Notes


Matches 151 to 200 of 1,095

      «Prev 1 2 3 4 5 6 7 8 ... 22» Next»

 #   Notes   Linked to 
151

Eeuwout Wouterse Verduijn was schepen van ’s-Gravenambacht, heemraad van het land van Pernis, gewezen schepen van het Oude Land van Pernis en schout van Pernis.

 
Verduijn, Ewout Woutersz (I6946)
 
152

Er is enige onzekerheid over zijn geboortedatum. Sommige historici suggereren dat hij geboren zou zijn in 1030, zodat hij 19 was in plaats van 14 toen William hem bisschop maakte van Bayeux in het jaar 1049.

Hoewel Odo geestelijke was, is hij vooral bekend geworden als krijger en staatsman. Hij ronselde schepen voor de invasie van Engeland en was aanwezig bij de Slag bij Hastings. Omdat hij een geestelijke was, mocht hij geen bloed vergieten en daarom vocht hij dus met een soort van knots die je ook op de gegeven afbeelding kan zien. Hij heeft dus geen bloed vergoten. Wel heeft hij enkele vijanden een paar gebroken armen, benen of ribben opgeleverd.

In 1067 werd Odo graaf van Kent. Bij sommige gelegenheden, wanneer Willem afwezig was, diende hij als de facto regent van Engeland, en soms leidde hij de koninklijke troepen tegen opstanden. Gedurende deze tijd verwierf Odo uitgestrekte landerijen in Engeland, hij bezat land in 23 districten, vooral in het zuidoosten en in East Anglia.

In 1076 werd hij drie dagen lang berecht op Penenden Heath in Kent voor het benadelen van de kroon en het bisdom van Canterbury. Aan het einde van het proces werd hij gedwongen om een aantal bezittingen terug te geven en zijn vermogen werd opnieuw verdeeld.

In 1082 viel hij in ongenade en werd opgesloten voor het plannen van een militaire expeditie naar Italië. Zijn motivaties zijn niet zeker. Kroniekschrijvers van een generatie later zeiden dat Odo wenste om zelf paus te worden, maar de hedendaagse bewijs is tweeledig. Ongeacht de reden bracht Odo de daar op volgende vijf jaar door in de gevangenis en zijn Engelse landgoederen werden teruggenomen door de koning, net als zijn ambt als graaf van Kent: Odo was echter niet afgezet als bisschop van Bayeux.

William liet zich op zijn sterfbed in 1087 schoorvoetend overtuigen door zijn halfbroer Robert, graaf van Mortain, om Odo vrij te laten. Na de dood van de koning keerde Odo terug naar zijn graafschap en organiseerde in korte tijd een opstand met de steun van de zoon van William Robert Curthose. De opstand van 1088 mislukte en William Rufus stond Odo, tot ergernis van zijn medestanders, toe om het Koninkrijk te verlaten. Daarna bleef Odo in dienst van hertog Robert in Normandië.

Hij nam deel aan de Eerste Kruistocht en startte in de onderneming naar Palestinië van de hertog, maar stierf onderweg in Palermo in januari of februari 1097.

 
van Bayeux, Odo (I6753)
 
153

erfgenaam van de goederen van zijn vader in Normandië en Cornwall. Probeerde na de dood van zijn oom Odo tevergeefs om earl van Kent te worden. Hij stichtte onder dwang van de koning een klooster te Montacute. Hij koos daarna de kant van Robert Curthose in diens strijd tegen Hendrik I van Engeland maar werd uiteindelijk gedwongen om zijn titels en bezittingen op te geven en werd een monnik in de abdij van Bermondsey, waar hij overleed.

 
van Mortaigne, William (I6751)
 
154

Filips bekleedde tal van hoge functies aan het hof van Karel de Stoute, en aan dat van Maximiliaan I en Maria van Bourgondië. Hij speelde op die manier een belangrijke politieke rol in de Nederlanden. Er is een inventaris van zijn heerlijke rechten bekend, waarin ook de grenzen van de heerlijkheid Heeze, Leende en Zesgehuchten nauwkeurig omschreven zijn. Hij sneuvelde in 1488 te Kortrijk, toen er troebelen waren waarbij Gent en Brugge de Vlaamse opstand tegen Maximiliaan aanvoerden. Daarbij werd Maximiliaan door de Bruggelingen gevangengenomen en later vrijgelaten, maar negen van zijn edelen werden onthoofd.

Filips had omstreeks 1440 een buitenechtelijke verbintenis, waaruit een kind, Jeanne, werd geboren. In 1450 trouwde hij met Johanna van Lannoy. Hun kinderen waren:

Arnold van Horne (1460)

Jan van Horne (1460-1521)

Daarnaast zijn nog twee zonen met Johanna van Lannoy bekend, alsook vijf bastaardzoons.

In 1473 trouwde hij met zijn nicht Margaretha van Horne, die leefde van 1461-1518. Dit huwelijk bleef kinderloos.

 
van Horne, Filips (I6662)
 
155

Floris V was de zoon van graaf Willem II, die tevens rooms-koning was. Via zijn bet-overgrootmoeder Ada van Schotland was hij verwant met het Schotse koningshuis. Bij zijn politieke optreden probeerde hij gebruik te maken van deze connectie.

Op tweejarige leeftijd werd hij graaf van Holland en Zeeland. Zijn vader was een half jaar daarvoor gedood door de West-Friezen. Zijn oom, Floris de Voogd, nam voogdij over hem op zich. Zijn tante Aleida van Henegouwen nam kort daarna voogdij over na de dood van Floris de Voogd (maart 1258). Zijn ridderlijke opvoeding kreeg hij tussen 1261 en 1266 waarschijnlijk van Albert van Voorne, de burggraaf van Zeeland. Op Voorne kwam Floris in contact met Jacob van Maerlant, die er in dezelfde periode verbleef.[3] Op twaalfjarige leeftijd, in 1266, werd de jonge Floris officieel meerderjarig verklaard, en op 14-jarige leeftijd trad hij in het huwelijk met Beatrix van Vlaanderen, de dochter van Gwijde van Dampierre.

Floris had grote ambities en streefde er voortdurend naar zijn macht te vergroten. Zijn eerste wapenfeit was het neerslaan van de Opstand der Kennemers. Vervolgens wilde hij wraak nemen op de Friezen omdat zijn vader tijdens een veldtocht tegen de Friezen door hen was gedood. Toen hij in 1282 de Friezen in West-Friesland had verslagen, liet hij zich 'Heer van Friesland' noemen. Zijn pogingen ook het andere gedeelte van Friesland (gebieden in de huidige provincie Friesland) in te nemen liepen echter op niets uit. Een eerste invasie mislukte door het slechte weer en aan zijn tweede veldtocht hield hij uiteindelijk alleen een bruggenhoofd in Friesland over.

Na de dood van koning Alexander III van Schotland in 1286 wierp Floris zich op als Schots troonpretendent. De (over)grootmoeder van Floris was Ada van Schotland, dochter van de voortijdig overleden kroonprins Hendrik van Schotland. Floris was echter niet de enige. In totaal waren er dertien pretendenten. Ondanks zijn zwakke familieband met Alexander III ging Floris toch naar de vergadering, in Norham op de 10e van de bloeimaand (mei). Hij werd als eerste in de gelegenheid gesteld om zijn recht op de troon te verdedigen. Koning Eduard I van Engeland bleek daarbij geen bondgenoot, maar een rivaal te zijn, die erin slaagde, weliswaar gedeeltelijk en tijdelijk, om Schotland onder Engelse invloed te brengen.

Een andere manier om zijn ambities gestalte te geven blijkt uit zijn streven om Zeeland bewesten Schelde bij zijn grondgebied in te lijven. Dit doel probeerde hij op verschillende manieren te bereiken. Eerst trachtte hij dit met steun van koning Eduard I van Engeland, later met de hulp van de Fransen. Uiteindelijk wist hij het aanzien van Holland enorm te vergroten. Een groot deel van de huidige buitengrenzen van Noord- en Zuid-Holland samen is toen vastgesteld.

 Het ging fout toen Floris zijn Engelse bondgenoot Eduard I in 1296 wegens een conflict over de wolhandel aan de kant zette ten gunste van de Franse bondgenoot Filips IV. Het verhaal gaat dat de Engelse koning enkele ontevreden edelen zou hebben gevraagd hem gevangen te nemen. Tijdens een valkenjacht - volgens sommige geschiedschrijvers bij de Egelshoek[4]- werd Floris gevangengenomen door Gijsbrecht van Amstel, Herman VI van Woerden, Willem van Zaanden, Arent van Benschop, Gerard van Craayenhorst, Willem van Teylingen en Gerard van Velsen. Het nieuws van zijn gevangenneming lekte echter snel uit en onder het volk, waar Floris erg populair was, ontwikkelde zich het plan hem te bevrijden. Gijsbrecht van Amstel was vermoedelijk al op 23 juni uitgeweken naar Brabant en niet op het Muiderslot aanwezig geweest. Ook Herman van Woerden was waarschijnlijk op de fatale dag van de moord niet aanwezig en naar Brabant gevlucht.[6] Toen de edelen met hun gevangene op 27 juni 1296 het Muiderslot verlieten met Van Velsen en enkele schildknapen voorop als verkenners, kwamen ze bij Muiderberg een groep Gooilanders uit Naarden tegen die Floris in levende lijve kwamen opeisen. Hierop reed Gerard van Velsen terug, trok zijn zwaard en doodde graaf Floris. Floris was weerloos doordat in zijn mond een handschoen was gepropt, zijn handen en voeten vastgebonden en zijn vingers gekloofd of gespleten waren. Toen Van Velsen zijn zwaard trok, steigerde het paard van schrik, waardoor Floris door de eerste zwaardslag zijn beide handen verloor en zijdelings van het paard viel. Van Velsen liep op Floris toe en bleef op hem insteken, gevolgd door twee anderen. Vervolgens namen de ontvoerders de vlucht. Floris werd naar het buitenverblijf Florisberg te Muiderberg gebracht, waar hij bezweek aan de toegebrachte 22 steekwonden.

Gerard van Velsen werd later gepakt, gemarteld en ter dood gebracht. Gijsbrecht van Amstel (de vierde met die naam uit het bekende geslacht van de Heren van Amstel) en Herman van Woerden sleten de rest hun leven als ballingen en verloren al hun bezittingen.

Floris V werd vermoedelijk in de abdij van Rijnsburg begraven. In 1996 bewezen twee Leidse wetenschappers (fysisch antropoloog G. Maat en hoogleraar chemie E. Cordfunke) echter dat de in 1949 na hun ontdekking plechtig herbegraven skeletten in de Rijnsburgse abdij bijna 400 jaar ouder zijn. Op dit onderzoek is veel kritiek geweest. Het graf is 's nachts, stiekem, open gebroken. Tevens wordt het onderzoek in twijfel getrokken. Er is geen rekening gehouden met de effecten die de grond uit verschillende lagen heeft op de botten. Met dit effect heeft de oorspronkelijke onderzoeker B.K.S Dijkstra al rekening gehouden.

Ook is het het maar de vraag, wanneer er 1 familie, op de juiste plaats (voor het hoofdoorzaak en de Gravenkapel), op de juiste diepte en in de juiste volgorde begraven (in meerdere lagen, met de oudste onderop, de laatste bovenop) en met de juiste doodsoorzaak, leeftijd en verwondingen, precies op die plek begraven zou zijn, waar de grafelijke familie is begraven. Daarnaast zijn er geen bewijzen gevonden waar de familie anders begraven kan zijn.

Ook wordt er door de onderzoekers verwezen naar het lichaam dat onder de muur van de kloostergang werd gevonden. Maar dat lag in een veel diepere aardlaag en in een andere hoek ten opzichte van alle andere lichamen die zijn gevonden. Deze lagen allen binnen de grenzen en binnen de fundamenten van het gebouw en allen op de juiste diepte. Een foto van 'de schedel van graaf Floris V' werd in J.W.Verkaiks De moord op graaf Floris V (1996, p. 11) afgebeeld.

In de Grote of Sint-Laurenskerk in Alkmaar staat een kist met daarbij een plaquette uit de 17e eeuw waarop staat dat de kist de ingewanden bevat van Floris V en dat hij in deze kerk begraven is vóór het hoofdaltaar onder een "wittige steen". Floris V werd door de Naardingers dood aangetroffen, gebalsemd en per schip naar de oude kerk van Alkmaar gebracht, waar hij onder de zerk een tijdelijk graf kreeg. Zijn zoon, Jan I, bracht zijn stoffelijk overschot begin april 1297 na de Slag bij Vronen over naar de abdij van Rijnsburg. De oude kerk van Alkmaar werd in de 15e eeuw vervangen door de Grote Kerk, maar de tombe van Floris bleef bewaard. Het werkelijke graf van de graaf verdween toen de abdijkerk in Rijnsburg in 1574 werd verwoest.

    • 1272 - Hij geeft Gouda stadsrechten.
    • 1274 - Hij maakt een einde aan een opstand van de Kennemers en de boeren van Water- en Amstelland.
    • 1275 - Hij verleent een tolprivilege aan Amsterdam. Daarmee wordt de stad voor het eerst genoemd.
    • 1277 - Hij wordt op 11 januari in Den Bosch tot ridder geslagen. Hij probeert een verbond te sluiten met Vlaanderen.
    • 1278 - Hij maakt zich met geweld van de opstandige stad Utrecht meester.
    • 1279 - Jan van Nassau geeft hem het Nedersticht in pand.
    • 1280 - Hij laat het Muiderslot bouwen. Hij belegert in mei kasteel Vreeland, neemt Gijsbrecht van Amstel gevangen en brengt hem naar Zeeland over. Hij neemt Montfoort in, dat aan Herman van Woerden was verpand. Die vlucht naar het buitenland.
    • 1281 - Hij laat zijn dochter Margaretha met de Engelse troonopvolger Alfonso (gestorven 1284) verloven.
    • 1282 - Hij onderneemt opnieuw een tocht tegen de West-Friezen. Hij landt met een vloot in Wijdenes en onderwerpt hen. Hij vindt het stoffelijk overschot van zijn vader in Hoogwoud en begraaft hem in Middelburg.
    • 1283 - Hij steunt hertog Jan I van Brabant in diens strijd om het hertogdom Limburg.
    • 1285 - Hij verzoent zich met Gijsbrecht van Amstel, die vijf jaar gevangen is geweest. Hij laat zijn zoontje Jan met Elisabeth, de dochter van de Engelse koning verloven.
    • 1287-1288 - Na de Sint-Luciavloed weet hij West-Friesland te onderwerpen en laat hij Kasteel Radboud bouwen
  • ~
 
van Holland, Floris V (I412)
 
156

Frerik van Dalen en Hindrikje Rotgers zijn lidmaat te Zuidlaren op 22-5-1729. Frerik van Dalen wordt in het haardstedenregister te Zuidlaren in 1754 genoemd met een vol erf. Advocaat Gerrid Hinderick van der Woude als volmacht van mevrouw Timanna Henrina Vriesen weduwe dr. en schulte S. van Selbagh is op 25-11-1727 eiser tegen Frerick Roelofs van Dalen te Zuidlaren. De eiser wil betaling van 33 mud rogge wegens huur. De eiser wordt in het gelijk gesteld

 
van Dalen, Frerik Roelofs (I7132)
 
157

Gaius Julius Caesar Strabo (ca. 140 v. Chr. – Pisae, 85 v. Chr.) was een Romeins senatorproconsul in Asia, aanhanger van zijn zwager Gaius Marius en de vader van Julius Caesar, de latere dictator van Rome.
Caesar was getrouwd met Aurelia Cotta. Samen hadden zij twee dochters: Julia Caesaris minor en Iulia Caesaris maior en een zoon, Julius Caesar, geboren in 100 v.Chr. Hij was de broer van Sextus Julius Caesar, die consulwas in 91 v.Chr.
Het verloop van Caesars loopbaan, de zogeheten cursus honorum, is bekend. Afgaande op twee elogia die opgericht zijn in Rome lang na zijn dood, was Caesar een commissaris in de kolonie in Cercinakrijgstribuunquaestorpraetor en proconsul in Asia. Over de specifieke datering van zijn verschillende functies bestaat verschil van mening. Broughton dateerde het praetorschap in 92 v.Chr., met het quaestorschap vallend aan het begin van de jaren 90. Brennan heeft zijn praetorschap juist aan het begin van het decennium gedateerd.
Caesar stierf plotseling op een morgen in 85 v.Chr. te Rome, terwijl hij zijn schoenen aan het aandoen was. Een andere Caesar was op dezelfde manier gestorven in Pisa. Zijn vader had Caesar het grootste deel van zijn landgoed nagelaten, maar nadat de factie van Marius was verslagen in de burgeroorlog van de jaren 80 voor Christus, werd deze erfenis in beslag genomen door de dictator Sulla

 
Caesar Strabo, Gaius Julius (I3620)
 
158

Gaius Julius Caesar was de zoon van Gaius Julius Caesar en Aurelia Cotta. Terwijl zijn vader het niet verder bracht dan praetor, bekleedden Caesars oom Sextus Julius Caesar, zijn aangetrouwde oom Gaius Marius, zijn grootvader aan moederszijde Lucius Aurelius Cotta maior, oom aan moederszijde Lucius Aurelius Cotta minor en de vader van zijn grootmoeder MarciaQuintus Marcius Rex allen de functie van consul. Langs de kant van de Gens Julia voerde hij zijn afkomst terug op Julus, een zoon van Aeneas, en dientengevolge een kleinzoon van Venus. Via de tak van de gens Marcia van zijn grootmoeder Marcia, die het cognomen Rex droegen, kon hij zijn afkomst terugvoeren op Ancus Marcius, vierde legendarische koning van Rome en kleinzoon van de tweede legendarische koning van Rome, Numa Pompilius. Zijn oom Gaius Marius was een van de vooraanstaande mannen van zijn tijd en was een leidende figuur binnen de populares. Langs moederskant was hij verbonden met de tak van de Aurelii Cottae, die verscheidene consules leverden aan de Romeinse Republiek, én met de gens Claudia.
Op 15 maart van het jaar 44 v.Chr. werd de vergadering van de senaat gehouden in de curia van het Theater van Pompeius. De Curia Julia op het Forum was op dat moment buiten gebruik door een grote brand. Zodra Caesar binnenkwam, stonden alle senatoren op als teken van respect. Enkele mannen gingen achter de stoel van Caesar staan terwijl de rest naar hem toeliep. Cimber trok met beide handen de mantel van Caesars rug waarbij Caesar uitriep: "vanwaar dit geweld", waarna Casca zijn dolk trok en Caesar in de nek probeerde te steken. Caesar kon zich echter nog net omdraaien, zodat hij alleen een ondiepe snee opliep. Caesar stak Casca met zijn griffel waarbij hij de arm van Casca doorboorde. Geen van de senatoren en toeschouwers die dit zagen durfde iets te doen en allen deinsden geschrokken achteruit. Ze durfden niet weg te rennen en ook niet te proberen Caesar te helpen. Vervolgens trokken alle samenzweerders hun wapens en duwden ze Caesar heen en weer terwijl ze hem met hun messen en zwaarden steek- en snijwonden toebrachten. De moordenaars raapten hem op en duwden hem tegen het standbeeld van zijn oude vijand Pompeius. Ze probeerden hem zo vaak mogelijk te raken en liepen hierbij ook zelf verwondingen op. Uiteindelijk liep Caesar 23 dolksteken op.
Volgens sommige bronnen sprak Caesar zijn laatste woorden toen hij onder zijn aanvallers het gezicht van Marcus Junius Brutus zag, die hij min of meer als zijn zoon beschouwde. Hij riep in het Grieks "καὶσύ, τέκνον;" ("kai su, teknon?").[11] Dat kan vertaald worden met: "ook jij, mijn kind?". Deze uitspraak is ook bekend in latere, Latijnse versies: "Et tu, Brute?" ("Ook gij, Brutus?") of "tu quoque, fili mi?" ("ook jij, mijn zoon?"). Hierna trok Caesar zijn mantel over zijn hoofd en stortte op de grond. Dit lijkt echter een geromantiseerde voorstelling van de gebeurtenis te zijn, die in latere eeuwen is verzonnen. De 2e-eeuwse geschiedschrijvers Suetonius en Cassius Dio meldden expliciet dat Caesar stierf zonder een woord te zeggen.
Enkele dagen na de moord organiseerde men een uitvaartplechtigheid voor Caesar op het Forum Romanum.

 
Caesar, Keizer van Het Romeinse Rijk Gaius Julius IV (I3622)
 
159

Geboren op Marken op 25 juni 1878. Jaap Janssen woonde op de Wittewerf. Hij is overleden in het Beekman hospitaal in New York ten gevolge van pernicieuse leukemie en begraven op Cypress Hills Cemetery, Jamaica Avenue, Brooklyn, New York City (Vak 16, Rij 1, Nummer 294). Hij is drager van het Oorlogsherinneringskruis (baton met een ster) toegekend op 17 april 1945. Jaap Janssen was gehuwd met L. Janssen-Zeeman, Wittewerf 27. Hij was aanvankelijk schipper op een logger, later matroos bij de KNSM. Zijn naam staat op de gedenksteen van de KNSM in het Scheepvaarthuis te Amsterdam. Zijn naam staat ook in het Slachtofferregister van de Nederlandse Oorlogsgravenstichting.  Jaap Janssen overleed op 22 april 1945 in New York.

 
Janssen, Jaap (I6505)
 
160

gedoopt op 30-04-1626 te Meerkerk (getuige(n): de vader, zijn broer Jan Barentsen en Adriaantje Lambertsdr), overleden voor 1675. Berent Philips (16-4-1659) voogd in bijwezen van Theunis Hendricks van Nes en te samen van de onm. weeskinderen van Adriaen Berentsen Zoon van Philips Berentsz van den BURGGRAEF (zie IXa) en Weijntje Cornelis Heijmensdr (MAES).

 
van den Burggraaf, Barent Philipsz (I502857)
 
161

Gerard was graaf van Wassenberg van 1085 – 1129. In 1096 werd hij, als Gerard I, ook graaf van Gelre. Hij werd in 1096 ook als landgraaf geattesteerd in een keizerlijke oorkonde: MGH Diplomata Henrici IV nr. 459: Gerardus lantgrave, waarschijnlijk met betrekking tot een rijksleen in de Teisterbant. Daarnaast was hij voogd van Erkelenz, Roermond en Utrecht. Gerard was een van de machtigste edelen van Neder-Lotharingen en probeerde zijn bezit vooral ten koste van de bisschop van Utrecht te vergroten. Dit leidde tot conflicten met Utrecht maar ook met de aartsbisschop van Keulen en de graven van Holland. Op rijksniveau was Gerard een trouw bondgenoot van Hendrik IV (keizer). Samen met zijn neef/broer Gosewijn I van Valkenburg dwong hij de benoeming van Hendriks kandidaat af, als abt van Sint-Truiden.
Gerard was een zoon van graaf Gerard III van Wassenberg. Gerards eerste vrouw is onbekend. Hij hertrouwde met de weduwe van Koenraad I van Luxemburg, Clementia van Poitiers.

 
Von Wasseberg, Gerard (I502440)
 
162

Gerberga van Holland Geboren van Hamaland in 912 is gehuwd in 930 met Dirk I Bis van Holland geboren in 900 (en NIET met diens vader Dirk van Holland I geboren in 875 en overleden in 930) in 932 werd hun zoon Dirk II van Holland geboren te Egmond aan Zee en zij overleed op 21 jarige leeftijd op 11 Januari 933. Dirk II groeide op in de St. Pietersabdij te Gent (Belgium) nadat zijn vader Dirk I Bis van Holland gesneuveld was in de slag bij Andernach (D) op 2 of 5 oktober 939 totdat hij meerderjarig was geworden op 15 jarige leeftijd. Als een der eerste zaken regelde Dirk II dat het houten klooster dat zijn vader had laten bouwen te Egmond vervangen werd door een stenen klooster en bevolkte dit met monniken uit de St. Pietersabdij te Gent. Op 18 jarige leeftijd huwde in 950 Dirk II van Holland met de 16 jarige Hildegard van Vlaanderen.

 
van Hamaland, Geberge (Geva) (I383)
 
163

Graaf/Burggraaf van Coevorden, vermeld vanaf 1166, verkrijgt als erfgenaam van zijn gtootmoeder Gertrud van Northeim het graafschap Bentheim] [zie Gens Nostra 1991, afstammingsreeks Karel de Grote, reeks 227, nr 13, 14 en 15].
Hij vergezelt zijn moeder op haar tweede kruistocht naar Jeruzalem in 1173 en is op 23 en 27 mei 1182 aan het hof van de Duitse Keizer te Mainz.
Hij neemt deel aan de derde kruistocht in 1189.
Hij verkrijgt in 1150 als erfgenaam van zijn grootmoeder Bentheim, na de dood van zijn grootvader Otto. Zijn grootmoeder Gertrudis is voogdes tot hij meerderjarig is.
Hij wordt vermeld 1166-1208.
Hij begeleidt zijn moeder op haar (tweede) reis naar het Heilige Land in 1173.
Neemt deel aan de vijfde Italië-tocht van keizer Frederik Barbarossa en treedt op 29-07-1176 in Pavia als getuige op wanneer deze de rechten van de stad Cremona vernieuwd.
Hij is (wederom met zijn broer graaf Floris III van Holland) getuige aan het keizerhof te Mainz op 23 en 27-05-1182. Hij voert oorlogen tegen de burggraven van Coevorden die de lucratieve steenhandel over de Vecht verstoren. In 1187 wordt hij burggraaf van Coevorden. In 1189 neemt hij deel aan de Derde Kruistocht, onder leiding van keizer Friedrich I Barbarossa.
Op 20-10-1195 is hij in Mainz getuige wanneer zijn neef Dirk VII van keizer Hendrik VI de tol van Geervliet ontvangt. In 1196 moet hij Coevorden met Drenthe weer afstaan.
In 1207 ondersteunt hij verklaringen die aan de Engelse koning worden afgegeven dat het huwelijk van Ada van Holland (dochter van Dirk VII) met Lodewijk II van Loon wettig is.

 
van Reineck van Bentheim, Otto I (I359)
 
164

Gwijde van Avesnes stamde uit een belangrijk geslacht in het graafschap Henegouwen. Hij was de broer van graaf Jan I van Henegouwen, die tevens (als Jan II) graaf van Holland was. Deze wist Gwijde in 1301 tot bisschop van Utrecht benoemd te krijgen ten koste van Adolf II van Waldeck. Gwijde werd door de aartsbisschop van Keulen in 1302 gewijd. Hij bracht een verzoening tot stand tussen de Lichtenbergers en de Fresingen. In 1304 verzwakte de positie van zijn broer Jan door een offensief van Vlaamse troepen die Holland en het Sticht bezetten. Gwijde werd hierbij gevangengenomen (Slag bij Zierikzee, 20 maart 1304).

In zijn afwezigheid grepen de Fresingen de macht in Utrecht met de steun van de gilden, die hun voorrechten lieten vastleggen in de Gildenbrief van 9 mei 1304. Op 14 september 1305 moest het gilderegime capituleren voor de vrijgelaten bisschop Gwijde, maar de stad behield een hoge mate van autonomie. Het duurde echter nog tot 1309 voordat de bisschop volledig als wereldlijk vorst door de koning werd erkend. In 1311 nam hij deel aan het eerste Concilie van Vienne, en ook daarna was hij veelvuldig buitenlands te vinden.

Gwijde van Avesnes wist goed te schipperen tussen de verschillende partijen in het Sticht en in de stad en bracht zo een evenwicht tot stand. Hij beheerde persoonlijk de bezittingen van de heren van Amstel (Amstelland) en van Woerden (de stad Woerden), en verleende als zodanig in 1306 stadsrechten aan Amsterdam. In 1315 liet hij zijn tweede burggraaf Ghisebrecht Utengoye onthoofden, nadat die rooftochten door het Sticht had georganiseerd. Als vervolg in 1317 nam Gwijde van Avesnes met de zwaarste wapens uit die tijd het machtige Kasteel Ten Goye in. In de nacht daarop overleed hij. Na zijn dood vervielen de lenen definitief aan de graaf van Holland.

In de Domkerk in Utrecht is zijn graftombe in geschonden toestand bewaard gebleven

 
van Avesnes, Gwijde (I6230)
 
165

Heer Philips van Santhorst ontvangt op 17 februari 1305  het ambacht Soeterwoude in leen van graaf Willem III van Holland en Henegouwen. In 1313  krijgt Philips kasteel Rodenburg te Zoeterwoude in leen.

 
van Wassenaer van Santhorst, Philips (I7809)
 
166

Heer van verspreide bezittingen in de Groote of Hollandsche Waard, de Alblasserwaard, de Vijfherenlanden en het Land van Altena, bekend als Herbaren van Arkel, heer van Molenaarsgraaf en heer van Slingeland.

 
van Arkel, Herbaren (I7832)
 
167

heer van Weerdenburg 1265-1280 en heer van Hiern, Neerijnen, Oppijnen en Meteren is de stamvader van het geslacht de Cock.

In het gebied tussen de Lek en de Linge en tussen Beesd en Leerdam, gelegen in de Tielerwaard, bezat hij veel goederen waaronder een burcht te Rhenoy. Deze bezittingen had hij geërfd van zijn bet-overgrootmoeder Jolanda van Gelre gravin van Henegouwen[bron?]. Met graaf Otto II van Gelre komt hij overeen goederen te ruilen. Otto II had wel belangstelling voor het kasteel van Rudolf. Otto's gebied kon dan nog beter worden verdedigd.

Na overleg met zijn zonen, Rudolf, Hendrik, Gijselbert en Willem, draagt hij 5 augustus 1265 zijn burcht te Rhenoy, alsmede al zijn goederen gelegen tussen de rivieren de Lek en de Linge op in ruil voor de heerlijkheden Hiern, Neerijnen en Opijnen. Hij krijgt daarbij toestemming om een kasteel te bouwen. Dit wordt het Kasteel Waardenburg. De naam van het kasteel gaat later over in het dorp.

 
De Cock van Weerdenburg, Rudolf I (I6798)
 
168

Hendrik volgde in 1082 zijn vader op als graaf van Limburg. Hij verzette zich in 1094 tegen de benoeming van Arnold I van Loon als voogd van Sint-Truiden voor de bezittingen in het prinsbisdom Metz. Zelf werd Hendrik in 1095 benoemd tot paltsgraaf van Neder-Lotharingen. Hij volgde zijn hertog Godfried van Bouillon in de Eerste Kruistocht en keerde daarna naar huis terug.
In 1101 werd hij benoemd tot opvolger van Godfried als hertog van Neder-Lotharingen en markgraaf van het markgraafschap Antwerpen. Zijn bestuur wordt vooral herinnerd omdat hij de schenking van tienden door Godfried aan Antwerpse kerken, ongedaan maakte. In 1106 moest Hendrik zijn functie opgeven omdat hij trouw bleef aan de afgezette keizer Hendrik IV na de coup van diens zoon, de latere keizer Hendrik V. Hertog Hendrik werd zelfs gevangengezet maar wist te ontsnappen.
In 1108 nam Hendrik paltsgraaf Siegfried gevangen die een complot tegen Hendrik V zou hebben beraamd. Hierdoor kwam Hendrik terug in de gunst van de keizer. Maar in de volgende jaren koos ook Hendrik de kant van de tegenstanders van de koning. Hij vocht mee met de Lotharingse edelen die in 1114 de keizer versloegen bij Andernach. In 1115 was hij een van de aanvoerders van de Lotharingse troepen die de Saksen hielpen tegen de keizer in de slag bij Welfesholz, waar de keizer opnieuw werd verslagen. Op de terugweg veroverden de Lotharingers Münster (stad), en verwoestten ze de palts van Dortmund en een aantal kastelen. In Mainz werd vervolgens een wapenstilstand bemiddeld. Daarna zijn geen bijzonderheden over Hendrik bekend.
Hendrik was getrouwd met Adelheid van Pottenstein (ca. 1080 – 13 augustus 1106). Zij was een achternicht van keizerin Bertha van Savoye, wat ongetwijfeld een invloedrijke steun betekende bij de benoemingen die Hendrik verkreeg.

 
van Limburg, Henri (I502445)
 
169

Hermeric leidde het volk van de Sueben vanuit het oorspronkelijke woongebied bij de Oostzee op een zwervend bestaan door Germanië. In 406 trokken de Sueben, samen met de Alanen en de Vandalen (Asdingen en Silingen), over de bevroren Rijn het Romeinse Rijk binnen. Deze volken trokken de Pyreneeën over en veroverden grote delen van het Iberisch schiereiland. In 411 werden de veroverde gebieden door loting verdeeld en de Sueben vestigden hun koninkrijk in de Romeinse provincie Gallaecia. Hun hoofdstad was Bracara Augusta, de huidige Portugese stad Braga. De Romeinen probeerden de nieuwkomers binnen hun rijk aan zich te binden door verdragen met hun te sluiten. Het verdrag dat zij met de Visigoten sloten, leidde ertoe dat deze in 416 met een leger de Germaanse volken op het Iberisch schiereiland aanvielen. De Alanen en de Silingen leden zulke zware verliezen dat deze noodgedwongen opgingen in de Asdingen. De expeditie van de Visigoten werd door de Romeinen afgebroken nog voordat de macht van de Sueben en de Asdingen was gebroken. In 419 ontstond er een conflict tussen de Sueben en de Vandalen, de Sueben worden door Romeinse interventie van een nederlaag gered.

Hermeric bewaarde de vrede totdat de Vandalen naar Africa trokken in 429. Daarna begon hij plundertochten in hun vroegere gebieden en tegen de inheems-Romeinse bevolking in zijn eigen koninkrijk. De inheemse bevolking deed een beroep op Flavius Aetius, de sterke man van de Romeinen in Gallië. Zijn afgezanten wisten Hermeric te matigen maar pas in 435 kon door bemiddeling van bisschoppen en directe onderhandelingen met de keizer, een nieuwe vrede gesloten worden

In 438 deed hij, ernstig ziek, afstand van de troon en volgde zijn zoon Rechila hem op. In 441 stierf hij.

 
der Sueben, Hermeric (I4125)
 
170

Het Huis van Doerne

Dit huis, zijnde het hoekhuis, dat naar deszelfs latere eigenaren gezegden naam kreeg, behoorde oudtijds toe aan de familie van Amerzoyen 1), ook wel van Amelroye geheeten; daarvan was de oudst bekende Henrick van Amerzoyen Janszoen, die van Jan Dicbier het goed Ten Houte onder St. Oedenrode 2) kocht en die door den Hertog van Brabant werd beleend met: dat ambacht van de verckenen te besien 3) overal in de stat ende meyerien van den Bossche, om dat te bedienen oft van synen weghen te doen bedienen; hij huwde met Elisabeth van Dordrecht

Had huizen in Den Bosch, St Oedenrode, Waalwijk etc. Ook gegoed te Oisterwijk (vermeld ORA Oisterwijk inv nr 147, diverse belendingen in 1430; inv nr 148, 1433, de erfgenamen van… ). Zegelt akten van de hertog op o.a. 9-6-1420, 24-7-1424 en 7-9-1431; zegels zoek in 1413, 1430. Vgl GTMWNB 1978

Alias Van Amelroye; vgl NL 1959/91. Griffier van de Leenhof van Brabant (1428), schepen van Den Bosch (1423), heer van Bobnagel (?) in St Oedenrode. In 1413 en 1430-1 leenman van Brabant, tekent hertogelijke oorkonden als getuige.
Mogelijk zoon van Jan Henrick Gerit Evert van Ammersoyen.

 
van Amerzoyen, Henrick Janszoen (I6927)
 
171

Het wapen van Verduijn toont twee vissen (snoeken) op een veld van lazuur en kan op visrechten wijzen.

Een overlevering wil, dat er in lang vervlogen tijden onder de familie Verduijn een rijke vader was met 4 zonen, welke hun inkomsten haalden uit de visserij. Zou dat wellicht de achtergrond kunnen zijn waartegen we Hendrick Woutersz moeten zien, van wie geen grondbezit wordt vermeld in het quoyer van Charlois.

Een andere bron zegt: Woont te Charlois, waarschijnlijk landbouwer daar de familie grotendeels uit welgestelde boeren bestond. Bewoner van de hofstede te Charlois.

 
Verduijn, Hendrick Wouters (I1292)
 
172

Hij is de oom van Ada en de broer van Dirk VII. Willem I was de tweede zoon van graaf Floris III en Ada van Schotland en hij bracht zijn jeugd door bij de familie van zijn moeder in Schotland. In 1189 begeleidde Willem zijn vader bij de Derde Kruistocht. Zijn vader overleed in 1190 tijdens de kruistocht en zelf werd Willem tijdens zijn terugtocht in Frankrijk gevangengenomen. Hij keerde in 1191 in Holland terug en raakte in onmin met zijn oudere broer Dirk VII die zijn vader Floris III als graaf van Holland was opgevolgd. Willem zocht daarom steun bij de opstandige Friezen. Uiteindelijk werd de ruzie tussen beide broers bijgelegd, en kreeg Willem het bestuur over het graafschap Midden-Friesland. In 1197 trouwde Willem te Stavoren met Aleid van Gelre. Toen zijn broer in 1203 stierf riep hij zichzelf uit tot graaf van Holland. Dit resulteerde in de Loonse oorlog met zijn nichtje Ada en haar man Lodewijk van Loon. In 1206 werd een vrede gesloten waarbij Holland werd verdeeld: Willem kreeg Zeeland en het zuidelijke deel van Holland en Lodewijk kreeg het noordelijk deel Holland. In de praktijk kreeg Willem het snel voor het zeggen in het hele graafschap Holland en heeft Lodewijk geen poging meer ondernomen om hier iets aan te veranderen. In 1213 erkende keizer Otto IV van Brunswijk Willem als graaf van geheel Holland.  Het bestuur van Willem is van groot belang geweest voor de ontwikkeling van Holland. Onder zijn bewind begon de systematische aanleg van dijken (o.a. rond de Grote Waard) en werd het Spaarne afgedamd. In 1216 nam Willem deel aan de expeditie van Lodewijk VIII van Frankrijk naar Engeland. In reactie daarop erkende de Engelse koning Jan Lodewijk van Loon weer als graaf van Holland, en het lukte Jan zelfs om Willem te laten excommuniceren. Om zijn excommunicatie ongedaan te maken nam Willem deel aan de vijfde Kruistocht. Met zijn leger van Friezen, Hollanders en Vlamingen zeilde Willem langs de Europese kust op weg naar het heilige land. Door een storm moesten zijn schepen beschutting zoeken in Portugal. De Portugese koning Alfons II wist de kruisridders over te halen hem te helpen in de strijd tegen de Moorse overheersing in zijn land. Willem I gaf gehoor aan het verzoek en voer op 30 juli 1217 met zijn vloot naar Lissabon. De stad was tachtig jaar eerder tijdens de tweede kruistocht bevrijd, maar de Moren waren nooit helemaal verdreven uit Portugal. Willem hielp de koning bij de verovering van Setúbal (stad) en Alcácer do Sal. Na een zware belegering en met de belofte van Willem I op een vrije aftocht gaven de Moren van Alcácer zich op 21 oktober 1217 over. Eenmaal buiten de vesting stortte het leger van Willem zich op de ongewapende Moren en slachtte ze af. Als dank bood de Portugese koning de kruisridders land aan; vele ridders aanvaardden dit. Willem verloor hierdoor een groot deel van zijn leger en vroeg daarom aan Paus Honorius

III om hem te ontheffen van zijn verplichting en hem toe te staan in plaats daarvan de strijd in Portugal voort te zetten, maar de paus weigerde om op dit verzoek in te gaan. Een deel van de vloot ging daarna op weg naar Akko. Willem zelf overwinterde met de rest van de vloot in Portugal en zou later volgen. In de lente van 1218 kwam Willem met de Friezen, Hollanders en Engelsen aan in Akko, waar de andere kruisridders zich reeds hadden verzameld. Besloten werd om de Noord-Egyptische stad Damiate te veroveren, zodat daarna de rest van het door de Ayyubiden geregeerde rijk kon worden ingenomen. Op 27 mei 1218 kwamen de kruisridders aan bij Damiate, en op 5 november 1219 viel de stad in handen van de kruisvaarders. De Egyptische Sultan al-Kamil stelde daarop voor om Damiate te ruilen voor Jeruzalem. De meeste kruisridders waren ingenomen met dit voorstel, maar de pauselijke afgezant Pelagius weigerde. Niet door onderhandelingen, maar door strijd moest Jeruzalem worden ingenomen. Toen Willem dit hoorde ontstak hij in woede en keerde met zijn leger terug naar huis. Terug in Holland bleek dat Aleid was overleden. Willem hertrouwde met de weduwe van keizer Otto IV, Maria van Brabant maar overleed korte tijd later. Hij is begraven in de abdij van Rijnsburg.

 
van Holland, Willem I (I405)
 
173

Hij is een zoon van Floris V en de laatste graaf uit het Hollandse huis. Jan I werd direct na zijn geboorte verloofd met Elisabeth, de dochter van Eduard I van Engeland aan wiens hof hij ook werd opgevoed. Na de dood van zijn vader, in 1296, waarin ook Eduard I een grote rol speelde, aarzelde de koning om hem terug te sturen naar Holland. Hij liet een aantal Engels-gezinde edelen naar Engeland komen, onder wie Jan III van Renesse en Wolfert I van Borselen. Op 7 januari 1297 huwde Jan Elisabeth van Rhuddlan, dochter van de Engelse koning en mocht hij naar Holland terugkeren, onder de belofte dat hij zich hield aan de door de koning toegevoegde raadslieden. In eerste instantie stond de jonge graaf geheel onder invloed van Jan van Renesse. Op 30 april 1297 droeg Jan I echter het bestuur over aan Wolfert I van Borselen, tot aan zijn 15e verjaardag. Na een conflict met het stadsbestuur van Dordrecht werd Van Borselen op 1 augustus 1299 vermoord. Hierna benoemden de steden Jan van Avesnes, graaf van Henegouwen als regent en op 27 oktober 1299 droeg Jan I de regering voor een periode van 5 jaar aan hem over. Twee weken later stierf Jan, 15 jaar oud, en met hem stierf ook het Hollandse Huis uit. Omdat hij geen directe troonopvolgers had, ging het graafschap naar Jan van Avesnes, graaf van Henegouwen (als Jan II van Holland), zoon van zijn oudtante, Aleid van Holland

 
van Holland, Jan I (I6768)
 
174

Hij koopt  in  1321 Oost-Barendrecht van Gerard, heer van Horne en Altena (De gemeente Barendrecht voert nu nog het wapen van het geslacht Oem).
Jan Gilliszoon werd in 1335 opgevolgd door zijn zoon Gillis Janszoon Oem. Naar hem werd  Oost-Barendrecht ook wel ‘Gillis-Ambacht’ genoemd. Later kwam Oost-Barendrecht in handen van Machteld, de dochter van Gillis Janszoon. Zij trouwde in 1354 met Dirk van Wassenaar, heer van Voorschoten, Voorburg, Valkenburg, Katwijk en burggraaf van Leiden. In 1391 ging het ambacht van Machteld over op haar zoon Philips van Wassenaar.
Jan Gilles Oem  wordt in 1311 beleend met het Huis Rosendael binnen Dordrecht. Ook wordt hij door Gerard heer van Voorne beleend met het Huis Rodenburg.
Hij huwt 1e Soete van der Dussen, huwt 2e Lizebette van Putten van Strijen.

 
Oem, Jan Gilles (I7805)
 
175

Hij stamde waarschijnlijk uit het geslacht der Billungen, en was een zoon van Meginhard IV van Hamaland.

Wichman werd in 936 voor het eerst genoemd als graaf. In 955 trouwde hij met Liutgard (936 - 29 september 964), dochter van Arnulf I van Vlaanderen. Daarbij werd hij burggraaf van Gent en de gebieden ten noorden daarvan, tot aan de Schelde, als vazal van Arnulf. Samen met Arnulf stichtte hij de Sint-Baafsabdij van Gent opnieuw, die door de Vikingen was verwoest. Wichman werd voogd van de Sint-Baafsabdij en werd in 956 ook voogd voor de goederen die de abdijen van Sint Omaars en Maagdenburg bij Deventer bezaten.

In 966 overleed zijn enige zoon. Wichman was toen al weduwnaar en het wegvallen van zijn opvolger moet een grote slag voor hem zijn geweest. Hij droeg zijn Vlaamse lenen over aan zijn neef en zwager Dirk II van Holland en hij stichtte het Sticht Elten. Zijn jongste dochter Liutgard werd er abdis en Wichman schonk twee derde deel van zijn persoonlijke bezittingen aan het klooster en droeg alle grafelijke rechten op het klooster over. Zijn oudste dochter Adela, die alleen een derde deel van de persoonlijke bezittingen zou krijgen, weigerde dat te accepteren. Daarom liet Wichman de schenkingen bevestigen door de keizer. Adela heeft tot in 996 tot aan het keizerlijke hof procedures gevoerd, uiteindelijk kreeg ze de helft van de persoonlijke bezittingen en van de grafelijke rechten van haar vader toegewezen.

Wichman werd in 974 lekenbroeder in het klooster te Mönchengladbach. Hij overleed daar op 20 juli van een jaar (kort?) ná 974. Wichman is begraven te Hoog-Elten. Zijn stoffelijk overschot is niet teruggevonden bij de opgravingen van 1964-1965. Het is waarschijnlijk bijgezet in een afzonderlijke kapel waarin ook het Gangulf-altaar stond en die zich iets ten zuidoosten van de familiebegraafplaats moet hebben bevonden. Bij de opgravingen in Hoog-Elten is het graf van zijn vrouw Liutgard wel gevonden. Aan haar skelet ontbrak één hand met het polsgewricht, terwijl haar gebeente daar tekenen van botvliesontsteking vertoonde. Zij is dus overleden aan de gevolgen van een ernstig ongeval of een geweldsincident.

Wichman was een zoon van Meginhard IV. Wichman en Liutgard van Vlaanderen (dochter van Arnulf van Vlaanderen en Aleidis van Vermandois)

 
van Hamaland, Wichman IV (I388)
 
176

Hij was de eerste heer van Arkel en grondlegger van het Kasteel van Arckelerdamme.

 
van Arkel, Foppe (I1145)
 
177

Hij was de oudste zoon van Arnoud van Amstel, heer van Benschop en Noord-Polsbroek, heer van IJsselstein en maarschalk van de bisschop van het Sticht Utrecht en Johanna van IJsselstein. Gijsbrecht erfde deze titels van zijn vader. Hij trouwde rond 1280 met Bertha van Heukelom; uit het huwelijk werden zeven kinderen geboren: Arnold, Otto, Herberen, Johan, Willem, Agnes en een (naamloze) dochter. Hij nam de naam Van IJsselstein aan en veranderde het familiewapen, dat later ook het wapen van de stad IJselstein zou worden.

Gijsbrecht van IJsselstein kwam in problemen toen in 1296 enkele edelen Floris V, de graaf van Holland, wilden ontvoeren, maar zich genoodzaakt zagen de graaf te doden. Onder de samenzweerders waren Gijsbrechts oom (de door Joost van den Vondel onsterfelijk gemaakte) Gijsbrecht IV van Amstel en zijn eigen broer Arnold van Benschop; Gijsbrecht werd verdacht van medeplichtigheid. In de verwarring die door de moord was ontstaan, was de strijd tussen Holland en het Sticht opgelaaid, waarbij Gijsbrecht de kant van het Sticht koos. De Hollanders namen hem gevangen en belegerden het kasteel van IJsselstein, dat verdedigd werd door zijn vrouw Bertha. Na een jaar gaf ze zich over aan de belegeraars. Gijsbrecht was al zijn goederen kwijt. Uiteindelijk zouden ze toevallen aan de bisschop van het Sticht, Gwijde van Avesnes, de broer van de nieuwe graaf van Holland, Jan I van Henegouwen

Toen in 1308 Gijsbrechts oudste zoon Arnold trouwde met Maria van Henegouwen, de dochter van Gwijde van Avesnes kreeg Gijsbrecht zijn leengoederen terug. Gijsbrecht kreeg toestemming van de bisschop om in IJsselstein een parochiekerk te bouwen. Deze Sint-Nicolaaskerk werd in 1310 ingewijd. Zo groeide onder Gijsbrechts bestuur IJsselstein uit van een kasteel met wat boerderijen tot een stad.

Gijsbrecht overleed in 1342 of 1343 en werd door zijn zoon Arnold opgevolgd als heer van IJsselstein. Hij werd bijgezet in de door zijn kleindochter Guyote van IJsselstein opgerichte graftombe van de heren van IJsselstein in de Sint-Nicolaaskerk.

 
van Amstel, later van IJsselstein, Gijsbrecht (I6223)
 
178

Hij was een zoon van Gijsbrecht van IJsselstein en Bertha van Heukelom. Vanaf 1312 wordt hij vermeld als ridder. Tussen 1314 en 1325 bekleedde hij diverse functies in het Sticht Utrecht als schout in Amersfoort en Eemland.

In 1344 volgt hij zijn vader op als heer van IJsselstein. Hij wordt hierin erkend door graaf Willem IV van Holland. Hij heeft in 1345/48 en in 1354/57 zitting in de raad van de graaf van Holland, en wenst bij het opkomen van de Hoekse en Kabeljauwse twisten neutraal te blijven.

Arnold had een grote interesse in de geneeskundige wetenschap en liet speciaal een medische bibliotheek inrichten met rustgasthuis te IJsselstein. Arnold was gehuwd met Maria van Avesnes, dochter van bisschop Gwijde van Avesnes. Zij kreeg een dochter genaamd Guyote die met Jan I van Egmond huwde. Zij volgden hem op als heer en vrouwe van IJsselstein.

Arnold en zijn vrouw werden in de Sint Nicolaaskerk te IJsselstein bijgezet in de graftombe van de heren van IJsselstein

 
van Amstel van IJsselstein, Arnold (I503774)
 
179

Hij was een zoon van Reinoud II van Brederode en Yolande van Lalaing. Op 3-jarige leeftijd benoemde zijn vader hem tot drossaard van Hagestein. Walraven II zou net als zijn vader Reinoud II en oom Gijsbrecht in 1470 gevangen zijn genomen door bisschop David van Bourgondië, hij wist echter met enige hulp te ontsnappen en vluchtte naar Kasteel Batenstein. Op 16 oktober 1473 volgde hij zijn vader op als 10e heer van Brederode. Bij de huldiging werd hij dwarsgezeten door zijn halfbroers, die bastaards waren, maar Walraven werd als rechtsgeldige opvolger gezien. In 1486 werd hij tot ridder geslagen door Maximiliaan van Oostenrijk en nam zitting in diens raad. Na het overlijden van Maria van Bourgondië, Maximiliaans vrouw werd er binnen het Hoekse bewind een manier gezocht om deze factie nieuw leven in te blazen. Walraven leek de aangewezen persoon maar omdat deze in de gunst en aan het hof van de Keizer verbleef koos men voor zijn jongere broer Frans van Brederode aan het hoofd van de nieuwe Hoekse beweging, dat de Jonker Fransenoorlog zou inluiden. De grootse reden waarom Walraven II niet verkozen was, zou zijn omdat hij zich niet verzoend had met Jan III van Montfoort. Walraven bleef politiek gezien buiten schot.

Walraven huwde in 1492 met de adellijke Magretha van Kloetinge van Borselen, ze was echter eerst verloofd met Maarten van Polheim, die toebehoorde aan de Orde van het Gulden Vlies. Echter was Walraven zo verliefd dat hij de verloving afkocht met 1968 florijnse guldens en 16 stuivers, waarna hij met haar kon trouwen; zij overleed in 1507 waarna hij nog met Anna van Nieuwenaar huwde (11 mei 1508). Rond 1500 had Walraven een relatie met Jacobje Bertoutsdochter.

 
van Brederode, 10e Heer van Brederode, burggraaf (bailiff) van Utrecht Walraven II (I501445)
 
180

Hij was een zoon van graaf Dirk VI van Holland en Sophia van Rheineck. In 1157 volgde hij zijn vader op als graaf van Holland.
Vanaf 1161 was hij in onderhandeling of in oorlog met de West-Friezen. De West-Friezen verwoestten Alkmaar tot twee keer toe, Floris plunderde en verwoestte op zijn beurt Schagen, Winkel (Niedorp) en Niedorp. Toen Floris in 1184 zelfs Texel en Wieringen veroverde, gaven de West-Friezen op. Er werd een vrede gesloten waarbij de West-Friezen 4000 zilveren marken moesten betalen.
Floris kwam in 1165 in conflict met de bisschop van Utrecht over de aanleg van een dam in de Oude Rijn bij Zwammerdam. Ook maakte de bisschop aanspraak op de heerschappij over West-Friesland. Keizer Frederik I van Hohenstaufen besliste in Utrecht dat het gezag en de inkomsten van West-Friesland tussen de graaf en de bisschop moesten worden verdeeld.
In het zuiden stelde Floris een tol in bij Geervliet. Deze tol was vooral gericht op de scheepvaart tussen Vlaanderen en de Rijn. Graaf Filips van de Elzas van Vlaanderen oefende zoveel druk uit op Floris, dat die de tol weer ophief. In 1166 stelde Floris de tol opnieuw in. Filips verzamelde een leger en trok naar het noorden en wist Floris gevangen te nemen. In 1167 moest Floris het Verdrag van Brugge (1167) sluiten, wat hem verplichtte de tol weer op te heffen en de opperheerschappij van Vlaanderen over Zeeland te erkennen.
Op rijksniveau was Floris een trouwe bondgenoot van de Duitse keizer Frederik Barbarossa. In 1158 en van 1176 tot 1178 nam hij deel aan de expedities van Frederik naar Italië. Hij werd daarvoor ruim beloond. In 1177 kreeg hij de status van rijksvorst. In 1178 werd zijn broer Boudewijn van Holland bisschop van Utrecht en in 1179 gaf Frederik definitieve goedkeuring aan de tol van Geervliet. Floris nam ook deel aan de Derde Kruistocht en was daarin een van de aanvoerders van Frederik. Floris stierf op 1 augustus1190. Hij werd begraven in de Petruskerk[bron?] van Antiochië.

 
van Holland, Floris III (I402)
 
181

Hij was heer van der Clusen en vanaf 1573 heer van Heeze, Leende, Zesgehuchten en Geldrop, die hij erfde van zijn jong gestorven broer Filips.

Toen de Spaanse troepen na de dood van landvoogd Requesens aan het muiten sloegen, stelden de Staten van Brabant hem aan als kolonel van een nieuw gelicht regiment om de orde te herstellen. Met deze troepen voerde hij op 4 september 1576 een staatsgreep uit, waarbij de leden van de Raad van State onder arrest werden geplaatst. Hierna werd aangevangen met het beleg van het Spanjaardenkasteel. Hij werd hierop bevorderd tot kapitein-generaal en was de onbetwiste leider in Brussel en stond voortdurend in verbinding met Willem van Oranje.

Hij was een van de ondertekenaars van de Eerste Unie van Brussel op 9 januari 1577, die voorzag in de terugtrekking van de Spaanse troepen. Als katholiek was hij een tegenstander van de uitbreiding van het calvinisme en voorstander van een verzoening met Spanje. Dit leidde tot toenadering tot de nieuwe landvoogd Juan van Oostenrijk, die hem een jaargeld beloofde.

De nieuwe landvoogd vreesde echter de machtspositie van Willem van Horne. Bij de onderhandelingen met de Staten-Generaal drong hij aan op het ontslag van Willem van Horne en de verwijdering van zijn troepen uit Brussel. Het gemeentebestuur van Brussel stemde hier begin juli 1577 mee in.

Toen Juan van Oostenrijk korte tijd later in het offensief ging en Namen innam, werd Willem van Horne militair aanvoerder aan Staatse kant. Hij was bij de vijftien edelen die in september 1577 Matthias van Oostenrijk uitnodigden het landvoogdschap over de Nederlanden op zich te nemen. Hij streed mee in de slag bij Gembloers op 31 januari 1578 en brak met Willem van Oranje toen deze zich de regering over deze provincie wou laten toevertrouwen. Het verblijf van Willem van Horne te Brussel, dat Willem van Oranje zeer genegen was, werd hierna onmogelijk.

Willem van Horne begaf zich met zijn regiment naar Maastricht, waar hij werd benoemd tot militair gouverneur. Zijn troepen plunderden echter de omgeving en de getergde Maastrichtenaren klaagden hem aan wegens corruptie en wanbeleid, waarna hij in augustus 1578 weer wegtrok.

Hij sloot zich in Brussel aan bij een groep edelen onder leiding van de heer van Champagney die ontevreden waren over de algehele religieuze tolerantie die door Willem van Oranje werd voorgesteld, en die eisten dat Brussel, als hoofdstad, katholiek moest blijven. Het gezelschap werd gearresteerd en zou zich in Antwerpen moeten verantwoorden; Willem van Horne kon echter onderweg ontsnappen.

Hij voegde zich bij Emanuel Filibert van Lalaing, leider van de Malcontenten, en was een van de ondertekenaars van de Unie van Atrecht op 6 januari 1579.

Misnoegd omdat de Spanjaarden zich niet aan hun beloften hielden, begon hij onderhandelingen met Frans van Anjou, die door Willem van Oranje in de functie van landvoogd werd geroepen. De Spaanse landvoogd Alexander Farnese kwam hierachter en liet hem gevangen zetten in Le Quesnoy. Hij werd op 7 november 1580 veroordeeld voor hoogverraad en de volgende dag onthoofd. Zijn bezittingen werden verbeurd verklaard.

 
van Horne, Willem (I468)
 
182

Hij was in 1577 een van de ondertekenaars van de Unie van Brussel.

Na de dood van Maarten van Horne, zijn vader, kreeg hij het Land van Altena en de stad Woudrichem toegewezen door koning Filips II van Spanje,[2] en na de onthoofding van zijn broer Willem van Horne in 1580 kreeg hij de heerlijkheden Heeze en Geldrop toegewezen door koning Filips II van Spanje, doch in 1585 schonk Filips II de heerlijkheden aan zijn zus Maria van Horne en zwager Filips van Egmont. Hij was in 1577 een van de ondertekenaars van de Unie van Brussel.

 
van Horne, Joris (I6677)
 
183

Hij was ridder, eerst hoveling van keizer Lodewijk, daarna kamerheer van de Hertog van Lotharingen (Lorraine).
Heijman was gehuwd met Helena van Frankrijk. Kind van Heijman en Helena

 
van Arkel, Heijman (I1151)
 
184

Hij was van 1118 tot 1139 als Walram II hertog van Limburg in opvolging van zijn vader. Hij was ook hertog van Neder-Lotharingen van 1128 tot 1139, ter vervanging van Godfried I van Leuven, die zichzelf niettemin oorkondelijk als hertog van Neder-Lotharingen bleef beschouwen. Walram werd in 1128 hoe dan ook door de Duitse keizer het hertogelijk gezag toegekend (inbegrepen de Markgraafschap Antwerpen als ambtsleen). Het jaar daarop, in 1129, werd hij ook voogd van Duisburg.

Zijn zoon Walram werd graaf van Aarlen. Hij werd in het hertogdom Limburg opgevolgd door zijn zoon Hendrik II van Limburg, die later ook het graafschap Aarlen van zijn broer zou overnemen.

Op 16 juli 1139 blies Walram II zijn laatste adem uit. Nog vóór 9 februari 1140 bevestigde Koenraad III Godfried VI als hertog van Neder-Lotharingen, die al op 25 juni 1139 het hertogschap daadwerkelijk uitoefende.

Walram II droeg de volgende titels: graaf van Aarlen in 1115, graaf van Wassenberg en Limburg in 1119 en hertog van Neder-Lotharingen in 1128. Voorts was hij markgraaf van Antwerpen en rijksvoogd van Duisburg.

 
von Limburg, Hertog Walram (I502436)
 
185

Hij werd op 7 Mei 1403 beleend met 10 morgen land in Zandwijk (Almkerk). Onder hertog Willem VI kreeg hij dit land in vrij eigendom en verkocht het aan Klaas De Rode. Hiervoor in de plaats zou hij 5 morgen in Papendrecht opdragen.

 
Giessen, Claes Lodewijck Aertsz (I1109)
 
186

Hij woonde op kasteel 't Zandt in Oegstgeest. Eind 14e eeuw bewoonde hij het Kasteel Paddenpoel

 
van Wassenaer, Dirk III (I7817)
 
187

Hij wordt ook gezien als de stamvader van het geslacht IJsselstein.
Hij was een zoon van Gijsbrecht III van Amstel en zijn mogelijke moeder was Bertha van Oestgeest of Aleidis van Cuijk[1]. Hij wordt voor het eerst genoemd in een document uit 1267 waar hij van het kapittel van Sint-Marie te Utrecht een pacht kreeg over Achtersloot. Zijn broer Gijsbrecht IV van Amstel getuigde hierbij. Tussen 1268 en 1275 stichtte hij een kasteel bij IJsselstein, waaruit hij in 1279 werd verdreven door graaf Floris V van Holland. Hij vluchtte toen naar kasteel Vreeland, een bezit van zijn broer Gijsbrecht, maar moet dit ook overgeven aan Floris V in 1280. Hij werd daarna gevangengenomen en naar Zeeland overgebracht. Op 27 oktober 1285 werd hij met zijn broer weer vrijgelaten na een verzoening met de graaf.

In 1290 komt Arnoud nog voor in oorkondes, maar met enige zekerheid kan worden aangenomen dat hij voor 12 mei 1291 overleden is[2]. Hij was getrouwd met ene Johanna of Janne van wie hij zeker twee zoons had.

 
van Amstel, Arnoud (I6224)
 
188

Hoewel hij niet tot het Gotische koningshuis van de Amali behoorde (hij was trouwens helemaal niet van hoge komaf) werd hij na de door hem bevolen moord op koning Theodahad gekroond als koning. Wellicht speelde zijn militaire ervaring hierbij een rol. Om zijn koningschap enige legitimeit te bezorgen, huwde hij Mathesuntha, kleindochter van Theodorik de Grote
Toen Witiges de troon betrad bevonden de Goten zich midden in hun strijd tegen ByzantiumBelisarius, generaal van het Oost-Romeinse Rijk voerde op dat moment een succesvolle campagne in Zuid-Italië. Witiges was in eerste instantie succesvol tegen de oprukkende Oost-Romeinen, maar werd vernietigend verslagen bij een poging Rome te heroveren op Byzantium. Volgens Procopius van Caesarea stuurde Witiges vervolgens een verzoek aan Khosrau I van de Sassaniden om het Oost-Romeinse Rijk aan te vallen, waardoor hijzelf ontlast zou worden. Chosrau voldeed inderdaad aan het verzoek maar de aanval op Byzantium kwam voor Witiges te laat. Belisarius wist zonder enige strijd Ravenna in te nemen: verblijfplaats van Witiges.

Hij en zijn vrouw Mathesuntha werden gevangengenomen en naar Constantinopel gevoerd. Witiges werd daar overigens respectvol behandeld. Door Justinianus I werd hij tot patricius benoemd en ontving een ruim salaris. Na zijn dood trouwde Mathesuntha met een neef van Justinianus I, de patriciër Germanus.

 
Witiges (I7794)
 
189

hofstede te Lexmond en een goed te Oversloot (1392)

Het goed te Oversloot in het gerecht van Jaarsveld, (1570: waarin een uiterwaard en zandwaard op Oderixoy, strekkend van de Lekdijk tot de Lek, boven: nu. Gerard Coster te Montfoort, beneden: Arnout Bosch.
25-7-1392: Werner Jansz. van Oversloot, 6 fo. 38~.
2-3-1420: Gijsbert van Oostrum Gerardsz., gehuwd met Geertruida, ook voor Katharina, hun dochter, zoals Werner Jansz., 9 fo. 12~.
18-4-1420: Steven van Oversloot, 9 fo. 30.
..-.- 14..: Geertruida van Oversloot, gehuwd met Gijsbert van Oostrum, bij dode van Steven, haar broer, 9 fo. 30.
25-2-1439: Gerard van Oostrum met lijftocht van Gijsbert, zijn vader, 10 fo. 30.
 
616. Een hofstede met toebehoren in Lexmond, boven: Zweder van Voorn met nr. 659, beneden: Jan Alfersz.
25-7-1392: Werner Jansz. van Oversloot, 6 fo 38

 
van Oversloot, Werner Jansz (I3228)
 
190

In 1369 wordt vermeld als Willem VI van Horne, Heer van Altena, aan Vastraet van Giessen goederen in leen geeft, waaronder het veer van Andel dat tussen “Veenregraven” en de kerk van Rijswijk ligt.

 
Ghiessen, Arnout Vastraetsz (I1154)
 
191

In 1542 gebruikt hij een deel "gorsinge" te 's-Gravenambacht. Het geslacht Verduijn (ook wel Duyn of Duynen) is één van de oudste geslachten van het dorp Charlois, tegenwoordig een stadswijk van Rotterdam.

In 1632 telde Charlois 137 huizen en heette het "een fraai gebouwd dorp temidden van prachtige weilanden en korenvelden". Het wapen Verduijn: 2 boven elkaar geplaatste snoeken van zilver, op een blauw veld. Helmteken: een vlucht met uitkomende snoek. Dit wapen komt voor op een gedenksteen in de kerktoren van Charlois (zie grafzerken etc. in de kerken van Zuid-Holland door Mr. P.C. Bloys van Treslong Prins) en op de grafzerk van kleinzoon Wouter Hendricks Verduijn en echtgenote.

 
Verduijn, Wouter Cornelis (I1293)
 
192

In 990 volgde Boudewijn zijn vader op als graaf van Boulogne, Saint-Pôl, Guînes, Lens en lekenabt van de abdij van Sint-Bertinus. Boudewijn trouwde met Adelheid van Holland. Hij maakte gebruik van de minderjarigheid van Boudewijn IV van Vlaanderen om een onafhankelijke positie te verwerven, wat later resulteerde in een voortdurende vijandschap tussen de twee Boudewijns. In 1017 vochten Boudewijn en zijn broer Arnulf tegen Vlaanderen, waarbij Arnulf werd gedood. Boudewijn werd in 1033 gedood door Engelram I van Ponthieu die door Boudewijn was beledigd. Engelram trouwde vervolgens met Adelheid.

 
van Boulogne, Boudewijn II (I6760)
 
193

In 1521, toen zijn vader overleed, verkreeg hij Baucigny en Lokeren. De overige heerlijkheden verkreeg hij in 1534, toen zijn moeder afstand deed.

Filips bekleedde hoge posities aan het hof van Maximiliaan van Oostenrijk en was kamerheer en adviseur van keizer Karel V.

Toen Filips stierf waren zijn kinderen nog minderjarig en nam Clara het bestuur over de heerlijkheden waar.

 
van Horne, Filips (I6671)
 
194

In het klepboek van Dordrecht is een veroordeling uit het jaar 1394 opgetekend, waarbij een zekere Aecht van Driel voor drie jaren verbannen werd. De reden van verbanning wordt niet vermeld. Een lichter vergrijp was gepleegd door Margriete van Driel, die samen met drie andere vrouwen in 1412 werd beschuldigd "van quaed werck, van quaetsprecken ende onzedeliken leven". Zij werden veroordeeld tot het leveren van elk 1000 stenen voor de bouw van de kerk, een in die tijd niet ongebruikelijke boete, die ten goede kwam aan de gehele stedelijke gemeenschap. Vermoedelijk behoorden zowel Aechte als Margriete van Driel tot de verwanten van Jan van Driel: het is niet uitgesloten dat een van beiden diens echtgenote of weduwe was.

 
Meeuszdochter, Margriete (I501008)
 
195

In 536 trouwde ze met Witiges – die niet van koninklijken bloede was - in diens poging om zijn rechten op de troon te versterken.

In 540 werd zij samen met haar echtgenoot na de nederlaag van Witiges tegen Belisarius overgebracht naar Constantinopel. Na de dood van Witiges trouwde zij met Germanus, een neef van de keizer Justinianus I.

 
van de Oostgoten, Mathesuntha (I7793)
 
196

Is samen met zijn broer Jan Pietersz de Boer mede-erfgenaam van de bezittingen van Elbert Hercks, in leven burgemeester van Westerblokker. bron : notariële akte 17-1-1738 notaris Jacob Schagen, Oosterblokker

 
de Boer, Remment Pietersz (I7275)
 
197

Item meyster Beernt Bernsts hoft genoemen voirt wolle gherechts III 1/2 groet up sijn huijs ende hofstede staende op den Dam ende heft se gelijcht ende gelost [van Aryen] vande hofstede voirs. Skepen omnes. (ca 1505-1515) Op voors. datum van huyden anno XVc tve ende veertich (1542) heeft overgegeven Jan Zegersen seven oeriens (?), die welcke hij off wennu (?) echt is van die arfgenamen van meyster Bernt Berntss arfgenamen ende set op sijn huijs ende hofstede gelegen ter Ameyde aen die oestsijde van den Dam, noertwaerts naest ghehuist ende gearft Meynert Claesen mit sijn consorten aen die suijtsijde naest gehuijst ende gearf [Jan zegerse = doorgehaald] Bastyaen Aelersse. Actum by scepenen o(mn)es Volgens Isaac Tirion (1749) is Ameide in 1527 door de Utrechtschen veroverd en is de stad ontmanteld. In 1732 worden 142 huizen en 1 korenmolen geteld

 
Berntz, Beernt (de Jonghe) (I3222)
 
198

Item opten twaleften dach deser maent (Februaius) sterf Dirc Beerntss. Ende heeft besproken voer sijn memori der kerc negen stuver sjaers. Ende sal hiervoer belichten mit vijf keersen, den pastoer twee stuver, den kosten 1stuiver. Uut ses mergen lants ghelegen op Zevenhoeven, noerwaert naest ghelegen Claes Peterss, zuywaerts Claes Engbertss

 
Beerntss, Dirc (I3237)
 
199

Item uut die hofstede daer Jan Bertss op woent, heeft die kerc jaerlics acht vlaems. (ca 1540: Nu altans toebehorende Cornelis Henrick Daemss). Ca 1540: woont Jan Berntss op de hofstede die vroeger werd bewoont door Peter van Eyke en daarvoor Jan meister Jansz

 
Berntz, Jan (I3221)
 
200

Jan II van Avesnes (1247 - Valenciennes, 22 augustus 1304), was als Jan I van Avesnes graaf van Henegouwen van 1280 tot 1304 en als Jan II van Avesnes graaf van Holland en Zeeland van 1299 tot 1304.

Jan was de oudste zoon van Jan van Avesnes (zoon van Margaretha van Constantinopel) en Aleid van Holland (dochter van graaf Floris IV van Holland). Zijn vader Jan en Margaretha hadden een lange strijd gevoerd over de verdeling van de goederen van Margaretha. Daaruit volgde dat vader Jan Henegouwen zou erven, maar omdat hij voor Margaretha overleed, ging dit recht over op Jan II. Jan II sloot voor alle zekerheid in 1272 een verbond met zijn neef Floris V van Holland tegen Margaretha. Daarmee werd het verbond van hun vaders voortgezet. Koning Rudolf van het Heilige Roomse Rijk, erkende Jans rechten in 1275. In 1277 wees Rudolf Jan bovendien aan als erfgenaam van Floris, indien die kinderloos zou overlijden. In februari 1280 volgde hij Margaretha op in Henegouwen, die het graafschap Vlaanderen reeds in 1278 had afgestaan aan haar zoon uit haar tweede huwelijk, Gwijde van Dampierre.

Jan I hervatte meteen de strijd van zijn vader om Rijks-Vlaanderen. Om de oorlog te financieren hief hij hoge belastingen en nam hij ook kerkelijke bezittingen in beslag. De stad Valencijn kwam daarom in opstand tegen Jan. Zijn eigen broer, Willem, bisschop van Kamerijk, bestrafte Jan door een interdict over Henegouwen uit te spreken. Jan moest de oorlog tegen Vlaanderen daardoor beëindigen, zonder dat een van de partijen de overwinning had behaald. Valencijn stelde zich echter onder de bescherming van koning Filips IV van Frankrijk.

In 1295 kwam het tot besprekingen tussen Jan, Filips en Floris over een gezamenlijke aanpak van Vlaanderen. Deze politiek werd echter verstoord toen Floris in 1296 werd vermoord. Filips en Jan kwamen in 1296 wel tot een regeling met Valencijn, waardoor Jan het gezag over de stad weer terug kon krijgen. Toen op 1 augustus 1299 Wolfert I van Borselen, regent van Holland en schoonzoon van Jan, werd vermoord, riepen Dordrecht en de andere steden van Holland Jan te hulp. Het zal een onbewijsbaar vermoeden blijven dat achter deze daad Henegouwse agenten zaten. Jan kocht de loyaliteit van Dordrecht met de verlening van het stapelrecht.[2] Hij nam de regering in handen en werd op 27 oktober officieel door de vijftienjarige graaf Jan I van Holland tot "ruwaard" benoemd voor de duur van vijf jaar. Twee weken later stierf de jonge graaf, officieel aan dysenterie, maar er deden natuurlijk ook kwade geruchten de ronde. Jan was zijn erfgenaam en werd in 1299 graaf van Holland. Voortaan was Holland in een personele unie met Henegouwen verenigd. De Duitse koning Albrecht I meende zich met de opvolging te moeten bemoeien: hij riep de onderdanen van de graaf op hun trouw aan Jan op te zeggen. Hij ging daarvoor naar Nijmegen, maar toen daar een Hollands leger naderde, zette hij zich op sienen peerde ende reet te lande, al dat hi mochte (augustus 1300).

Omdat Filips grote delen van Vlaanderen had bezet, kon Jan in 1301 eenvoudig de Vlaamsgezinde adelsfractie in Zeeland onderwerpen. Ook kon hij in dat jaar zonder problemen zijn broer Gwijde van Avesnes tot bisschop van Utrecht laten benoemen, maar na de Guldensporenslag had Vlaanderen weer het initiatief. In 1303 viel een Vlaams leger Zeeland binnen en in maart 1304 versloegen de Vlamingen onder Gwijde van Namen Jans zoon Willem op Duiveland (voormalig eiland). Bisschop Gwijde van Utrecht werd gevangengenomen en in Utrecht volgde een anti-Hollandse reactie. Holland en Zeeland zelf vielen grotendeels in handen van Gwijde van Namen of van Jan II van Brabant, die zich bij de aanvallers had gevoegd. Diezelfde zomer keerden de kansen. Op 11 augustus werd Gwijde van Namen definitief verslagen in de Slag bij Zierikzee door een Hollands-Franse vloot onder leiding van Reinier Grimaldi. Toen Jan overleed was zijn gezag in Holland en Zeeland vrijwel geheel hersteld.

 
van Avesnes, Jan II (I471)
 

      «Prev 1 2 3 4 5 6 7 8 ... 22» Next»