Notes


Matches 201 to 250 of 1,016

      «Prev 1 2 3 4 5 6 7 8 9 ... 21» Next»

 #   Notes   Linked to 
201

Ptolemaeus XII Neos Dionysos (ook Auletes (fluitspeler) genoemd) (117 - 51 v.Chr.) was farao van Egypte. Hij was een zoon van Ptolemaeus IX Soter II en Cleopatra IV. Hem werd een dochter, Cleopatra VII, geboren in 69 v.Chr. in Alexandrië, van wie de moeder waarschijnlijk zijn zus (óf nicht?, óf tante?) Cleopatra V Tryphaena, was. Zijn oudste zoon was de in 63 v.Chr. geboren Ptolemaeus XIII. Een jongere zoon was Ptolemaeus XIV.
Ptolemaeus stond bekend als een aanhanger van de cultus van Dionysus, zoals uit zijn bijnamen duidelijk wordt (ook Auletes verwijst vermoedelijk naar de Dionysuscultus, waarin muziek en dans een belangrijke rol speelden). Hij had het aan invloedrijke aanhangers van deze cultus te danken dat hij na de moord op Ptolemaeus XI Alexander II in 80 v.Chr. als zijn opvolger werd benoemd.

 
Neos Dionysos Ptolemea, Farao van Egypte Ptolemaeus XII (I3629)
 
202

Richard volgde zijn vader op als graaf van Normandië in 996. Kort na zijn aantreden, in 996-997, diende hij het hoofd te bieden aan een boerenopstand. Zijn oom Rudolf van Ivry, sloeg de opstand genadeloos neer en liet de leiders van de rebellen de handen en voeten afhakken. Daarna steunde Richard koning Robert II van Frankrijk tegen de hertogen van Bourgondië.

Vikingen gebruikten het Cotentin-schiereiland als uitvalsbasis voor hun aanvallen op Engeland. In 1002 sloot Richard echter vrede met Engeland, en huwelijkte zijn zuster Emma uit aan koning Ethelred II van Engeland. In 1013 werd Ethelred verslagen door Sven Gaffelbaard en Richard bood hem, Emma en hun kinderen toevlucht in Normandië.

Nadat Boudewijn IV van Vlaanderen de Henegouwse stad Valencijn had ingenomen, maakte Richard deel uit van de coalitie onder leiding van keizer Hendrik II die Boudewijn - tevergeefs - bestreed. Hij zocht toenadering tot Odo II van Blois, aan wie hij zijn zuster Margaretha uithuwelijkte en de helft van Dreux als bruidsschat meegaf. Om het verlies van Dreux te compenseren liet hij de versterking Tillières oprichten, maar Odo II van Blois ging nog voor deze versterking afgewerkt was in de aanval. Een derde zuster trouwde met Godfried I van Bretagne, terwijl Richard met Godfrieds zuster trouwde.

In 1014 ontving hij Noorse en Zweedse Vikingen te Rennes en plunderde met hen de Atlantische kusten van Vlaanderen tot Spanje.

Richard organiseerde zijn graafschap en plaatste zijn eigen familie aan het hoofd van de graafschappen van Brionne, Ivry, Évreux, Mortain, Hiémois, Eu en de bisdommen Bayeux en Rouen en creëerde een aantal burggraafschappen. Hiermee had hij feitelijk een echt feodaal systeem opgezet. Een aanzienlijk aantal akten wijst ook op een functionerend administratief centrum. Richard nodigde de Italiaanse hervormer Willem van Volpiano met twaalf monniken uit om een abdij in Fécamp te stichten, waaruit snel andere abdijen werden gesticht. Richard werd begraven in de abdij van Fécamp.

Richard trouwde in het jaar 1000 in de abdij van Mont Saint-Michel met Judith van Bretagne (982 - 16 juni 1017), een zuster van Godfried I van Bretagne.

 
van Normandië, Richard II, de Goede (I6735)
 
203

Richard was een zoon van Willem I van Normandië en diens vrouw Sprota. Zijn grootvader Rollo was de eerste heerser van Normandië. Toen zijn vader stierf in 942 was Richard te jong om hem op te volgen. Koning Lodewijk IV van Frankrijk veroverde Normandië en Richard werd overgebracht naar Laon, zogenaamd voor zijn opvoeding. Met hulp van Osmund de Centeville, Bernard de Senlis (een vriend van Rollo), Ivo de Bellême en Bernard de Deen, wist Richard echter te ontsnappen. Ondertussen benoemde Lodewijk in 943 Herluinus II van Ponthieu, graaf van Montreuil (Pas-de-Calais) tot gouverneur van Normandië. Zelf bezette Lodewijk de Normandische gebieden ten noorden van de Seine. Hugo de Grote maakte gebruik van de situatie en bezette Gacé, Évreux en belegerde Bayeux. Normandisch verzet met hulp van Vikingen had nog weinig effect. In 945 wist Bernard de Deen echter Lodewijk en Hugo de Grote tegen elkaar uit te spelen: hij beloofde Lodewijk de volledige onderwerping van Normandië en beloofde tegelijk aan Hugo de Normandische hulp tegen Lodewijk. Hugo liet zich overhalen om acties tegen Lodewijk te beginnen. Tegelijk viel een nieuwe hulptroep van Vikingen Normandië binnen. Lodewijk viel aan, zonder steun van Hugo, en werd op 13 juli 945 verslagen bij de rivier de Dives. De Normandiërs wisten Lodewijk IV gevangen te nemen en droegen hem over aan Hugo de Grote, Herluinus van Ponthieu werd in de veldslag gedood. Na de veldslag wist Richard de rijksgroten over te halen om zijn bestuur en de zelfstandigheid van Normandië te erkennen.

In 946 viel Lodewijk opnieuw Richard aan, met hulp van Otto I de Grote, Arnulf I van Vlaanderen, Koenraad van Bourgondië en Alain of Alan II van Bretagne. Het bondgenootschap belegerde Richard in Rouen. De Normandiërs verdedigden zich fel en Richards agenten probeerden met valse geruchten verdeeldheid te zaaien onder de aanvallers. Daardoor trok eerst Arnulf en daarna ook Otto zich terug van het beleg, en moesten Lodewijk en zijn resterende bondgenoten zich ook terugtrekken. Bij hun terugtocht werden ze tot aan Amiens aangevallen door kleine Normandische eenheden. Met hulp van Harald I van Denemarken wist Richard in 947 Normandië definitief onder zijn gezag te brengen. Hij sloot een bondgenootschap met Hugo de Grote en verloofde zich met diens dochter Emma.

 
van Normandië, Richard I (I6736)
 
204

ridder voor 1398, heemraad van Delfland 20.11.1391-1396, rentmeester van Noord-Holland 1402, leenman van hertogin Margaretha 1384,

 
van Hodenpijl, Dirc Jansz (I6845)
 
205

ridder, heemraad van Delfland, ambachtsheer van Hodenpijl, leenman van de Grafelijkheid.  Hij bewoonde het Huis te Hodenpijl (verwoest in 1351).
Hij was lid van het Hoeks verbond en werd verbannen (1351 -1355).

 
van Hodenpijl, Arnoud (I6840)
 
206

Ridder, vermeld tussen 1270 en 1293. Hij was leenman van de graaf van Holland voor het huis te Doortoge met 33 morgen land, in Monsterambacht gelegen, en voor de ambachten Zegwaard en Zevenhuizen.
Jongere broer van Willem, heer van Brederode, vermeld 9 okt. 1270 als bloedverwant van heer Dirk van Heusden, beleend voor 1266 met het goed de Doortoghe met 33 morgen, ambachtsheer van Zevenhuizen en Zegwaard, vermeld als getuige van Floris V 1292, 1296 en van heer Dirk van Brederode bij diens verzoening met graaf Floris V 1296.
In oudere studies werd als echtgenote van Floris van Brederode opgevoerd een dochter van Jan Persijn van Putten, getrouwd met een dochter van Hugo van Voorne. Deze filiatie was mede gebaseerd op het feit dat Niclaes III van Putten, een vierendeel van Beatrijs van der Doortoghe (kleindochter van Floris van Brederode) wordt vermeld in 1309. Beatrijs’ moeder Ermgaert werd op basis van de tweede vierdeel Willem heer van Naaldwijk zelf ook als een van Naaldwijk beschouwd. Hugo van Voorne, de schoonvader van Jan Persijn was zelf een jongere broer van Floris en Dirk van Voorne. Na overlijden van Floris werd Hugo beleend met de parochie Putten langs de Striene. Hij overleed tijdens zijn deelname aan de Derde Kruistocht in 1189. Zijn geboortedatum kan op 1145 geschat worden. Zijn (onbekende) dochter moet dan omstreeks 1180 geboren zijn, om kort voor 1213 met Jan Persijn in het huwelijk te treden. Een dochter uit dit huwelijk zou dan omstreeks 1215 geboren moeten zijn. Gezien het feit dat het huwelijk van Floris van Brederode rond 1255 gesloten moet zijn, is deze aanname erg onwaarschijnlijk. Verder is ingebracht dat het huis Ter Doirtoghe bij Huntsele (Honselersdijk) dat voor 1266 in bezit kwam van Floris van Brederode, in Naaldwijk stond en wellicht via een huwelijk met een van Naaldwijk is verworven. Dit lijkt bevestigd door het feit dat Hugo II van Naaldwijk in 1257 met Huntsele is beleend door zijn neef Hendrik heer van Voorne. Bij een geschatte overlijdensdatum van Hugo omtrent 1263 moet het goed Huntsele kort na die tijd num exoris aan Floris van Brederode zijn.

 
van Brederode, Floris (I1339)
 
207

Rond 1060 ontving Robert het graafschap Mortain toen de regerende graaf werd verbannen en zijn titel verloor. Kort daarna erfde hij ook de familiegoederen van zijn vader, rond Conteville. Robert had ook bezittingen in de Cotentin. In 1066 nam hij deel aan de beraadslagingen voor de inval in Engeland. Hij leverde 120 schepen en was een van de aanvoerders in de slag bij Hastings. Als beloning ontving hij van Willem 549 "manors" verspreid over Engeland, en het bestuur over het strategische district Pevensey.

In 1069 versloeg Robert samen met Robert I van Eu de Denen die York belegerden. Robert ontving in 1072 nog een keer 248 manors en de kastelen van Launceston (Cornwall) en Trematon in Cornwall. Robert was meerdere malen actief als rechter in zaken van de hoge adel en geestelijkheid. Aan het sterfbed van Willem de Veroveraar in 1087 pleitte hij voor de vrijlating van zijn broer Odo van Bayeux, die sinds 1082 gevangen zat. Onder invloed van Odo nam hij deel aan de opstand van 1088 tegen koning Willem II van Engeland. Robert verdedigde zijn kasteel van Pevensey gedurende zes weken tegen een beleg door de koning (waarbij Willem van Warenne dodelijk werd gewond) maar moest uiteindelijk opgeven. Robert werd door Willem begenadigd en behield zijn bezittingen en functies.

Volgens bronnen uit zijn tijd was Robert een zware en trage man, maar een dappere aanvoerder waarvan geen wreedheden, misdaden of huiselijke problemen bekend waren. Robert en zijn eerste vrouw werden begraven in de abdij van Grestain, die zijn vader had gesticht.

 
van Mortain, Robert (I6748)
 
208

Samen met zijn tweede echtgenote Eremesinde wordt hij in 1214 graaf van Luxemburg. In 1221 wordt hij hertog van Limburg in opvolging van zijn vader. Zijn grafzerk ligt in de abdijkerk van Rolduc.

 
van Limburg, Walram III (I6693)
 
209

TESTAMENT METJE BURGGRAAFF 14 September 1771. 174

Compareerde voor Jan Stek (in deeze bij absentie vervangende den schout) Jacob van Lakerveld en Jan Schoenmakers, Scheepenen der Heerlijkheijd Meerkerk.

METJE BURGGRAAFF wed. van DIRK GOVERTSE de WIT, wonende alhier, te kennen gevende genegen te zjn om tedisponeren van hare na te laten goederen, mits dien revocerende alle hare voorgaande testamenten, en Codicillen.

Alvorens komende ter finale dispositie zoo prolegateert zij comparante aan hare broeders WOUTER BURGGRAAFF en PEETER BURGGRAAFF, alle het linnen ten hare lijve gehorende.

Nog prolegateert de comparante aan haare zuster JANTJE BURGGRAAFF, huijsvrouw van WILLEM de JONG, en bij vooroverlijden aan dervelve zoon, hare goude ketting zijnde vier streenen swaar, met den gouden boot daer annex.

Item nog aan deselve hare zuster voor de eene helfte, en aan hare twee nichten GEERTJE en ADRIAANTJE BURGGRAAFF, kinderen van wijlen harer broeder ARY BURGGRAAFF, voor de weder helfte, en bij voor overlijden hare wettige descendenten bij representatie, alle hare kleederen mitsgaders het overige goud en silver, ten haren Lijve behooren der komende ter finale dispositie, zoo verklaarde de comparante, in alle hare verdere na te latene goederen, tot hare eenige en universeele Erfgenamen te nomineren en te institueeren, hare voorsz. broeders WOUTER en PEETER BURGGRAAFF. Item hare gemelde zuster JANTJE BURGGRAAFF Ijder voor een vijfde part, alsmede hare voorsz. beijde nichten GEERTJE en ADRIAANTJE BURGGRAAFF, insgelijks voor een vijfde part, Ende de drie kinderen van harer overleden broeder BAEREND BURGGRAAFF, in huwelijk verwekt bij wijlen ANNIGJE ARI+NSE, genaamt PHILIP, ARIE en DILLIAANJE BURGGRAAFF, mede voor een vijfde part en bij voor overlijden hare wettige afkomelingen bij representatiedes dat voor zoo veree ijmand van hare voorn. gestelde Erfgenn voor haar Compte mogten komen te overlijden, zonder wettige descendent, of descendenten na te laten zal Zodanige Erfportie, of portien, moeten gaan aan haar comparante overige genomineerde Erfgenamen, volgens de voorgestelde institutie staakswijse.

 

Verders Stelt, en commiteert de Comparante tot voogden over de minderjarige en toezigt behoevende, die in deze hare nalatenschap mogte werden gecomprehendeert, hare twee neven JAN WILLEMSE de JONG en GIJSBERT van der HAM, beijde wonende in Meerkerksbroek, met zodanige ampele magt als aan voogden, na regten kan en mag worden gegeven, Speciaal met de magt van assumtie en Surrogatie tot den eijnde toe.

Secluderende ten dien zijnde uijt haer comparante boedel en nalatenschap alle Heeren Weesmeesteren, oppervoogden en geregten, zoo hier als elders waer haer Comptes Sterhuijs zal komen te vallen.

Alle het geen voorsz. staat de Compte duijdelij voorgelezen zijnde verklaarde zij het zelve te wezen haer testament begerende dat het daar voor zal werden erkent, en zijn volkomen effect genieten t zij als testament of codicil, zoo en indiervoegen als best konnen bestaan.

Aldus gedaan en gepasseert in den Geregtshuijse te Meerkerk den 14e September 1771.

 
Burggraaf, Metje Philips (I502877)
 
210

vader van Willem de Veroveraar. Hij was de zoon van hertog Richard II van Normandië en Judith, dochter van Conan I van Bretagne.

Na de dood van zijn vader volgde zijn oudere broer Richard hem op als hertog van Normandië terwijl Robert graaf van Hiémois werd. Richard stierf in 1027, hij werd vermoedelijk vergiftigd, en werd opgevolgd door Robert. De plotselinge dood van zijn broer terwijl hij zelf belanghebbende was als erfgenaam, maakte Robert wel verdacht en leverde hem de bijnaam "de Duivel" op. "Robert de Duivel" is ook een figuur uit sprookjes. Robert nam op grote schaal kerkelijke bezittingen in beslag om te verdelen onder zijn vazallen en zo hun trouw te verzekeren. Daardoor kwam hij in conflict met de bisschop van Bayeux en zijn oom Robert de Deen, aartsbisschop van Rouen, maar hij wist hun verzet te breken.

Robert steunde in 1028 Boudewijn IV van Vlaanderen tegen zijn opstandige zoon, Boudewijn V van Vlaanderen en verwoestte het kasteel van Chocques. In de strijd van de toenmalige koning Hendrik I van Frankrijk tegen diens broer en moeder steunde Robert in 1031 de koning, waarvoor deze hem beloonde met het grondgebied van Vexin. In dat jaar bood hij onderdak aan Eduard de Belijder die Engeland was ontvlucht. Een poging om Eduard met een vloot te helpen tegen de Denen in Engeland mislukte door een storm. Robert gebruikte toen de vloot om de hertog van Bretagne te onderwerpen, die probeerde om zich aan de Normandische invloed te onttrekken. Robert stichtte de abdij van Cerisy-la-Forêt, van Montivilliers en die van Sainte-Trinité te Rouen.

Nadat hij zijn zoon Willem tot zijn erfgenaam had aangesteld, ging hij op bedevaart naar Jeruzalem. Volgens de Gesta Normannorum Ducum reisde hij via Constantinopel en werd daar ontvangen door Michaël IV Paphlagon. Hij bereikte Jeruzalem en stierf op de terugreis in Nicea op 22 juli 1035. Robert werd daar begraven in de Maria-kerk. Sommige bronnen schrijven zijn dood toe aan vergif en dateren het op 2 juli. Zijn zoon Willem, acht jaar oud, volgde hem op.
Volgens de historicus William van Malmesbury verzond Willem rond 1086 een gezantschap naar Constantinopel en Nicaea om het lichaam van zijn vader terug te brengen naar Normandië om het daar te begraven. De toestemming om het lichaam mee te nemen werd verkregen, maar tijdens de terugtocht door Apulië (Italië) kwam het bericht dat Willem was overleden. De leden van missie besloten toen het lichaam van Robert in Italië te begraven.

 
van Normandië, Robert II, de Duivel (I6729)
 
211

Vermeld 1445, 1446 en 1450 als landpoorter van Dordrecht in de stadsrekeningen. Zijn erven worden voor 3 morgen resp 3 morgen 1 hont aangeslagen voor de dijkplicht.

 
Giessen, Aernt Lodewijcks (I1111)
 
212

Wala van Corbie (ook Walacho) (rond. 755 - Bobbio, 31 augustus836) was een van belangrijkste adviseurs van zijn neef koning/keizer Karel de Grote, diens zoon Lodewijk de Vrome en zijn zoon Lotharius I.
Wala van Corbie was de zoon van Bernard, een zoon van Karel Martel, en een Saksische vrouw. Wala Hij was gehuwd met Rothlindis (Nederlands: Rodlinde), een dochter van Sint-Willem met de Hoorn, een legendarische middeleeuwse persoon. Deze was hertog van Aquitanië, graaf van Toulouse en ook de eerste graaf van Orange. Het lijkt erop dat Wala in 791 deel nam aan de opstand van Pepijn met de Bult; als gevolg hiervan werd hij verbannen maar keerde snel in de gunst terug van Karel de Grote en hij mocht terugkeren naar het hof. Zijn rol werd na de keizerlijke kroning (800) aanzienlijk. Wala versloeg herhaaldelijk de Saksen en in het jaar 812 versloeg hij een moslimvloot. Wala was benoemd tot graaf van Saksen en werd in het jaar 811 benoemd als paltsgraaf. Vervolgens werd hij samen met zijn halfbroer Adalardus in 812 door Karel de Grote naar Italië gestuurd om op te treden als adviseur van onderkoningBernard van Italië.

 
van Corbie, Saint Quentin, Wala (I999)
 
213

was de zuster van Clovis I, koning van de Franken. Zij trouwde rond ca. 493 n.Chr. (exacte datum onbekend). met Theodorik de Grote, koning van de Ostrogoten van 471 tot 526. Theodorik stuurde een ambassadeur naar Clovis om de hand van Audofleda te vragen.[2] Hierdoor kwam een politieke alliantie tussen Theodoric en Clovis tot stand. Doordat Theoderik zijn dochters liet huwen met de koningen van de Bourgondiërs, de Vandalen en de Visigoten verbond deze zich met alle belangrijke 'barbaarse' koninkrijken in het westen.

Theodoric en Audofleda hadden een dochter, Amalasuntha, die getrouwd was met Eutharik. Amalasuntha had op haar beurt een dochter, Mathesuntha, en een zoon, Athalarik; Amalasuntha regeerde van 526-34 als koningin/regentes van de Ostrogoten.

Audofleda was voorafgaand aan haar huwelijk niet christelijk. Vlak voor haar huwelijk werd zij gedoopt door een ariaanse bisschop.

Volgens Gregorius van Tours, die zo'n vijftig jaar na de dood van Audofleda schreef, werd zij in 526 door haar dochter Amalasuntha vergiftigd, uit wraak omdat Audofleda haar minnaar zou hebben laten ombrengen

 
Merowinger, Aldofleda (I1052)
 
214

was echtgenote van Frederik I van Lotharingen. Na zijn dood was zij vanaf 978 tien jaar lang regentes van Opper-Lotharingen. Zij speelde een actieve rol in de politiek van het Heilige Roomse Rijk en West-Francië.

Beatrix was een dochter van Hugo de Grote (de machtigste edelman van West-Francië) en van Hedwig van Saksen (zuster van keizer Otto I de Grote). Een van haar broers was Hugo Capet, die koning van Frankrijk zou worden. Ze hoorde dus tot de hoogste adel van West-Europa. In 951 werd ze verloofd met Frederik, die als belangrijke edelman in Opper-Lotharingen een waardevolle alliantie voor haar vader was. Ze trouwden in 954 of 955 toen Beatrix meerderjarig werd. Als bruidsschat bracht ze de Lotharingse bezittingen (onder andere Saint-Mihiel) van de abdij van Saint-Denis in Parijs mee. Dit vormde de kern van het latere graafschap Bar.

Na het sneuvelen van haar man in 976 tegen Lotharius van Frankrijk was ze regentes voor haar minderjarige zoon Diederik en noemt zichzelf “dux” (hertog). Ze koos partij tegen Lotharius en voor de keizerin-weduwe Theophanu en keizerin-moeder Adelheid. Daardoor werd ze automatisch tegenstander van hertog Hendrik II van Beieren. Haar steun aan Otto III was doorslaggevend voor zijn keuze tot koning. Als tegenprestatie werd haar zoon Adalbero tot bisschop van Metz benoemd. Beatrix voerde een actieve diplomatie naar het keizerlijk hof en West-Francië en speelde een belangrijke rol in de vreedzame oplossing van de opstand van Hendrik van Beieren (die zijn hertogdom behield) en de oorlog met Lotharius. In 985 bereikt ze via haar broer Hugo de vrijlating van haar zoon Diederik die in Verdun gevangen was genomen. In 987 trad ze terug als regentes en werd Diederik hertog van Opper-Lotharingen. In de praktijk hield ze nog veel macht in handen en hierdoor ontstond een conflict met haar zoon, Diederik. Die heeft haar zelfs opgesloten in een abdij om zo de werkelijke overdracht af te dwingen, maar onder druk van de paus moest hij haar weer vrijlaten.

Beatrix voerde een correspondentie met Gerbert van Auriallac, een bekende wetenschapper en geestelijke, die later als Silvester II paus zou worden. Naast Diederik en Adalbero kregen Frederik en Beatrix nog een zoon Hendrik, die ca. 975 is overleden.

 
Capet, Beatrix (I6913)
 
215

was een zoon van hertog Frederik I van Lotharingen en van Beatrix van Frankrijk, zuster van Hugo Capet. Hij was hertog van Opper-Lotharingen en graaf van Bar van 978 tot 1027, in opvolging van zijn vader. Tot 987 was zijn moeder regentes, ondanks dat Diederik toen al minstens 20 moet zijn geweest en volgens de gewoonten van die tijd was een vorst met 16 meerderjarig en in staat om zelfstandig te regeren. Diederik zou mogelijk zijn moeder hebben laten opsluiten in een klooster teneinde eigenhandig te kunnen heersen. Feit is dat ze na 989 niet meer vermeld wordt. Andere geruchten fluisteren zelfs over pogingen haar te vergiftigen.

In 985 belegerde hij Verdun dat door Franse troepen was bezet en werd daarbij gevangengenomen. Hij werd vrijgelaten maar enige tijd later zwaargewond gevangengenomen door paltsgraaf Ezzo van Lotharingen in het conflict tussen keizer Hendrik II en de Luxemburgers over Metz. Diederik werd in Ezzo's kasteel Tomburg opgesloten en moest zich voor een groot bedrag vrijkopen. Ook werd Diederik nog een keer door de Bourgondiërs gevangengenomen. Hij voerde wel een succesvolle campagne in de Champagne tegen Odo II van Blois toen die de stad Toul aanviel. In 1024 maakte Diederik op tijd de keuze voor koning Koenraad II en behield zo zijn titels. In de laatste jaren van zijn bestuur deelde hij zijn taken met zijn zoon Frederik maar die overleed al in 1026, voor Diederik.

 
van Lotharingen, Diederik I (I6910)
 
216

was koning van de Ostrogoten. Hij volgde zijn vader Theodemir op in 474 en regeerde tot aan zijn dood. Keizer Zeno benoemde hem tot consul in 484, en aldus heerste hij over een gedeelte van Italië. Hij trachtte de Romeinse bevolking te assimileren in zijn eigen van oorsprong Germaanse volk, maar dit mislukte omdat de Romeinen ver in de meerderheid waren ten opzichte van de kleine bovenlaag Gotische heersers. Hij was ook bekend onder de naam Diederik van Bern (naar zijn zomerresidentie Verona).

Theodorik bracht een gedeelte van zijn jeugd door als gijzelaar aan het hof in Constantinopel. Zijn vader wist daarmee de Oost-Romeinse keizer Leo I een garantie te geven dat hij het verdrag met de keizer zou respecteren. Tijdens deze periode leerde Theodorik veel over de Romeinse gebruiken en krijgskunst. Als jongeman was hij aanwezig bij diverse veldtochten die zijn vader voerde. In 469 werden de Gepiden overwonnen in de Karpaten tijdens de slag aan de Bolia. Het Romeinse Moesia werd in 471 bezet en Theodorik zelf leidde een aantal gevechten tegen Theodorik de Oudere. Verder viel Theodorik later als generaal van het Oost-Romeinse Rijk een aantal malen Italië binnen.

In 476 had de Germaanse huurlingenleider, Odoaker de laatste West-Romeinse keizer afgezet, wiens West-Romeinse Rijk alleen nog bestond uit de oude kernprovincie Italia, en zichzelf uitgeroepen tot koning van Italië. Odoaker zond de keizerlijke regalia naar Zeno in Constantinopel, waarmee Odoaker zichzelf onderwierp aan Zeno en de titel "Rex" aannam, wat 'Koning' betekent.

Zeno gaf in 488 Theodorik toestemming om met zijn Ostrogoten Italië binnen te vallen. Theodorik probeerde dit verschillende malen, maar werd steeds terug gedreven door de legers van Odoaker. Uiteindelijk kreeg hij vaste voet in Italië. Hij versloeg de troepen van Odoaker, eerst in augustus, aan de Isonzo, en daarna, in september bij Verona. Uiteindelijk veroverde Theodorik in 493 Ravenna en maakte het tot hoofdstad van zijn rijk. Ondanks dat Theoderiks veldslagen succesvol waren had hij een list nodig om Odoakar uit de weg te ruimen. Op een zogenaamd vredesbanket liet hij hem verraderlijk vermoorden waarmee hijzelf de heerser van Italië werd.

Het Ostrogotische rijk strekte zich nu uit van Sicilië tot Dalmatië. Ondanks zijn Germaanse wortels werd Theodorik door zowel Romeinen als Goten als koning erkend. In Theodoriks rijk leefde ieder volk onder diens eigen wetten.

Zijn mausoleum en de Basiliek van Sant'Apollinare Nuovo zijn nog altijd te bezichtigen in Ravenna.

 
de Grote, Theodorik (I6903)
 
217

was vanaf 1061 de eerste graaf van Limburg die met zekerheid genoemd kan worden. Tevens was hij graaf van Aarlen en voogd van de abdij van Sint-Truiden. Walram wordt soms beschouwd als bouwheer van het slot Limburg, doch deze mening is vooralsnog niet verenigd kunnen worden met het feit dat bedoelde burcht zich in 1085 nog in handen bevond van paltsgraaf Herman II van Lotharingen.
Walram was zoon van Walram van Aarlen (ca.991 – 1052) en de kleinzoon van Hendrik van Worms (970 – 991) en van Adela, dochter van Diederik I van Lotharingen. Hij huwde met Jutta, dochter van Frederik van Luxemburg, Hertog van Neder-Lotharingen en Gerberga van Boulogne.
Zijn zoon Hendrik I (Volgt 2), die hem opvolgde als graaf van Limburg, zou in 1101 hertog van Neder-Lotharingen en markgraaf van Antwerpen worden, mede dankzij de verwantschappen via zijn moeder en grootmoeder.

 
van Limburg, Walram I (I6700)
 
218

Willem was zoon van Vikingkoning Rollo en Poppa van Bayeux, vermoedelijk dochter van markies Berengar van Neustrië, en christen. Willem volgde zijn vader al kort voor diens overlijden in 928 op, omdat die niet meer in staat was om te regeren, als jarl van de Vikingen aan de monding van de Seine. Als graaf van Normandië (Normandië werd pas later tot een hertogdom gemaakt) huldigde hij de koning van West-Francië. Hij steunde de Vikingen van de Loire tegen Bretagne, wat er uiteindelijk toe leidde dat Bretagne onder gezag van Normandië kwam te staan. Rond 931 moest hij een opstand neerslaan van Noormannen die vonden dat Willem te veel was verfranst. In 935 sloot hij een politiek huwelijk met Liutgard van Vermandois, een dochter van Herbert II van Vermandois. Hij steunde in 936 de kroning van Lodewijk IV van Frankrijk maar koos al snel de kant van Hugo de Grote, en nam met hem deel aan de belegering van Reims en Laon. In 939 steunde Willem Herluinus II van Ponthieu die werd aangevallen door Arnulf I van Vlaanderen. Willem heroverde de strategisch gelegen stad Montreuil, die door Arnulf was bezet, en Herluinis huldigde Willem als zijn heer en stelde de Ponthieu onder zijn bescherming. Arnulf nodigde in december 942 Willem uit voor onderhandelingen te Picquigny. Daar aangekomen werd Willem echter door het gevolg van Arnulf vermoord, vermoedelijk door Arnulfs geadopteerde zoon (en onechte neef) Boudewijn van Cambrai.

Willem is een sleutelfiguur in de consolidatie van Normandië als feodaal vorstendom. Hij deed schenkingen aan de abdij van Mont Saint-Michel. Hij herbouwde de abdij van Jumièges omdat hij daar zijn oude dag wilde doorbrengen. Na zijn dood werd op zijn lichaam een sleutel gevonden van een kist waarin de stof voor een monnikspij bleek te zitten. Willem werd opgevolgd door zijn zoon Richard I van Normandië. Het lichaam van Willem Langzwaard ligt begraven in de kathedraal van Rouen.

Willem was volgens de more danico getrouwd met Sprota, een Bretonse, die hem zijn zoon Richard schonk. De "more danico" was het gewoonterecht van de Vikingen waardoor een man met meerdere vrouwen tegelijk getrouwd kon zijn, dit was dus geen kerkelijk huwelijk. Sprota hertrouwde met een rijke molenaar.

 
van Normandië, Willem I, Langzwaard (I6739)
 
219

woont in 1569 in Tienhoven; schepen in 1583. Taxateur van Ameide. Geboren circa 1530. De Jonge Jan Berndt in Tienhoven dagvaardt Cornelis Florisz (1560) als borg voor de erfgenamen van Jan Meeusz.
Jan Jan Berntsz vermeld (1564) als belender van zeeckere bouwinge met huys, berg, schuyr en landen onder de gerechte van Tienhoven, oostw. Schalck Dircxsz met zijn .. en westw. Jan Jan Berntsz. naastgeland zijn (..?) genaamd de Hoenderkamp, noordw. de Thiendweg en zuidw. Claes Petersz Rouck.
100e penning: 4-2-1570, Johan Jansz. Berntsz. vermeld als taxateur van Ameide en Tienhoven.
Idem: 5-2-1570, bijlage folio 3, Johan Jan Berntsz. gebruikt 11 morgen 2 hont eigen land en 9 morgen 2 hont op Aextervelt.
Govert Splintersz. transp. aan Jan Jansz. Buerman grond in Tienhoven, strekkende van de Koeckoeckswiert zuidw tot de halve sloot van de Hoendercampen (?) oostw naast gelegen zijn Jan Jans Berntsz en westw die erfgenamen van zalgr. Lambert Jacobsz. met haar medewakers.
Idem 27-1-1572
Bijschrift in de marge: Deze rentebrief (van 347 car. g.) is gecasseerd bij believen van Adriaen Aertsz en Dirck Damen als erfgenamen ende dat vermits Jan Jan Bernetsz als koper van de voorn 5 morgen de voorn erfgenamen twee nieuwe brieven verleden en gepasseerd heeft, de een van 189 car. g. 10 st. ende andere van 157 car. g. 10 st. op datum van 1-5-1586. Gevestigd op 5 morgen land (gelegen achter Tienhoven, strekkende van Sybert Florisz. dwarssloot zuidw tot de vogelsloot toe oostw naast gelegen de kleine wetering ende (westw ?) de erfgenamen van Jan Gijsbertsz. en Dirck Gijsbertsz.
Idem 19-5-1572
Ariaen Jansz. Vermaet transporteert aan zijn broer Pieter Jansz. Vermaet 2 morgen en een half hont land gelegen achter Jan Berntsz. in Tienhoven gemeen met Cornelis Gerritsz. zijn zwager, strekkende van Jan Berntsz. zijn dwarssloot zuidw tot de Tiendweg toe, oostw Jan Berntsz. en westw Dirck Erstensz, tot Schoonhoeven. Zoon van Jan Berntsz (zie VI).
Gehuwd circa 1555 met Gheertgen Pieter Adriaensdr, overleden na 1569 te Tienhoven.

 
Berntz, Johan Jans (de Jonge) (I3220)
 
220

Ze behoorde vermoedelijk tot de Deense adel in Normandië. Soms wordt haar broer Herefast de Crepon ten onrechte als haar vader gezien.

Ze woonde bij haar zus Seinfreda, de vrouw van een lokale bosbeheerder, toen Richard, die in de buurt op jacht was, van de schoonheid van de vrouw van de bosbeheerder hoorde. Men zegt dat hij Seinfreda zou hebben bevolen met hem het bed te delen, maar Seinfreda stuurde haar ongetrouwde zuster, Gunnora, in haar plaats. Richard was, naar men zegt, achteraf blij dat hij op deze wijze gered werd van de zonde van het plegen van overspel, maar dat lijkt achteraf gepraat. In ieder geval viel de gok van Seinfreda goed uit. Gunnora en Richard werden geliefden. Gunnora fungeerde lang als minnares van Richard volgens de Deense gewoonte, maar toen dit Richard veel later verhinderde hun zoon Robert voor te dragen als aartsbisschop van Rouen, trouwden de twee alsnog, waardoor hun kinderen in de ogen van de kerk gewettigd werden.

Na het overlijden van Richard speelde Gunnora een belangrijke rol in het bestuur van Normandië. Naast haar kinderen kregen ook haar neven belangrijke posities. Verschillende van de meest prominente Normandische magnaten in het Engeland van na 1066, met inbegrip van de Montgomery, Warenne, Mortimer, Vernon/Redvers, en FitzOsbern families, waren afstammelingen van haar broer en zusters.

Gunnora stierf op ongeveer tachtigjarige leeftijd.

 
Gunnora (I6738)
 
221

Ze is de dochter van graaf Willem VI en Margaretha van Bourgondië. In 1406 werd zij op 5-jarige leeftijd uitgehuwelijkt aan de Franse prins Jan van Touraine. In 1415, toen zij 14 was, werd dat huwelijk voltrokken in Den Haag. Kort daarop overleed Jans oudere broer Lodewijk van Guyenne, waarna Jan de Dauphin van Frankrijk werd, en Jacoba dus Dauphine, oftewel: kroonprinses. In 1417 overleed echter ook Jan van Touraine en werd Jacoba weduwe. Enkele maanden later overleed ook haar vader graaf Willem VI van Holland.

Jacoba volgde haar vader op zestienjarige leeftijd op, maar haar oom, de Luikse bisschop Jan VI van Beieren, had ook zijn oog laten vallen op de erfenis van graaf Willem VI. Hij werd hierin gesteund door de Duitse keizer Sigismund, die verdere invloed van de Bourgondische hertogen in zijn gebieden wilde voorkomen. Jacoba, gesteund door haar moeder Margaretha van Bourgondië zocht haar steun bij Jan zonder Vrees, de hertog van Bourgondië en broer van Margaretha. De strijd tussen Jacoba en Jan betekende tevens een oplaaiing van de Hoekse en Kabeljauwse twisten. Onder Jacoba's leiding behielden de edellieden die onder Willem VI gediend hadden hun positie, zij behoorden tot het Hoekse kamp. Daarentegen werd Jan VI van Beieren door de

Om haar machtspositie te versterken trouwde Jacoba in 1418 met haar neef in de vierde graad Jan IV van Brabant. Ze kreeg hiervoor toestemming van paus Martinus V. Jan VI van Beieren en zijn partijgenoten protesteerden tegen dit huwelijk. Onder druk van keizer Sigismund werd de pauselijke toestemming later ingetrokken. Na het Beleg van Dordrecht en omdat hij zijn financiële verplichtingen niet kon nakomen, verpandde Jan van Brabant het grondgebied van Jacoba voor 12 jaar aan haar vijand Jan van Beieren. De Zoen van Woudrichem, een vredesverdrag tussen Jacoba van Beieren en Jan VI van Beieren, werd ondertekend op 13 februari, 1419. Jacoba liet hierop het huwelijk ongeldig verklaren en vertrok in 1421 naar Engeland, waar zij in 1423 in het huwelijk trad met Humphrey van Gloucester, zoon van koning Hendrik IV van Engeland.

Samen met Humphrey ging zij met een leger in 1424 terug naar Henegouwen om de strijd op te nemen tegen haar ex-echtgenoot Jan van Brabant, die gesteund werd door Filips de Goede, hertog van Bourgondië. Het escaleerde in een persoonlijke ruzie tussen Filips de Goede die een duel wilde uitvechten met Humphrey. De koningen van Engeland en Frankrijk vonden dat beide royals zich niet tot z'n duel moesten begeven, Filips bleef echter strijdvaardig, maar Gloucester besloot eind april er toch vanaf te zien. Jacoba bleef achter in Henegouwen. Vervolgens begon de Inname van Henegouwen (1424-25) en moest zij zich overgeven en werd in Gent gevangen gezet. Gloucester steunde zijn vrouw nog wel met Engelse troepen in de Slag bij Brouwershaven in 1426, maar het huwelijk werd al snel daarna ontbonden. 

 
van Beieren, Jacoba (I485)
 
222

Ze staat bekend als de opdrachtgeefster van de graftombe van de heren van IJsselstein, het grafmonument voor haar ouders en grootouders in de Sint-Nicolaaskerk in IJsselstein

Guyote van IJsselstein werd geboren als oudste dochter van Arnold van IJsselstein en Maria van Avesnes. Uit dit huwelijk werden nog twee jongere zussen geboren, Catharina en Bertha. Omdat uit het huwelijk geen zoons werden geboren, erfde Guyote in 1364 de grafelijke lenen van haar vader, waaronder het slot IJsselstein.

Guyote trouwde op 20 mei 1330 met Jan I van Egmond. Ze kregen samen naar verluidt tien kinderen, vijf dochters en vijf zonen. Hun dochter Maria van Egmond trouwde met Philips IV van Wassenaer. Na haar overlijden erfde zoon Arend van Egmond het slot en bijbehorende rechten van zijn moeder in 1374.

 
van IJsselstein (van Amstel), Guyote (jutta) (I1344)
 
223

Zij werd na Willems overlijden non te Ottenbach en is daar overleden op 87-jarige leeftijd. Uit zijn huwelijk zijn geen kinderen bekend

 
van Oppikon, Regula (I6803)
 
224

Zij werd vernoemd in 1300 en 1305 in testament van haar zuster Alverade en op 25-7-1333 vermeld in het necrologium van Egmond als Alijdis Domona de Wijck, haar neef Hendrick van Brederode was haar erfgenaam echter hij verkocht zijn rechten aan Jan van Polanen zo werd vermeld in 1297. als weduwe ontving zij van Gerrit Wouters een Jaarsom van de Graaf in 1330 Ned.Leeuw van 1926 blz.239

 
van Brederode, Aleit Uter Wike (I6833)
 
225

[ORA Etten-Leur R260, folio 54 verso, Bartholomei 24-08-1470:,
Lambr ende Adriaen gebruederen elc voer hemselven, Thonis Lam Taxsz wett. sonen ende Johanne huer zuster oec Thonis Lam Taxsz dochter met Jacop Sterken huer witt. man ende voecht etc. kenden en liden dat Cornel. Thonis Lam Taxsz huer brueder tegen hen witt. gedeelt is op alsulken rechte, heissche en gebreken als (elken van hen drien aengestorven mogen wesen van huer vader voersz. Die zij ende elc van hen te heischen hebben op Gertruyd huer stiefmoeder die; doorgehaald) die voirsz. Lambr ende Johanne zijn zuster te heysschen hadden op Gertruyd huer stiefmoeder en op huer kinder oec op die heysschen en gebreken die die voirsz. Adriaen noch tachter ende in gebreke was aen dselve Gertruyd kinderen welke gebreken ruerende sijn van huer dode zuster d' van Adriaen voirt dingtale g tuert(?) heeftopte voirsz. Gertruyt sine stiefmoeder d huer sijn gedeelte d'af met recht aggewonnen heeft Ende dat zij daertegen wel wel verlyct sijn met andere goederen d zi mede te vreden sijn. (volgt een akte "des anderen dages na Btolomei LXX"),

 
Tack, Anthonius Lambertsz (Thonis) (I3038)
 
226

Nickname: alias "de Wael".

He maried Anna de Wael, daughter of a dutch noble family, and took her last name "de Wael" to his last name. Owned large properties in Monnickendam and Waterland. Was in his time influencial and wealthy landowner.

 
Buijes, Klaas Pieterz. (I6614)
 
227

Anna de Wael was named after her Grandmother barones Anna Wylich zu Pröbsting. She inherited large landplots in Waterland. Her father maried Maria van Wylich when he was 50 years old and her Mother, Maria was 25. Aldolph died when Anna de Wael was 14 years old.

Staatsarchiv Münster, Gesammtarchiv von Landberg-Velen, Bestand Haus Pröbsting.

 
de Wael, Anna (I6615)
 
228

Achter hen de boerderij waar zij woonden. Links met de grotere ramen het gedeelte dat werd bewoond door hun kinderen en later werd verhuurd. Het tussenstuk met de kleinere ramen werd bewoond door Derk en zijn vrouw.

 
Hilbrands, Derk (I895)
 
229

 4x Schepen 1728-51, Comm.Kl.Zaken 1725, Voogd Ziekenhuis 1732-72, Ouderling 1731, 1739 Luitenant Schutterij I 1732, Kapitein 1754, woonde Nieuwe Haven

 
Druijff, Fredrik Jansz (I1278)
 
230

 

Volgens John Ooms

Herman huwde met Irmgard van Namen (Zie Stamreeks Karel de Grote nr. 10), dochter van Albert II van Namen (Zie Graven van Namen nr. 4) en Regelindis van Lotharingen. Zij kregen de volgende kinderen:

– Hendrik I van Cuijk (overleden voor 9 augustus 1108). (Volgt 2)

– Andries van Cuijk (overleden 1139), bisschop van Utrecht.

– Godfried van Cuijk (overleden voor 1138).

 

Volgens wikipedia en raymond de waal website. Zij kregen de volgende kinderen:

Herman huwde met Ida, dochter van Eustaas II van Boulogne.[1]

Hendrik I van Cuijk (+ voor 9 augustus 1108)

Andries van Cuijk (+ 1139), bisschop van Utrecht.

Godfried van Cuijk (+ voor 1138)

 

Het bestaan van deze dochter werd door historici lang betwist, maar Coldeweij bewees het tegendeel in zijn studie over de heren van Cuijk. Het is zeker dat Godfried van Bouillon een zuster had die ca. 1080 getrouwd was met Cono van Montaigu (†1106). Voor de graaf van Montaigu was het zijn tweede huwelijk, want hij was voordien gehuwd geweest met Ida, dochter van de heer van Voeren. Volgens Coldeweij was deze Ida ca. 1070 al getrouwd geweest met Herman van Malsen, graaf in Teisterbant en stamvader van de familie van Cuyck.

 
de Boulogne, Ida (I6636)
 
231

 Rooms-keizer van 817 tot 855. Tot 840 regeerde hij samen met zijn vader. Hij was koning van Italië van 818 tot 855 en koning van Midden-Francië van 840 tot 855. Hij probeerde om als keizer het oppergezag over het gehele Frankische Rijk te behouden maar moest na de dood van zijn vader uiteindelijk instemmen in een deling met zijn broers. De regio Lotharingen is naar hem genoemd.

 
van Frankrijk, Lotharius (I1271)
 
232

 Anna was de dochter van hertog (vanaf 1547: keurvorst) Maurits van Saksen en zijn vrouw Agnes van Hessen. Omdat haar jongere broer Albrecht (1545 - 1546) al jong stierf, groeide zij op als enig kind. Anna had een handicap aan haar schouder.
Toen haar vader in 1553 overleed en haar moeder twee jaar later hertrouwde, woonde Anna bij twee zusters van haar moeder in Weimar. In 1555 overleed ook haar moeder en Anna ging wonen aan het hof van haar oom August in Dresden.
Aangezien zij de enige erfgename was van haar vader, gold zij in die tijd als een rijke vrouw die in de belangstelling stond van de internationale vorstenhuizen. Zo dong in 1556 Erik, zoon van de Zweedse koning Gustaaf Wasa, al naar haar hand en twee jaar later Willem van Oranje. Laatstgenoemde was vooral geïnteresseerd in de rijkdommen en de steun die hij zou verwerven van Saksen, Hessen-Kassel en de Palts.
Toch bestond er binnen Anna’s familie weerstand tegen het aanzoek van Willem van Oranje. Op de eerste plaats meende men dat er sprake was van standsverschil – Anna zou betere partijen kunnen krijgen – en op de tweede plaats was het ontbreken van financiële middelen bij Oranje zorgwekkend, vooral in het geval de prins onverhoopt zou komen te overlijden, waardoor Anna opgezadeld zou blijven met de schulden. Uiteindelijk zou Willems betrokkenheid bij de strijd van de protestanten de doorslag geven en de weg openen voor zijn tweede huwelijk.
Na de bepaling van de bruidsschat op 100.000 daalders werd op 24 augustus 1561 in Leipzig het huwelijk gesloten en een week later vertrok het paar naar de Nederlanden.
Het huwelijk tussen Anna van Saksen en Willem van Oranje was slecht en op 14 december 1571 werd Anna gedwongen in te stemmen met een scheiding. Anna werd vervolgens krankzinnig verklaard. Haar kinderen werden haar afgenomen en de resterende tijd van haar leven bracht ze door in een dichtgemetselde kamer in het paleis van de Saksische keurvorst in Dresden. Ze stierf daar aan uitputting. Ze ligt in Meißen begraven.

 
van Saksen, Anna (I447)
 
233

 heer van Arkel uit de eerste generatie van het huis van Arkel. Hij was een zoon van Jan III van Arkel en Adelheid van Heusden. Er is maar weinig bekend over Jan IV’s regeerperiode. Hij neemt mogelijk deel aan de diverse acties tegen de Friezen in 1132 en 1133. Hij huwde met (Aleidis) van der Aare

 
van Arkel, Jan IV (I3197)
 
234

 Hij komt in 1176 voor in een geschrift van Boudewijn, de proost van het kapittel van Sint-Marie te Utrecht. Het zou hier kunnen gaan om een schuld die zijn vader nog had uitstaan. In 1178 komt hij nog voor in een getuigenis van bisschop Godfried van Rhenen. In 1188 komt hij het laatst voor en wordt hij in een oorkonde van de Utrechtse bisschop Boudewijn II van Holland onder de getuigen vermeld, onmiddellijk na graaf Floris III van Holland

 
van Amstel, Gijsbrecht I (I1741)
 
235

 Hij trouwde op 7 november 1597 met Emilia van Nassau (Keulen, 10 april 1569 - Genève, 16 maart 1629). Zij was een dochter van Willem van Oranje en Anna van Saksen.
Het huwelijk was felomstreden. Emanuel was rooms-katholiek, terwijl Emilia afkomstig was uit een calvinistische familie, die niets zag in een gemengd huwelijk. Hierop besloten de verloofden zich in het geheim te laten trouwen door een rooms-katholieke priester. Toen Emilia’s familie daar lucht van kreeg (waarbij vooral haar broer Maurits zich hevig tegen het huwelijk had verzet) werd zij onder huisarrest geplaatst, waarna Emanuel besloot naar Wesel te vluchten. In december 1597 lukte het Emilia zich te verenigen met haar echtgenoot.

 
van Portugal, Emanuel (I501400)
 
236

 klooster Schwarzach am Main), voor 814 abdis van Argenteuil

 
Karolingen, Theodrada (I792)
 
237

 kwam met schip Kasteel van Medemblik terug uit Batavia onder begeleiding van chirurgijn Claes        Schouten in dec 1671, Notaris, Comm.Echt.St 1693, 1719, Comm.Echt.St 1694- 1719, woonde Breedstr

 
Druijff, Jan Cornelisz (I1274)
 
238

 Lakenkoopman, Comm.  Echt.St 1622-65, Diaken 1624, 12x Ouderling 1627-61, Luitenant Schutterij H 1619, Kapitein 1635, woonde Westerstr, gehuwd op 17-6-1612 met Sijtje Albertsdr Brouwer, *28-9-1586En, +15-11-1638 En Zz-253, woonde Venedie, dochter van Albert Lucasz Brouwer en Neel Jacobs

 
Druijf, Olfert Frederiksz (I696)
 
239

 Raad 1611-40, 5x Schepen          1604-17, 14x Burgmr 1619-40, 9x Voogd Ziekenhuis 1601-14, Weesmr 1620, Kapitein          Schutterij D 1613, woonde Nieuwedijk

 
Brouwer, Lucas Albertsz (I2519)
 
240

 stamvader van de "Ottoonse linie" van het Huis Nassau

 
van Nassau, Otto I (I427)
 
241

 werd in 908 vermeld als graaf van de Lommegouw, dat nadien Namen zou worden genoemd. Zijn ouders zijn onbekend maar hij was een verwant van Berengarius I van Friuli, wiens vader uit Cysoing afkomstig was. Hij was gehuwd met Symphoria van Henegouwen, een dochter van de Henegouwse graaf Reinier I van Henegouwen. Hij steunde zijn zwager Reinier II van Henegouwen tegen diens broer Giselbert II van Maasgouw, die dus ook zwager van Berengarius was

 
de Namur, Berengarius (I1263)
 
242

 woonde in huis ’t Harten Hooft op Breedstr

 
Hartshooft, Jan (I2514)
 
243

 woonde Leliegracht A’dam

 
Rietveld, Johanna (I1279)
 
244

1.10.1351: Jan, bisschop van Utrecht, beleent Mechteld, vrouwe van Beverweerd, met een viertel land bij Eiteren over de IJssel met een daaraan grenzende kil, na opdracht door haar echtgenoot heer Otte van IJsselstein, ridder.
Mechteld van Zuilen, weduwe van Otto van IJsselstein, tr. voor 7.8.1354 Zweder van Vianen, overleden voor 1403 . 1.10.1351: Jan, bisschop van Utrecht, beleent Mechteld, vrouwe van Beverweerd, met een viertel land bij Eiteren over de IJssel met een daaraan gernzende kil, na opdracht door haar echtgenoot, heer Otto van IJsselstein, ridder . 27.2.1356: Everard van den Rijn, knaap, verklaart dat Zweder van Vianen en zijn vrouw Mechteld van Beverweerd het erf te Jutphaes, waarmee Mechteld Everards vrouw Agnes heeft beleend, afgelost hebben, en belooft hun de leenweer van het goed kwijt te schelden, wanneer zij dat wensen .

 
van Zuijlen, Mechteld (I6391)
 
245

15e-eeuwse Hollands edelman uit het geslacht Wassenaer, die in de Hoekse en Kabeljauwse twisten aan de zijde der Hoeken stond.

Hij was in 1420 burggraaf van Leiden, toen die stad op 24 juni van dat jaar belegerd werd door troepen van Jan van Beieren. Op 17 augustus 1420, na een belegering van twee maanden, gaf de stad zich over aan Jan van Beieren. Burggraaf Philips van Wassenaer werd van al zijn ambten en rechten ontheven en sleet zijn laatste jaren in gevangenschap. Philips IV was een zoon van Dirk III van Wassenaer en Machteld Oem. Hij was gehuwd met Maria van Egmond - een dochter van Jan I van Egmont - met wie hij drie zonen had

 
van Wassenaer, Philips IV (I6229)
 
246

1st owner of the land of Arkel

 
van Arkel, Ridder, Service of Dagobert, King of France Jan (I1725)
 
247

proost van de Sint-Lambertuskathedraal in Luik en bisschop van Utrecht

Andries stamde uit het bekende Stichtse adellijke geslacht Van Cuijk. Hij was de tweede zoon van Herman van Malsen en Ida, de dochter van Ida van Lotharingen. Als jongere zoon koos hij voor een geestelijke loopbaan.

Hij wordt van 1096 tot 1118 vermeld als aartsdiaken van Kempenland. Hij was in die periode tevens proost van het Sint-Pieterskapittel te Luik (vanaf 1112)[bron?] en proost in Emmerik. Vanaf 1119 was hij proost van het Sint-Lambertuskapittel. Van 1121 tot 1123 was hij waarnemend bisschop van Luik.

In 1128, waarschijnlijk in mei of juni, werd hij bisschop van Utrecht. Hij was de eerste bisschop van Utrecht sinds het Concordaat van Worms in (1122), waarmee de investituurstrijd tussen de keizer en de paus over de bisschopsbenoemingen werd beslecht in het voordeel van de paus. De nieuwe bisschop steunde de Gregoriaanse ideeën en begunstigde het kloosterleven.

De familie van Andries raakte betrokken bij de moord op Floris de Zwarte, de broer van graaf Dirk VI van Holland (1133) en ondanks het feit dat de Utrechtse ministerialen zich in hetzelfde jaar tegen hem keerden, bleef hij bisschop tot aan zijn dood.

 
van Cuijk van Malsen, Andries (I6633)
 
248

Nederlands acteur, decorontwerper, toneeldirecteur en -regisseur. Zijn kenmerken als regisseur waren een primair literaire belangstelling, constructivistische decors, accentuering van het ritme, fysieke prestaties van de spelers en autonomie van de regisseur. Hij was een der belangrijkste Nederlandse toneelleiders tussen 1920 en 1970.

De Meester begon zijn loopbaan in 1918 als toneelspeler, was als speler en regisseur van 1924 tot 1929 werkzaam bij het Vlaamsche Volkstooneel te Brussel en vervolgens in deze en andere functies bij het Residentie Tooneel in Den Haag en de Nederlandse Comedie in Amsterdam. Ook was hij actief als televisieregisseur in Nederland en België en zette hij zich jarenlang in voor het studententoneel. Hij beëindigde zijn actieve loopbaan in het begin van de jaren zestig, maar bleef nog jarenlang incidenteel spelen en regisseren.

 
de Meester, Johan (I2593)
 
249


RA Schepenen Klundert op 30-10-1624 laten zij een testament opmaken.
In het boek" "Zij die naar Zevenbergen kwamen" van A. Hartmans is vermeld.
Michiel Andries Michiels van der Donck een lackenkoper tot Breda,. d.d.16-7-1624.
Bron: Weeskamerarchief Inv. nr. 520.
Christiaen Michiels Verdonck, ook voor de weeskinderen van zijn broer
Claes Michiels Verdonck. Ze zijn genoemd in samenhang met de namen Claes Cornelis van Putten wonende op de Henberck alias Haansberg inder Etten en
Meeus Cornelis een schipper te Zevenbergen. Drie woningen zijn in het geding. Deze behoorden vroeger aan Abthonis een timmerman wonende aan de noordzijde van de Havenkant en verkocht voor Fl.550,--
Bron Oud Rechterlijk archief Zevenbergen Invnr. 180 d.d.1622
 
Michiel is vermeld onder kwartierstaatnr. 1236 in de kwartierstaat van Frijters, gepubliceerd in Het genealogisch Tijdschrijft voor Midden- Westbrabant en Bommerwaard nr. 1 in 2004.

Is op 21-12-1573 vermeld als onbejaard.

 
Verdonck, Michiel Adriaensen (I5799)
 
250

Vermeld als gezworenen van Gherijt Henricxsoens Ambacht (5 Mrt 1482). Hij zegelt met drie ketelhaken, wordt 16 maart 1487 beleend met het recht van visserij en vogelarij in het land van Lodewijck van Ghiessen in het ambacht van Oost-Barendrecht.
Hij was gehuwd met Soetke Willemsdr Wijt

 
van Ghiessen, Lodewijck Aertsz (I1241)
 

      «Prev 1 2 3 4 5 6 7 8 9 ... 21» Next»