in 488 Theodorik toestemming om met zijn Ostrogoten Italië binnen te vallen. Theodorik probeerde dit verschillende malen, maar werd steeds terug gedreven door de legers van Odoaker. Uiteindelijk kreeg hij vaste voet in Italië. Hij versloeg de troepen van Odoaker, eerst in augustus, aan de Isonzo, en daarna, in september bij Verona. Uiteindelijk veroverde Theodorik in 493 Ravenna en maakte het tot hoofdstad van zijn rijk. Ondanks dat Theoderiks veldslagen succesvol waren had hij een list nodig om Odoakar uit de weg te ruimen. Op een zogenaamd vredesbanket liet hij hem verraderlijk vermoorden waarmee hijzelf de heerser van Italië werd.

Het Ostrogotische rijk strekte zich nu uit van Sicilië tot Dalmatië. Ondanks zijn Germaanse wortels werd Theodorik door zowel Romeinen als Goten als koning erkend. In Theodoriks rijk leefde ieder volk onder diens eigen wetten.

Zijn mausoleum en de Basiliek van Sant'Apollinare Nuovo zijn nog altijd te bezichtigen in Ravenna.

 
van de Oostgoten, Theodorik I (I6903)
 
250

was vanaf 1061 de eerste graaf van Limburg die met zekerheid genoemd kan worden. Tevens was hij graaf van Aarlen en voogd van de abdij van Sint-Truiden. Walram wordt soms beschouwd als bouwheer van het slot Limburg, doch deze mening is vooralsnog niet verenigd kunnen worden met het feit dat bedoelde burcht zich in 1085 nog in handen bevond van paltsgraaf Herman II van Lotharingen.
Walram was zoon van Walram van Aarlen (ca.991 – 1052) en de kleinzoon van Hendrik van Worms (970 – 991) en van Adela, dochter van Diederik I van Lotharingen. Hij huwde met Jutta, dochter van Frederik van Luxemburg, Hertog van Neder-Lotharingen en Gerberga van Boulogne.
Zijn zoon Hendrik I (Volgt 2), die hem opvolgde als graaf van Limburg, zou in 1101 hertog van Neder-Lotharingen en markgraaf van Antwerpen worden, mede dankzij de verwantschappen via zijn moeder en grootmoeder.

 
van Limburg, Walram I (I6700)
 

      «Prev 1 2 3 4 5 6 7 8 9 ... 22» Next»