Notes


Matches 151 to 200 of 1,040

      «Prev 1 2 3 4 5 6 7 8 ... 21» Next»

 #   Notes   Linked to 
151

Geboren op Marken op 25 juni 1878. Jaap Janssen woonde op de Wittewerf. Hij is overleden in het Beekman hospitaal in New York ten gevolge van pernicieuse leukemie en begraven op Cypress Hills Cemetery, Jamaica Avenue, Brooklyn, New York City (Vak 16, Rij 1, Nummer 294). Hij is drager van het Oorlogsherinneringskruis (baton met een ster) toegekend op 17 april 1945. Jaap Janssen was gehuwd met L. Janssen-Zeeman, Wittewerf 27. Hij was aanvankelijk schipper op een logger, later matroos bij de KNSM. Zijn naam staat op de gedenksteen van de KNSM in het Scheepvaarthuis te Amsterdam. Zijn naam staat ook in het Slachtofferregister van de Nederlandse Oorlogsgravenstichting.  Jaap Janssen overleed op 22 april 1945 in New York.

 
Janssen, Jaap (I6505)
 
152

gedoopt op 30-04-1626 te Meerkerk (getuige(n): de vader, zijn broer Jan Barentsen en Adriaantje Lambertsdr), overleden voor 1675. Berent Philips (16-4-1659) voogd in bijwezen van Theunis Hendricks van Nes en te samen van de onm. weeskinderen van Adriaen Berentsen Zoon van Philips Berentsz van den BURGGRAEF (zie IXa) en Weijntje Cornelis Heijmensdr (MAES).

 
van den Burggraaf, Barent Philipsz (I502857)
 
153

Gerard was graaf van Wassenberg van 1085 – 1129. In 1096 werd hij, als Gerard I, ook graaf van Gelre. Hij werd in 1096 ook als landgraaf geattesteerd in een keizerlijke oorkonde: MGH Diplomata Henrici IV nr. 459: Gerardus lantgrave, waarschijnlijk met betrekking tot een rijksleen in de Teisterbant. Daarnaast was hij voogd van Erkelenz, Roermond en Utrecht. Gerard was een van de machtigste edelen van Neder-Lotharingen en probeerde zijn bezit vooral ten koste van de bisschop van Utrecht te vergroten. Dit leidde tot conflicten met Utrecht maar ook met de aartsbisschop van Keulen en de graven van Holland. Op rijksniveau was Gerard een trouw bondgenoot van Hendrik IV (keizer). Samen met zijn neef/broer Gosewijn I van Valkenburg dwong hij de benoeming van Hendriks kandidaat af, als abt van Sint-Truiden.
Gerard was een zoon van graaf Gerard III van Wassenberg. Gerards eerste vrouw is onbekend. Hij hertrouwde met de weduwe van Koenraad I van Luxemburg, Clementia van Poitiers.

 
Von Wasseberg, Gerard (I502440)
 
154

Gerberga van Holland Geboren van Hamaland in 912 is gehuwd in 930 met Dirk I Bis van Holland geboren in 900 (en NIET met diens vader Dirk van Holland I geboren in 875 en overleden in 930) in 932 werd hun zoon Dirk II van Holland geboren te Egmond aan Zee en zij overleed op 21 jarige leeftijd op 11 Januari 933. Dirk II groeide op in de St. Pietersabdij te Gent (Belgium) nadat zijn vader Dirk I Bis van Holland gesneuveld was in de slag bij Andernach (D) op 2 of 5 oktober 939 totdat hij meerderjarig was geworden op 15 jarige leeftijd. Als een der eerste zaken regelde Dirk II dat het houten klooster dat zijn vader had laten bouwen te Egmond vervangen werd door een stenen klooster en bevolkte dit met monniken uit de St. Pietersabdij te Gent. Op 18 jarige leeftijd huwde in 950 Dirk II van Holland met de 16 jarige Hildegard van Vlaanderen.

 
van Hamaland, Geberge (Geva) (I383)
 
155

Gwijde van Avesnes stamde uit een belangrijk geslacht in het graafschap Henegouwen. Hij was de broer van graaf Jan I van Henegouwen, die tevens (als Jan II) graaf van Holland was. Deze wist Gwijde in 1301 tot bisschop van Utrecht benoemd te krijgen ten koste van Adolf II van Waldeck. Gwijde werd door de aartsbisschop van Keulen in 1302 gewijd. Hij bracht een verzoening tot stand tussen de Lichtenbergers en de Fresingen. In 1304 verzwakte de positie van zijn broer Jan door een offensief van Vlaamse troepen die Holland en het Sticht bezetten. Gwijde werd hierbij gevangengenomen (Slag bij Zierikzee, 20 maart 1304).

In zijn afwezigheid grepen de Fresingen de macht in Utrecht met de steun van de gilden, die hun voorrechten lieten vastleggen in de Gildenbrief van 9 mei 1304. Op 14 september 1305 moest het gilderegime capituleren voor de vrijgelaten bisschop Gwijde, maar de stad behield een hoge mate van autonomie. Het duurde echter nog tot 1309 voordat de bisschop volledig als wereldlijk vorst door de koning werd erkend. In 1311 nam hij deel aan het eerste Concilie van Vienne, en ook daarna was hij veelvuldig buitenlands te vinden.

Gwijde van Avesnes wist goed te schipperen tussen de verschillende partijen in het Sticht en in de stad en bracht zo een evenwicht tot stand. Hij beheerde persoonlijk de bezittingen van de heren van Amstel (Amstelland) en van Woerden (de stad Woerden), en verleende als zodanig in 1306 stadsrechten aan Amsterdam. In 1315 liet hij zijn tweede burggraaf Ghisebrecht Utengoye onthoofden, nadat die rooftochten door het Sticht had georganiseerd. Als vervolg in 1317 nam Gwijde van Avesnes met de zwaarste wapens uit die tijd het machtige Kasteel Ten Goye in. In de nacht daarop overleed hij. Na zijn dood vervielen de lenen definitief aan de graaf van Holland.

In de Domkerk in Utrecht is zijn graftombe in geschonden toestand bewaard gebleven

 
van Avesnes, Gwijde (I6230)
 
156

heer van Weerdenburg 1265-1280 en heer van Hiern, Neerijnen, Oppijnen en Meteren is de stamvader van het geslacht de Cock.

In het gebied tussen de Lek en de Linge en tussen Beesd en Leerdam, gelegen in de Tielerwaard, bezat hij veel goederen waaronder een burcht te Rhenoy. Deze bezittingen had hij geërfd van zijn bet-overgrootmoeder Jolanda van Gelre gravin van Henegouwen[bron?]. Met graaf Otto II van Gelre komt hij overeen goederen te ruilen. Otto II had wel belangstelling voor het kasteel van Rudolf. Otto's gebied kon dan nog beter worden verdedigd.

Na overleg met zijn zonen, Rudolf, Hendrik, Gijselbert en Willem, draagt hij 5 augustus 1265 zijn burcht te Rhenoy, alsmede al zijn goederen gelegen tussen de rivieren de Lek en de Linge op in ruil voor de heerlijkheden Hiern, Neerijnen en Opijnen. Hij krijgt daarbij toestemming om een kasteel te bouwen. Dit wordt het Kasteel Waardenburg. De naam van het kasteel gaat later over in het dorp.

 
De Cock van Weerdenburg, Rudolf I (I6798)
 
157

Hendrik volgde in 1082 zijn vader op als graaf van Limburg. Hij verzette zich in 1094 tegen de benoeming van Arnold I van Loon als voogd van Sint-Truiden voor de bezittingen in het prinsbisdom Metz. Zelf werd Hendrik in 1095 benoemd tot paltsgraaf van Neder-Lotharingen. Hij volgde zijn hertog Godfried van Bouillon in de Eerste Kruistocht en keerde daarna naar huis terug.
In 1101 werd hij benoemd tot opvolger van Godfried als hertog van Neder-Lotharingen en markgraaf van het markgraafschap Antwerpen. Zijn bestuur wordt vooral herinnerd omdat hij de schenking van tienden door Godfried aan Antwerpse kerken, ongedaan maakte. In 1106 moest Hendrik zijn functie opgeven omdat hij trouw bleef aan de afgezette keizer Hendrik IV na de coup van diens zoon, de latere keizer Hendrik V. Hertog Hendrik werd zelfs gevangengezet maar wist te ontsnappen.
In 1108 nam Hendrik paltsgraaf Siegfried gevangen die een complot tegen Hendrik V zou hebben beraamd. Hierdoor kwam Hendrik terug in de gunst van de keizer. Maar in de volgende jaren koos ook Hendrik de kant van de tegenstanders van de koning. Hij vocht mee met de Lotharingse edelen die in 1114 de keizer versloegen bij Andernach. In 1115 was hij een van de aanvoerders van de Lotharingse troepen die de Saksen hielpen tegen de keizer in de slag bij Welfesholz, waar de keizer opnieuw werd verslagen. Op de terugweg veroverden de Lotharingers Münster (stad), en verwoestten ze de palts van Dortmund en een aantal kastelen. In Mainz werd vervolgens een wapenstilstand bemiddeld. Daarna zijn geen bijzonderheden over Hendrik bekend.
Hendrik was getrouwd met Adelheid van Pottenstein (ca. 1080 – 13 augustus 1106). Zij was een achternicht van keizerin Bertha van Savoye, wat ongetwijfeld een invloedrijke steun betekende bij de benoemingen die Hendrik verkreeg.

 
van Limburg, Henri (I502445)
 
158

Hermeric leidde het volk van de Sueben vanuit het oorspronkelijke woongebied bij de Oostzee op een zwervend bestaan door Germanië. In 406 trokken de Sueben, samen met de Alanen en de Vandalen (Asdingen en Silingen), over de bevroren Rijn het Romeinse Rijk binnen. Deze volken trokken de Pyreneeën over en veroverden grote delen van het Iberisch schiereiland. In 411 werden de veroverde gebieden door loting verdeeld en de Sueben vestigden hun koninkrijk in de Romeinse provincie Gallaecia. Hun hoofdstad was Bracara Augusta, de huidige Portugese stad Braga. De Romeinen probeerden de nieuwkomers binnen hun rijk aan zich te binden door verdragen met hun te sluiten. Het verdrag dat zij met de Visigoten sloten, leidde ertoe dat deze in 416 met een leger de Germaanse volken op het Iberisch schiereiland aanvielen. De Alanen en de Silingen leden zulke zware verliezen dat deze noodgedwongen opgingen in de Asdingen. De expeditie van de Visigoten werd door de Romeinen afgebroken nog voordat de macht van de Sueben en de Asdingen was gebroken. In 419 ontstond er een conflict tussen de Sueben en de Vandalen, de Sueben worden door Romeinse interventie van een nederlaag gered.

Hermeric bewaarde de vrede totdat de Vandalen naar Africa trokken in 429. Daarna begon hij plundertochten in hun vroegere gebieden en tegen de inheems-Romeinse bevolking in zijn eigen koninkrijk. De inheemse bevolking deed een beroep op Flavius Aetius, de sterke man van de Romeinen in Gallië. Zijn afgezanten wisten Hermeric te matigen maar pas in 435 kon door bemiddeling van bisschoppen en directe onderhandelingen met de keizer, een nieuwe vrede gesloten worden

In 438 deed hij, ernstig ziek, afstand van de troon en volgde zijn zoon Rechila hem op. In 441 stierf hij.

 
der Sueben, Hermeric (I4125)
 
159

Het Huis van Doerne

Dit huis, zijnde het hoekhuis, dat naar deszelfs latere eigenaren gezegden naam kreeg, behoorde oudtijds toe aan de familie van Amerzoyen 1), ook wel van Amelroye geheeten; daarvan was de oudst bekende Henrick van Amerzoyen Janszoen, die van Jan Dicbier het goed Ten Houte onder St. Oedenrode 2) kocht en die door den Hertog van Brabant werd beleend met: dat ambacht van de verckenen te besien 3) overal in de stat ende meyerien van den Bossche, om dat te bedienen oft van synen weghen te doen bedienen; hij huwde met Elisabeth van Dordrecht

Had huizen in Den Bosch, St Oedenrode, Waalwijk etc. Ook gegoed te Oisterwijk (vermeld ORA Oisterwijk inv nr 147, diverse belendingen in 1430; inv nr 148, 1433, de erfgenamen van… ). Zegelt akten van de hertog op o.a. 9-6-1420, 24-7-1424 en 7-9-1431; zegels zoek in 1413, 1430. Vgl GTMWNB 1978

Alias Van Amelroye; vgl NL 1959/91. Griffier van de Leenhof van Brabant (1428), schepen van Den Bosch (1423), heer van Bobnagel (?) in St Oedenrode. In 1413 en 1430-1 leenman van Brabant, tekent hertogelijke oorkonden als getuige.
Mogelijk zoon van Jan Henrick Gerit Evert van Ammersoyen.

 
van Amerzoyen, Henrick Janszoen (I6927)
 
160

Het wapen van Verduijn toont twee vissen (snoeken) op een veld van lazuur en kan op visrechten wijzen.

Een overlevering wil, dat er in lang vervlogen tijden onder de familie Verduijn een rijke vader was met 4 zonen, welke hun inkomsten haalden uit de visserij. Zou dat wellicht de achtergrond kunnen zijn waartegen we Hendrick Woutersz moeten zien, van wie geen grondbezit wordt vermeld in het quoyer van Charlois.

Een andere bron zegt: Woont te Charlois, waarschijnlijk landbouwer daar de familie grotendeels uit welgestelde boeren bestond. Bewoner van de hofstede te Charlois.

 
Verduijn, Hendrick Wouters (I1292)
 
161

Hij is de oom van Ada en de broer van Dirk VII. Willem I was de tweede zoon van graaf Floris III en Ada van Schotland en hij bracht zijn jeugd door bij de familie van zijn moeder in Schotland. In 1189 begeleidde Willem zijn vader bij de Derde Kruistocht. Zijn vader overleed in 1190 tijdens de kruistocht en zelf werd Willem tijdens zijn terugtocht in Frankrijk gevangengenomen. Hij keerde in 1191 in Holland terug en raakte in onmin met zijn oudere broer Dirk VII die zijn vader Floris III als graaf van Holland was opgevolgd. Willem zocht daarom steun bij de opstandige Friezen. Uiteindelijk werd de ruzie tussen beide broers bijgelegd, en kreeg Willem het bestuur over het graafschap Midden-Friesland. In 1197 trouwde Willem te Stavoren met Aleid van Gelre. Toen zijn broer in 1203 stierf riep hij zichzelf uit tot graaf van Holland. Dit resulteerde in de Loonse oorlog met zijn nichtje Ada en haar man Lodewijk van Loon. In 1206 werd een vrede gesloten waarbij Holland werd verdeeld: Willem kreeg Zeeland en het zuidelijke deel van Holland en Lodewijk kreeg het noordelijk deel Holland. In de praktijk kreeg Willem het snel voor het zeggen in het hele graafschap Holland en heeft Lodewijk geen poging meer ondernomen om hier iets aan te veranderen. In 1213 erkende keizer Otto IV van Brunswijk Willem als graaf van geheel Holland.  Het bestuur van Willem is van groot belang geweest voor de ontwikkeling van Holland. Onder zijn bewind begon de systematische aanleg van dijken (o.a. rond de Grote Waard) en werd het Spaarne afgedamd. In 1216 nam Willem deel aan de expeditie van Lodewijk VIII van Frankrijk naar Engeland. In reactie daarop erkende de Engelse koning Jan Lodewijk van Loon weer als graaf van Holland, en het lukte Jan zelfs om Willem te laten excommuniceren. Om zijn excommunicatie ongedaan te maken nam Willem deel aan de vijfde Kruistocht. Met zijn leger van Friezen, Hollanders en Vlamingen zeilde Willem langs de Europese kust op weg naar het heilige land. Door een storm moesten zijn schepen beschutting zoeken in Portugal. De Portugese koning Alfons II wist de kruisridders over te halen hem te helpen in de strijd tegen de Moorse overheersing in zijn land. Willem I gaf gehoor aan het verzoek en voer op 30 juli 1217 met zijn vloot naar Lissabon. De stad was tachtig jaar eerder tijdens de tweede kruistocht bevrijd, maar de Moren waren nooit helemaal verdreven uit Portugal. Willem hielp de koning bij de verovering van Setúbal (stad) en Alcácer do Sal. Na een zware belegering en met de belofte van Willem I op een vrije aftocht gaven de Moren van Alcácer zich op 21 oktober 1217 over. Eenmaal buiten de vesting stortte het leger van Willem zich op de ongewapende Moren en slachtte ze af. Als dank bood de Portugese koning de kruisridders land aan; vele ridders aanvaardden dit. Willem verloor hierdoor een groot deel van zijn leger en vroeg daarom aan Paus Honorius

III om hem te ontheffen van zijn verplichting en hem toe te staan in plaats daarvan de strijd in Portugal voort te zetten, maar de paus weigerde om op dit verzoek in te gaan. Een deel van de vloot ging daarna op weg naar Akko. Willem zelf overwinterde met de rest van de vloot in Portugal en zou later volgen. In de lente van 1218 kwam Willem met de Friezen, Hollanders en Engelsen aan in Akko, waar de andere kruisridders zich reeds hadden verzameld. Besloten werd om de Noord-Egyptische stad Damiate te veroveren, zodat daarna de rest van het door de Ayyubiden geregeerde rijk kon worden ingenomen. Op 27 mei 1218 kwamen de kruisridders aan bij Damiate, en op 5 november 1219 viel de stad in handen van de kruisvaarders. De Egyptische Sultan al-Kamil stelde daarop voor om Damiate te ruilen voor Jeruzalem. De meeste kruisridders waren ingenomen met dit voorstel, maar de pauselijke afgezant Pelagius weigerde. Niet door onderhandelingen, maar door strijd moest Jeruzalem worden ingenomen. Toen Willem dit hoorde ontstak hij in woede en keerde met zijn leger terug naar huis. Terug in Holland bleek dat Aleid was overleden. Willem hertrouwde met de weduwe van keizer Otto IV, Maria van Brabant maar overleed korte tijd later. Hij is begraven in de abdij van Rijnsburg.

 
van Holland, Willem I (I405)
 
162

Hij is een zoon van Floris V en de laatste graaf uit het Hollandse huis. Jan I werd direct na zijn geboorte verloofd met Elisabeth, de dochter van Eduard I van Engeland aan wiens hof hij ook werd opgevoed. Na de dood van zijn vader, in 1296, waarin ook Eduard I een grote rol speelde, aarzelde de koning om hem terug te sturen naar Holland. Hij liet een aantal Engels-gezinde edelen naar Engeland komen, onder wie Jan III van Renesse en Wolfert I van Borselen. Op 7 januari 1297 huwde Jan Elisabeth van Rhuddlan, dochter van de Engelse koning en mocht hij naar Holland terugkeren, onder de belofte dat hij zich hield aan de door de koning toegevoegde raadslieden. In eerste instantie stond de jonge graaf geheel onder invloed van Jan van Renesse. Op 30 april 1297 droeg Jan I echter het bestuur over aan Wolfert I van Borselen, tot aan zijn 15e verjaardag. Na een conflict met het stadsbestuur van Dordrecht werd Van Borselen op 1 augustus 1299 vermoord. Hierna benoemden de steden Jan van Avesnes, graaf van Henegouwen als regent en op 27 oktober 1299 droeg Jan I de regering voor een periode van 5 jaar aan hem over. Twee weken later stierf Jan, 15 jaar oud, en met hem stierf ook het Hollandse Huis uit. Omdat hij geen directe troonopvolgers had, ging het graafschap naar Jan van Avesnes, graaf van Henegouwen (als Jan II van Holland), zoon van zijn oudtante, Aleid van Holland

 
van Holland, Jan I (I6768)
 
163

Hij stamde waarschijnlijk uit het geslacht der Billungen, en was een zoon van Meginhard IV van Hamaland.

Wichman werd in 936 voor het eerst genoemd als graaf. In 955 trouwde hij met Liutgard (936 - 29 september 964), dochter van Arnulf I van Vlaanderen. Daarbij werd hij burggraaf van Gent en de gebieden ten noorden daarvan, tot aan de Schelde, als vazal van Arnulf. Samen met Arnulf stichtte hij de Sint-Baafsabdij van Gent opnieuw, die door de Vikingen was verwoest. Wichman werd voogd van de Sint-Baafsabdij en werd in 956 ook voogd voor de goederen die de abdijen van Sint Omaars en Maagdenburg bij Deventer bezaten.

In 966 overleed zijn enige zoon. Wichman was toen al weduwnaar en het wegvallen van zijn opvolger moet een grote slag voor hem zijn geweest. Hij droeg zijn Vlaamse lenen over aan zijn neef en zwager Dirk II van Holland en hij stichtte het Sticht Elten. Zijn jongste dochter Liutgard werd er abdis en Wichman schonk twee derde deel van zijn persoonlijke bezittingen aan het klooster en droeg alle grafelijke rechten op het klooster over. Zijn oudste dochter Adela, die alleen een derde deel van de persoonlijke bezittingen zou krijgen, weigerde dat te accepteren. Daarom liet Wichman de schenkingen bevestigen door de keizer. Adela heeft tot in 996 tot aan het keizerlijke hof procedures gevoerd, uiteindelijk kreeg ze de helft van de persoonlijke bezittingen en van de grafelijke rechten van haar vader toegewezen.

Wichman werd in 974 lekenbroeder in het klooster te Mönchengladbach. Hij overleed daar op 20 juli van een jaar (kort?) ná 974. Wichman is begraven te Hoog-Elten. Zijn stoffelijk overschot is niet teruggevonden bij de opgravingen van 1964-1965. Het is waarschijnlijk bijgezet in een afzonderlijke kapel waarin ook het Gangulf-altaar stond en die zich iets ten zuidoosten van de familiebegraafplaats moet hebben bevonden. Bij de opgravingen in Hoog-Elten is het graf van zijn vrouw Liutgard wel gevonden. Aan haar skelet ontbrak één hand met het polsgewricht, terwijl haar gebeente daar tekenen van botvliesontsteking vertoonde. Zij is dus overleden aan de gevolgen van een ernstig ongeval of een geweldsincident.

Wichman was een zoon van Meginhard IV. Wichman en Liutgard van Vlaanderen (dochter van Arnulf van Vlaanderen en Aleidis van Vermandois)

 
van Hamaland, Wichman IV (I388)
 
164

Hij was de oudste zoon van Arnoud van Amstel, heer van Benschop en Noord-Polsbroek, heer van IJsselstein en maarschalk van de bisschop van het Sticht Utrecht en Johanna van IJsselstein. Gijsbrecht erfde deze titels van zijn vader. Hij trouwde rond 1280 met Bertha van Heukelom; uit het huwelijk werden zeven kinderen geboren: Arnold, Otto, Herberen, Johan, Willem, Agnes en een (naamloze) dochter. Hij nam de naam Van IJsselstein aan en veranderde het familiewapen, dat later ook het wapen van de stad IJselstein zou worden.

Gijsbrecht van IJsselstein kwam in problemen toen in 1296 enkele edelen Floris V, de graaf van Holland, wilden ontvoeren, maar zich genoodzaakt zagen de graaf te doden. Onder de samenzweerders waren Gijsbrechts oom (de door Joost van den Vondel onsterfelijk gemaakte) Gijsbrecht IV van Amstel en zijn eigen broer Arnold van Benschop; Gijsbrecht werd verdacht van medeplichtigheid. In de verwarring die door de moord was ontstaan, was de strijd tussen Holland en het Sticht opgelaaid, waarbij Gijsbrecht de kant van het Sticht koos. De Hollanders namen hem gevangen en belegerden het kasteel van IJsselstein, dat verdedigd werd door zijn vrouw Bertha. Na een jaar gaf ze zich over aan de belegeraars. Gijsbrecht was al zijn goederen kwijt. Uiteindelijk zouden ze toevallen aan de bisschop van het Sticht, Gwijde van Avesnes, de broer van de nieuwe graaf van Holland, Jan I van Henegouwen

Toen in 1308 Gijsbrechts oudste zoon Arnold trouwde met Maria van Henegouwen, de dochter van Gwijde van Avesnes kreeg Gijsbrecht zijn leengoederen terug. Gijsbrecht kreeg toestemming van de bisschop om in IJsselstein een parochiekerk te bouwen. Deze Sint-Nicolaaskerk werd in 1310 ingewijd. Zo groeide onder Gijsbrechts bestuur IJsselstein uit van een kasteel met wat boerderijen tot een stad.

Gijsbrecht overleed in 1342 of 1343 en werd door zijn zoon Arnold opgevolgd als heer van IJsselstein. Hij werd bijgezet in de door zijn kleindochter Guyote van IJsselstein opgerichte graftombe van de heren van IJsselstein in de Sint-Nicolaaskerk.

 
van Amstel, later van IJsselstein, Gijsbrecht (I6223)
 
165

Hij was een zoon van Gijsbrecht van IJsselstein en Bertha van Heukelom. Vanaf 1312 wordt hij vermeld als ridder. Tussen 1314 en 1325 bekleedde hij diverse functies in het Sticht Utrecht als schout in Amersfoort en Eemland.

In 1344 volgt hij zijn vader op als heer van IJsselstein. Hij wordt hierin erkend door graaf Willem IV van Holland. Hij heeft in 1345/48 en in 1354/57 zitting in de raad van de graaf van Holland, en wenst bij het opkomen van de Hoekse en Kabeljauwse twisten neutraal te blijven.

Arnold had een grote interesse in de geneeskundige wetenschap en liet speciaal een medische bibliotheek inrichten met rustgasthuis te IJsselstein. Arnold was gehuwd met Maria van Avesnes, dochter van bisschop Gwijde van Avesnes. Zij kreeg een dochter genaamd Guyote die met Jan I van Egmond huwde. Zij volgden hem op als heer en vrouwe van IJsselstein.

Arnold en zijn vrouw werden in de Sint Nicolaaskerk te IJsselstein bijgezet in de graftombe van de heren van IJsselstein

 
van Amstel van IJsselstein, Arnold (I503774)
 
166

Hij was een zoon van Reinoud II van Brederode en Yolande van Lalaing. Op 3-jarige leeftijd benoemde zijn vader hem tot drossaard van Hagestein. Walraven II zou net als zijn vader Reinoud II en oom Gijsbrecht in 1470 gevangen zijn genomen door bisschop David van Bourgondië, hij wist echter met enige hulp te ontsnappen en vluchtte naar Kasteel Batenstein. Op 16 oktober 1473 volgde hij zijn vader op als 10e heer van Brederode. Bij de huldiging werd hij dwarsgezeten door zijn halfbroers, die bastaards waren, maar Walraven werd als rechtsgeldige opvolger gezien. In 1486 werd hij tot ridder geslagen door Maximiliaan van Oostenrijk en nam zitting in diens raad. Na het overlijden van Maria van Bourgondië, Maximiliaans vrouw werd er binnen het Hoekse bewind een manier gezocht om deze factie nieuw leven in te blazen. Walraven leek de aangewezen persoon maar omdat deze in de gunst en aan het hof van de Keizer verbleef koos men voor zijn jongere broer Frans van Brederode aan het hoofd van de nieuwe Hoekse beweging, dat de Jonker Fransenoorlog zou inluiden. De grootse reden waarom Walraven II niet verkozen was, zou zijn omdat hij zich niet verzoend had met Jan III van Montfoort. Walraven bleef politiek gezien buiten schot.

Walraven huwde in 1492 met de adellijke Magretha van Kloetinge van Borselen, ze was echter eerst verloofd met Maarten van Polheim, die toebehoorde aan de Orde van het Gulden Vlies. Echter was Walraven zo verliefd dat hij de verloving afkocht met 1968 florijnse guldens en 16 stuivers, waarna hij met haar kon trouwen; zij overleed in 1507 waarna hij nog met Anna van Nieuwenaar huwde (11 mei 1508). Rond 1500 had Walraven een relatie met Jacobje Bertoutsdochter.

 
van Brederode, 10e Heer van Brederode, burggraaf (bailiff) van Utrecht Walraven II (I501445)
 
167

Hij was een zoon van graaf Dirk VI van Holland en Sophia van Rheineck. In 1157 volgde hij zijn vader op als graaf van Holland.
Vanaf 1161 was hij in onderhandeling of in oorlog met de West-Friezen. De West-Friezen verwoestten Alkmaar tot twee keer toe, Floris plunderde en verwoestte op zijn beurt Schagen, Winkel (Niedorp) en Niedorp. Toen Floris in 1184 zelfs Texel en Wieringen veroverde, gaven de West-Friezen op. Er werd een vrede gesloten waarbij de West-Friezen 4000 zilveren marken moesten betalen.
Floris kwam in 1165 in conflict met de bisschop van Utrecht over de aanleg van een dam in de Oude Rijn bij Zwammerdam. Ook maakte de bisschop aanspraak op de heerschappij over West-Friesland. Keizer Frederik I van Hohenstaufen besliste in Utrecht dat het gezag en de inkomsten van West-Friesland tussen de graaf en de bisschop moesten worden verdeeld.
In het zuiden stelde Floris een tol in bij Geervliet. Deze tol was vooral gericht op de scheepvaart tussen Vlaanderen en de Rijn. Graaf Filips van de Elzas van Vlaanderen oefende zoveel druk uit op Floris, dat die de tol weer ophief. In 1166 stelde Floris de tol opnieuw in. Filips verzamelde een leger en trok naar het noorden en wist Floris gevangen te nemen. In 1167 moest Floris het Verdrag van Brugge (1167) sluiten, wat hem verplichtte de tol weer op te heffen en de opperheerschappij van Vlaanderen over Zeeland te erkennen.
Op rijksniveau was Floris een trouwe bondgenoot van de Duitse keizer Frederik Barbarossa. In 1158 en van 1176 tot 1178 nam hij deel aan de expedities van Frederik naar Italië. Hij werd daarvoor ruim beloond. In 1177 kreeg hij de status van rijksvorst. In 1178 werd zijn broer Boudewijn van Holland bisschop van Utrecht en in 1179 gaf Frederik definitieve goedkeuring aan de tol van Geervliet. Floris nam ook deel aan de Derde Kruistocht en was daarin een van de aanvoerders van Frederik. Floris stierf op 1 augustus1190. Hij werd begraven in de Petruskerk[bron?] van Antiochië.

 
van Holland, Floris III (I402)
 
168

Hij was heer van der Clusen en vanaf 1573 heer van Heeze, Leende, Zesgehuchten en Geldrop, die hij erfde van zijn jong gestorven broer Filips.

Toen de Spaanse troepen na de dood van landvoogd Requesens aan het muiten sloegen, stelden de Staten van Brabant hem aan als kolonel van een nieuw gelicht regiment om de orde te herstellen. Met deze troepen voerde hij op 4 september 1576 een staatsgreep uit, waarbij de leden van de Raad van State onder arrest werden geplaatst. Hierna werd aangevangen met het beleg van het Spanjaardenkasteel. Hij werd hierop bevorderd tot kapitein-generaal en was de onbetwiste leider in Brussel en stond voortdurend in verbinding met Willem van Oranje.

Hij was een van de ondertekenaars van de Eerste Unie van Brussel op 9 januari 1577, die voorzag in de terugtrekking van de Spaanse troepen. Als katholiek was hij een tegenstander van de uitbreiding van het calvinisme en voorstander van een verzoening met Spanje. Dit leidde tot toenadering tot de nieuwe landvoogd Juan van Oostenrijk, die hem een jaargeld beloofde.

De nieuwe landvoogd vreesde echter de machtspositie van Willem van Horne. Bij de onderhandelingen met de Staten-Generaal drong hij aan op het ontslag van Willem van Horne en de verwijdering van zijn troepen uit Brussel. Het gemeentebestuur van Brussel stemde hier begin juli 1577 mee in.

Toen Juan van Oostenrijk korte tijd later in het offensief ging en Namen innam, werd Willem van Horne militair aanvoerder aan Staatse kant. Hij was bij de vijftien edelen die in september 1577 Matthias van Oostenrijk uitnodigden het landvoogdschap over de Nederlanden op zich te nemen. Hij streed mee in de slag bij Gembloers op 31 januari 1578 en brak met Willem van Oranje toen deze zich de regering over deze provincie wou laten toevertrouwen. Het verblijf van Willem van Horne te Brussel, dat Willem van Oranje zeer genegen was, werd hierna onmogelijk.

Willem van Horne begaf zich met zijn regiment naar Maastricht, waar hij werd benoemd tot militair gouverneur. Zijn troepen plunderden echter de omgeving en de getergde Maastrichtenaren klaagden hem aan wegens corruptie en wanbeleid, waarna hij in augustus 1578 weer wegtrok.

Hij sloot zich in Brussel aan bij een groep edelen onder leiding van de heer van Champagney die ontevreden waren over de algehele religieuze tolerantie die door Willem van Oranje werd voorgesteld, en die eisten dat Brussel, als hoofdstad, katholiek moest blijven. Het gezelschap werd gearresteerd en zou zich in Antwerpen moeten verantwoorden; Willem van Horne kon echter onderweg ontsnappen.

Hij voegde zich bij Emanuel Filibert van Lalaing, leider van de Malcontenten, en was een van de ondertekenaars van de Unie van Atrecht op 6 januari 1579.

Misnoegd omdat de Spanjaarden zich niet aan hun beloften hielden, begon hij onderhandelingen met Frans van Anjou, die door Willem van Oranje in de functie van landvoogd werd geroepen. De Spaanse landvoogd Alexander Farnese kwam hierachter en liet hem gevangen zetten in Le Quesnoy. Hij werd op 7 november 1580 veroordeeld voor hoogverraad en de volgende dag onthoofd. Zijn bezittingen werden verbeurd verklaard.

 
van Horne, Willem (I468)
 
169

Hij was in 1577 een van de ondertekenaars van de Unie van Brussel.

Na de dood van Maarten van Horne, zijn vader, kreeg hij het Land van Altena en de stad Woudrichem toegewezen door koning Filips II van Spanje,[2] en na de onthoofding van zijn broer Willem van Horne in 1580 kreeg hij de heerlijkheden Heeze en Geldrop toegewezen door koning Filips II van Spanje, doch in 1585 schonk Filips II de heerlijkheden aan zijn zus Maria van Horne en zwager Filips van Egmont. Hij was in 1577 een van de ondertekenaars van de Unie van Brussel.

 
van Horne, Joris (I6677)
 
170

Hij was van 1118 tot 1139 als Walram II hertog van Limburg in opvolging van zijn vader. Hij was ook hertog van Neder-Lotharingen van 1128 tot 1139, ter vervanging van Godfried I van Leuven, die zichzelf niettemin oorkondelijk als hertog van Neder-Lotharingen bleef beschouwen. Walram werd in 1128 hoe dan ook door de Duitse keizer het hertogelijk gezag toegekend (inbegrepen de Markgraafschap Antwerpen als ambtsleen). Het jaar daarop, in 1129, werd hij ook voogd van Duisburg.

Zijn zoon Walram werd graaf van Aarlen. Hij werd in het hertogdom Limburg opgevolgd door zijn zoon Hendrik II van Limburg, die later ook het graafschap Aarlen van zijn broer zou overnemen.

Op 16 juli 1139 blies Walram II zijn laatste adem uit. Nog vóór 9 februari 1140 bevestigde Koenraad III Godfried VI als hertog van Neder-Lotharingen, die al op 25 juni 1139 het hertogschap daadwerkelijk uitoefende.

Walram II droeg de volgende titels: graaf van Aarlen in 1115, graaf van Wassenberg en Limburg in 1119 en hertog van Neder-Lotharingen in 1128. Voorts was hij markgraaf van Antwerpen en rijksvoogd van Duisburg.

 
von Limburg, Hertog Walram (I502436)
 
171

Hij werd op 7 Mei 1403 beleend met 10 morgen land in Zandwijk (Almkerk). Onder hertog Willem VI kreeg hij dit land in vrij eigendom en verkocht het aan Klaas De Rode. Hiervoor in de plaats zou hij 5 morgen in Papendrecht opdragen.

 
Giessen, Claes Lodewijck Aertsz (I1109)
 
172

Hij wordt ook gezien als de stamvader van het geslacht IJsselstein.
Hij was een zoon van Gijsbrecht III van Amstel en zijn mogelijke moeder was Bertha van Oestgeest of Aleidis van Cuijk[1]. Hij wordt voor het eerst genoemd in een document uit 1267 waar hij van het kapittel van Sint-Marie te Utrecht een pacht kreeg over Achtersloot. Zijn broer Gijsbrecht IV van Amstel getuigde hierbij. Tussen 1268 en 1275 stichtte hij een kasteel bij IJsselstein, waaruit hij in 1279 werd verdreven door graaf Floris V van Holland. Hij vluchtte toen naar kasteel Vreeland, een bezit van zijn broer Gijsbrecht, maar moet dit ook overgeven aan Floris V in 1280. Hij werd daarna gevangengenomen en naar Zeeland overgebracht. Op 27 oktober 1285 werd hij met zijn broer weer vrijgelaten na een verzoening met de graaf.

In 1290 komt Arnoud nog voor in oorkondes, maar met enige zekerheid kan worden aangenomen dat hij voor 12 mei 1291 overleden is[2]. Hij was getrouwd met ene Johanna of Janne van wie hij zeker twee zoons had.

 
van Amstel, Arnoud (I6224)
 
173

hofstede te Lexmond en een goed te Oversloot (1392)

Het goed te Oversloot in het gerecht van Jaarsveld, (1570: waarin een uiterwaard en zandwaard op Oderixoy, strekkend van de Lekdijk tot de Lek, boven: nu. Gerard Coster te Montfoort, beneden: Arnout Bosch.
25-7-1392: Werner Jansz. van Oversloot, 6 fo. 38~.
2-3-1420: Gijsbert van Oostrum Gerardsz., gehuwd met Geertruida, ook voor Katharina, hun dochter, zoals Werner Jansz., 9 fo. 12~.
18-4-1420: Steven van Oversloot, 9 fo. 30.
..-.- 14..: Geertruida van Oversloot, gehuwd met Gijsbert van Oostrum, bij dode van Steven, haar broer, 9 fo. 30.
25-2-1439: Gerard van Oostrum met lijftocht van Gijsbert, zijn vader, 10 fo. 30.
 
616. Een hofstede met toebehoren in Lexmond, boven: Zweder van Voorn met nr. 659, beneden: Jan Alfersz.
25-7-1392: Werner Jansz. van Oversloot, 6 fo 38

 
van Oversloot, Werner Jansz (I3228)
 
174

In 1369 wordt vermeld als Willem VI van Horne, Heer van Altena, aan Vastraet van Giessen goederen in leen geeft, waaronder het veer van Andel dat tussen “Veenregraven” en de kerk van Rijswijk ligt.

 
Ghiessen, Arnout Vastraetsz (I1154)
 
175

In 1542 gebruikt hij een deel "gorsinge" te 's-Gravenambacht. Het geslacht Verduijn (ook wel Duyn of Duynen) is één van de oudste geslachten van het dorp Charlois, tegenwoordig een stadswijk van Rotterdam.

In 1632 telde Charlois 137 huizen en heette het "een fraai gebouwd dorp temidden van prachtige weilanden en korenvelden". Het wapen Verduijn: 2 boven elkaar geplaatste snoeken van zilver, op een blauw veld. Helmteken: een vlucht met uitkomende snoek. Dit wapen komt voor op een gedenksteen in de kerktoren van Charlois (zie grafzerken etc. in de kerken van Zuid-Holland door Mr. P.C. Bloys van Treslong Prins) en op de grafzerk van kleinzoon Wouter Hendricks Verduijn en echtgenote.

 
Verduijn, Wouter Cornelis (I1293)
 
176

In 990 volgde Boudewijn zijn vader op als graaf van Boulogne, Saint-Pôl, Guînes, Lens en lekenabt van de abdij van Sint-Bertinus. Boudewijn trouwde met Adelheid van Holland. Hij maakte gebruik van de minderjarigheid van Boudewijn IV van Vlaanderen om een onafhankelijke positie te verwerven, wat later resulteerde in een voortdurende vijandschap tussen de twee Boudewijns. In 1017 vochten Boudewijn en zijn broer Arnulf tegen Vlaanderen, waarbij Arnulf werd gedood. Boudewijn werd in 1033 gedood door Engelram I van Ponthieu die door Boudewijn was beledigd. Engelram trouwde vervolgens met Adelheid.

 
van Boulogne, Boudewijn II (I6760)
 
177

In 1521, toen zijn vader overleed, verkreeg hij Baucigny en Lokeren. De overige heerlijkheden verkreeg hij in 1534, toen zijn moeder afstand deed.

Filips bekleedde hoge posities aan het hof van Maximiliaan van Oostenrijk en was kamerheer en adviseur van keizer Karel V.

Toen Filips stierf waren zijn kinderen nog minderjarig en nam Clara het bestuur over de heerlijkheden waar.

 
van Horne, Filips (I6671)
 
178

In het klepboek van Dordrecht is een veroordeling uit het jaar 1394 opgetekend, waarbij een zekere Aecht van Driel voor drie jaren verbannen werd. De reden van verbanning wordt niet vermeld. Een lichter vergrijp was gepleegd door Margriete van Driel, die samen met drie andere vrouwen in 1412 werd beschuldigd "van quaed werck, van quaetsprecken ende onzedeliken leven". Zij werden veroordeeld tot het leveren van elk 1000 stenen voor de bouw van de kerk, een in die tijd niet ongebruikelijke boete, die ten goede kwam aan de gehele stedelijke gemeenschap. Vermoedelijk behoorden zowel Aechte als Margriete van Driel tot de verwanten van Jan van Driel: het is niet uitgesloten dat een van beiden diens echtgenote of weduwe was.

 
Meeuszdochter, Margriete (I501008)
 
179

Is samen met zijn broer Jan Pietersz de Boer mede-erfgenaam van de bezittingen van Elbert Hercks, in leven burgemeester van Westerblokker. bron : notariële akte 17-1-1738 notaris Jacob Schagen, Oosterblokker

 
de Boer, Remment Pietersz (I7275)
 
180

Item meyster Beernt Bernsts hoft genoemen voirt wolle gherechts III 1/2 groet up sijn huijs ende hofstede staende op den Dam ende heft se gelijcht ende gelost [van Aryen] vande hofstede voirs. Skepen omnes. (ca 1505-1515) Op voors. datum van huyden anno XVc tve ende veertich (1542) heeft overgegeven Jan Zegersen seven oeriens (?), die welcke hij off wennu (?) echt is van die arfgenamen van meyster Bernt Berntss arfgenamen ende set op sijn huijs ende hofstede gelegen ter Ameyde aen die oestsijde van den Dam, noertwaerts naest ghehuist ende gearft Meynert Claesen mit sijn consorten aen die suijtsijde naest gehuijst ende gearf [Jan zegerse = doorgehaald] Bastyaen Aelersse. Actum by scepenen o(mn)es Volgens Isaac Tirion (1749) is Ameide in 1527 door de Utrechtschen veroverd en is de stad ontmanteld. In 1732 worden 142 huizen en 1 korenmolen geteld

 
Berntz, Beernt (de Jonghe) (I3222)
 
181

Item opten twaleften dach deser maent (Februaius) sterf Dirc Beerntss. Ende heeft besproken voer sijn memori der kerc negen stuver sjaers. Ende sal hiervoer belichten mit vijf keersen, den pastoer twee stuver, den kosten 1stuiver. Uut ses mergen lants ghelegen op Zevenhoeven, noerwaert naest ghelegen Claes Peterss, zuywaerts Claes Engbertss

 
Beerntss, Dirc (I3237)
 
182

Item uut die hofstede daer Jan Bertss op woent, heeft die kerc jaerlics acht vlaems. (ca 1540: Nu altans toebehorende Cornelis Henrick Daemss). Ca 1540: woont Jan Berntss op de hofstede die vroeger werd bewoont door Peter van Eyke en daarvoor Jan meister Jansz

 
Berntz, Jan (I3221)
 
183

Jan II van Avesnes (1247 - Valenciennes, 22 augustus 1304), was als Jan I van Avesnes graaf van Henegouwen van 1280 tot 1304 en als Jan II van Avesnes graaf van Holland en Zeeland van 1299 tot 1304.

Jan was de oudste zoon van Jan van Avesnes (zoon van Margaretha van Constantinopel) en Aleid van Holland (dochter van graaf Floris IV van Holland). Zijn vader Jan en Margaretha hadden een lange strijd gevoerd over de verdeling van de goederen van Margaretha. Daaruit volgde dat vader Jan Henegouwen zou erven, maar omdat hij voor Margaretha overleed, ging dit recht over op Jan II. Jan II sloot voor alle zekerheid in 1272 een verbond met zijn neef Floris V van Holland tegen Margaretha. Daarmee werd het verbond van hun vaders voortgezet. Koning Rudolf van het Heilige Roomse Rijk, erkende Jans rechten in 1275. In 1277 wees Rudolf Jan bovendien aan als erfgenaam van Floris, indien die kinderloos zou overlijden. In februari 1280 volgde hij Margaretha op in Henegouwen, die het graafschap Vlaanderen reeds in 1278 had afgestaan aan haar zoon uit haar tweede huwelijk, Gwijde van Dampierre.

Jan I hervatte meteen de strijd van zijn vader om Rijks-Vlaanderen. Om de oorlog te financieren hief hij hoge belastingen en nam hij ook kerkelijke bezittingen in beslag. De stad Valencijn kwam daarom in opstand tegen Jan. Zijn eigen broer, Willem, bisschop van Kamerijk, bestrafte Jan door een interdict over Henegouwen uit te spreken. Jan moest de oorlog tegen Vlaanderen daardoor beëindigen, zonder dat een van de partijen de overwinning had behaald. Valencijn stelde zich echter onder de bescherming van koning Filips IV van Frankrijk.

In 1295 kwam het tot besprekingen tussen Jan, Filips en Floris over een gezamenlijke aanpak van Vlaanderen. Deze politiek werd echter verstoord toen Floris in 1296 werd vermoord. Filips en Jan kwamen in 1296 wel tot een regeling met Valencijn, waardoor Jan het gezag over de stad weer terug kon krijgen. Toen op 1 augustus 1299 Wolfert I van Borselen, regent van Holland en schoonzoon van Jan, werd vermoord, riepen Dordrecht en de andere steden van Holland Jan te hulp. Het zal een onbewijsbaar vermoeden blijven dat achter deze daad Henegouwse agenten zaten. Jan kocht de loyaliteit van Dordrecht met de verlening van het stapelrecht.[2] Hij nam de regering in handen en werd op 27 oktober officieel door de vijftienjarige graaf Jan I van Holland tot "ruwaard" benoemd voor de duur van vijf jaar. Twee weken later stierf de jonge graaf, officieel aan dysenterie, maar er deden natuurlijk ook kwade geruchten de ronde. Jan was zijn erfgenaam en werd in 1299 graaf van Holland. Voortaan was Holland in een personele unie met Henegouwen verenigd. De Duitse koning Albrecht I meende zich met de opvolging te moeten bemoeien: hij riep de onderdanen van de graaf op hun trouw aan Jan op te zeggen. Hij ging daarvoor naar Nijmegen, maar toen daar een Hollands leger naderde, zette hij zich op sienen peerde ende reet te lande, al dat hi mochte (augustus 1300).

Omdat Filips grote delen van Vlaanderen had bezet, kon Jan in 1301 eenvoudig de Vlaamsgezinde adelsfractie in Zeeland onderwerpen. Ook kon hij in dat jaar zonder problemen zijn broer Gwijde van Avesnes tot bisschop van Utrecht laten benoemen, maar na de Guldensporenslag had Vlaanderen weer het initiatief. In 1303 viel een Vlaams leger Zeeland binnen en in maart 1304 versloegen de Vlamingen onder Gwijde van Namen Jans zoon Willem op Duiveland (voormalig eiland). Bisschop Gwijde van Utrecht werd gevangengenomen en in Utrecht volgde een anti-Hollandse reactie. Holland en Zeeland zelf vielen grotendeels in handen van Gwijde van Namen of van Jan II van Brabant, die zich bij de aanvallers had gevoegd. Diezelfde zomer keerden de kansen. Op 11 augustus werd Gwijde van Namen definitief verslagen in de Slag bij Zierikzee door een Hollands-Franse vloot onder leiding van Reinier Grimaldi. Toen Jan overleed was zijn gezag in Holland en Zeeland vrijwel geheel hersteld.

 
van Avesnes, Jan II (I471)
 
184

Jan Jansz. van Driel was heemraad (1408) van Gherit Hendricxz. Ambacht (later Adriaen Pieters Ambacht of Sandelingenambacht genoemd). In de reeks Zuid-Hollandse domeinrekeningen (1383-1386) van rentmeester Goedscalc van Brakel zijn de kopers van korentienden van Zwijndrecht met name genoemd. In drie rekeningen wordt wordt "jonge" Jan Jansz. van Driel vermeld als koper van korentienden in de Zwijndrechtse Waard (jaren 1383, 1384 en 1385).

 
van Driel, Jan (Jan Jansz) (I500993)
 
185

Jan was de oudste zoon van Burchard van Avesnes en Margaretha van Vlaanderen. Dit huwelijk werd echter onder politieke druk onwettig verklaard en ontbonden. Zijn moeder hertrouwde met Willem II van Dampierre en erfde in 1244 de graafschappen Vlaanderen en Henegouwen. Zij benoemde de kinderen uit haar tweede huwelijk tot haar erfgenamen.

Jan en zijn broer Boudewijn begonnen een politieke campagne om hun aanspraken te doen gelden. In 1243 verkregen zij een beslissing van keizer Frederik II van Hohenstaufen dat zij wettige kinderen van hun ouders waren. Jan kwam in 1244 in opstand tegen zijn moeder en koning Lodewijk IX van Frankrijk wierp zich in 1246 op als arbiter. Ook hij erkende de wettigheid van Jan en Boudewijn, en hij besliste dat Margaretha's oudste zoon uit haar eerste huwelijk Henegouwen zou erven, en de oudste zoon uit het tweede huwelijk Vlaanderen zou erven. Lodewijk bereikte daarmee op zijn beurt dat het grote Vlaams-Henegouwse machtsblok aan zijn noordgrens werd versplinterd. Margaretha reageerde door het bestuur van Vlaanderen over te dragen aan haar zoon Willem II van Vlaanderen, maar ze hield wel het bestuur over Henegouwen.

Jan begreep dat het conflict met zijn moeder nog niet voorbij was en vond nog in 1246 een krachtige bondgenoot in graaf Willem II van Holland en trouwde op 9 oktober 1246 met diens zuster Aleid van Holland. Toen Willem in 1248 tot Duits tegenkoning was gekozen, bevestigde hij Jan als heer van Henegouwen en Rijks-Vlaanderen. In datzelfde jaar 1248 vertrok Lodewijk IX om deel te nemen aan de kruistocht en Jan besloot om zijn moeder aan te vallen. In 1250 werd zijn wettige status bovendien erkend door de paus. In 1251 lukte het Jan om zijn halfbroer Willem II van Vlaanderen te laten vermoorden tijdens een toernooi. Hij werd opgevolgd door zijn broer Gwijde van Dampierre. Nadat een aanval van Vlaanderen op Holland was mislukt (Slag bij Westkapelle, 4 juli 1253) was de Vlaamse macht gebroken. Margaretha besefte dat ze Henegouwen moest opgeven en in een laatste poging om Jan dwars te zitten schonk ze het graafschap aan Karel van Anjou, broer van de Franse koning. Karel probeerde Henegouwen te bezetten maar werd bij Valenciennes verslagen en kon ternauwernood ontsnappen. In 1254 keerde Lodewijk IX terug naar Frankrijk. Hij bevestigde zijn eerdere arbitrage en beval zijn broer om Henegouwen met rust te laten.

Zonder verder tastbaar resultaat overleed Jan in 1257, nog voor zijn moeder. Hij is begraven in Valenciennes.

 
van Avesnes, Jan I (I470)
 
186

Jan wordt genoemd bij de doop van Beerent Philips Barents te Meerkerk op 30 April 1626 als broer van Philips Berentsz van den Burggraef. Jan is overleden voor 8-5-1638. Dan wordt het leen van zijn vader aan de oude Zijdwinde overgedragen aan zijn zuster Prijske Bernardsd (Bernts). Er is eveneens een vermelding in 1658 (?) waarbij voordien Bernard Jansz en daarna Jan Bernardsz genoemd worden als buren.

 
Berents, Jan (I3247)
 
187

Lancelot van Brederode († Schoten, 20 juli 1573) was een geuzenleider. Hij was viceadmiraal bij de geuzen en kapitein in het leger van Lodewijk van Nassau.

Lancelot was een bastaardzoon van Reinoud III van Brederode, die hem verwekte bij Anna Simonsdochter. Zijn geboortejaar is onbekend. Hij leidde als kapitein het verzet tegen de Spaanse troepen tijdens het beleg van Haarlem. Na de verovering van Haarlem door de Spanjaarden werd Lancelot van Brederode onthoofd, waarna het kasteel van Brederode door hen werd verwoest.

Lancelot van Brederode was de halfbroer van de ""Grote Geus"" Hendrik van Brederode, de eerste leider van de gewapende opstand tegen de Spanjaarden bij de Slag bij Oosterweel uit 1567 en vader van Reinoud van Brederode, de latere schoonzoon van Johan van Oldenbarnevelt, die zelfs zou hebben geweten van de aanslag op prins Maurits in 1623.

Lancelot van Brederode - 'Eén van de schoonste verzetsstrijders'

 
van Brederode, Lancelot (I503924)
 
188

later gedoopt als Robert, was een Vikingkrijgsheer. Mogelijk dient hij vereenzelvigd te worden met Hrolf Ganger (Oudnoords voor Hrolf de Wandelaar). Hij zou zo genoemd zijn omdat hij een grote en zware man was en geen toenmalig paard sterk genoeg was[1] om hem te dragen en hij dus altijd moest lopen. In ieder geval is Rollo een Latijnse of Franse versie van de naam Hrolf. Na de dood van zijn vader moest hij vluchten uit Noorwegen. Hij is eerst naar familie op de Orkney-eilanden getrokken, en daarna naar familie op de Hebriden. In deze tijd is hij met een onbekende Keltische vrouw getrouwd. Uiteindelijk vestigde hij zich in Deens Engeland (Danelaw). Van daaruit gaf hij leiding aan een gezamenlijk Deens-Noors-Engelse plundertocht in Groter-Friesland en langs de benedenloop van de Rijn.

In 885 was hij een van de aanvoerders van de Vikingen tijdens het beleg van Parijs. Nadat het beleg was opgeheven leidde hij een plundertocht door Bourgondië.

In 896 doodde hij graaf Berengar van Bayeux (markgraaf van Neustrië), die eerdere Vikingaanvallen had afgeslagen, en nam zijn dochter Poppa tot vrouw.

In 911 werd Rollo tijdens een nieuwe rooftocht verslagen bij Chartres. Koning Karel de Eenvoudige besloot echter zaken met Rollo te doen en gaf hem met het Verdrag van Saint-Clair-sur-Epte het gebied rond de Seine-monding in leen, met Rouen als hoofdstad. Rollo nam daarmee de verplichting op zich om de rivier (en dus de stad Parijs) te verdedigen tegen andere Vikingen. Rollo liet zich dopen, scheidde van Poppa en trouwde met Gisela - een dochter van Karel. Volgens de overlevering was er een groot protocollair probleem: om leenman te worden moest Rollo knielen voor de koning en zijn voet kussen maar hij weigerde dat te doen. Bij wijze van compromis zou een van zijn ondergeschikten dat doen, maar die wilde ook niet knielen maar bukte, pakte de voet van de koning en tilde die zover op dat de koning zijn evenwicht verloor en achterover viel. Rollo trouwde in 919 weer met Poppa nadat Gisela was overleden.

Rollo heeft zich goed aan de afspraak gehouden om de Seine tegen andere Vikingen te verdedigen. Maar wel bleef hij zelf oorlog voeren en plundertochten houden in de rest van West-Francië. Hij breidde zijn macht uit tot de rivier de Vire maar bracht na verloop van tijd wel rust in zijn eigen graafschap. Daardoor konden de kloosterlingen van Rouen terugkeren naar hun kloosters, met hun relieken en kostbaarheden.

In 923 hield Rollo nog een plundertocht, samen met de Vikingen die zich aan de Loire hadden gevestigd. Koning Rudolf, Herbert II van Vermandois en Hugo de Grote, probeerden hem te onderwerpen maar werden in 924 door Rollo verslagen. Rudolf was gedwongen om Rollo ook de omgeving van Bayeux en Caen in leen te geven. Daarmee kreeg Normandië ongeveer zijn huidige vorm. In 925 hield Rollo een veroverings- en plundertocht naar Vlaanderen, Amiens en Noyon. Koning Rudolf en Herbert van Vermandois vielen daarop Normandië binnen, maar werden door Rollo tegengehouden. Wel kreeg hij toen te maken met een opstand in de regio rond Bayeux en een tegenaanval van Arnulf I van Vlaanderen. Die veroverde Eu en verbrandde de versterking met allen die daarin waren. Door bemiddeling van Hugo de Grote werd een vrede gesloten waarbij Rollo al zijn Vlaamse veroveringen weer afstond.

Rollo was weliswaar gedoopt maar bleef zijn leven lang zijn oude geloof trouw en voedde ook zijn kinderen daarin op.[bron?] Volgens de overlevering liet hij voor zijn dood 100 christelijke gevangenen doden, ter ere van de Noorse goden en verdeelde hij 100 pond goud over een aantal kerken, blijkbaar om zich zo dubbel te verzekeren van een goed hiernamaals. Rollo is begraven in de kathedraal van Rouen.

 

 
de Noorman, Rollo (I6741)
 
189

Leendert was eerst boer, later landarbeider te Ridderkerk. Hij was hoogheemraad van de Oud- en Nieuw-Reijerwaard in de periode 1635-42. Hij was penningmeester van Varkensoord en Karnemelksland in de periode 1647-49.
Leendert erfde van zijn zuster Maijcken Henricx int Velt.
Hij was aanvakelijk zeer welgesteld met een geschat vermogen van 13000 ponden in 1638. Zijn woning bezat 5 haardsteden. In 1644 had hij nog 4 haardsteden.
Bij de 200e penning van Ridderkerk uit 1652 werd vermeld: "Lenert Heindricxz int Velt, te vooren op 13000 ponden begroot ende soo sijn boedel t eenemael insolvert is, wert hier gebracht - memorie". Eind 1654 was sprake van onder curatele stelling.

 
In 't Veld, Lenert Hendricxz (I6953)
 
190

moeder van Willem de Veroveraar

De bronnen zijn schaars over Herleva. Aangenomen wordt dat zij de dochter was van Fulbert, een leerlooier uit Falaise. Robert de Duivel, hertog van Normandië, wilde haar als zijn minnares maar Herleva zou te trots zijn geweest voor een heimelijke verhouding. Ze eiste door Robert als een echtgenote te worden behandeld, zij hadden een niet-kerkelijk huwelijk volgens de "more Danico", het gewoonterecht van de Vikingen. Uit hun verhouding werd Willem de Veroveraar geboren, en mogelijk ook een dochter Adelheid. Deze laatste was in ieder geval een dochter van hertog Robert, maar het is niet zeker of Herleva de moeder was. Herleva werd begraven in de abdij van Grestain.

In 1031 stond de hertog haar toe te trouwen met Herluinus van Conteville

 
van Falaise, Herleva (Arlette) (I6731)
 
191

Na de executie van zijn vader nam Willem van Oranje de voogdij van de jonge prins op zich, later verbrak Filips de band met hem en bood zijn diensten aan aan koning Filips II van Spanje, voor wie hij diverse steden heroverde. Hij werd uit dank hiervoor door Filips II benoemd tot ridder in de Orde van het Gulden Vlies. Hij sneuvelde in 1590 te Ivry in de strijd tegen koning Hendrik IV van Frankrijk.

 
van Egmont, van Gavere, Filips (I6683)
 
192

Nadat Adriana's vader was overleden erfde zij de heerlijkheden Boxtel en Liempde, en Jan van Horne verbleef daar ook regelmatig, hoewel hij de lopende zaken meestal door Adriana liet behartigen. De heerlijkheid ging echter van het geslacht Van Ranst in de mannelijke lijn op het huis Horne over, en dat zou enkele eeuwen zo blijven. In 1526 werd Filips van Horne dan ook heer van Boxtel en Liempde.

Jan van Horne werd bijgezet in het praalgraf van Hendrik van Ranst in de Sint-Petruskerk te Boxtel. Dit graf werd in 1795 door de Franse troepen vernield, tezamen met een glas-in-loodraam waarop Jan in volle wapenrusting stond afgebeeld.

 
van Horne, Jan (I6665)
 
193

Nicolaes Tulp werd in Amsterdam geboren als Claes Pieterszoon. Zijn familie kwam uit de Zaanstreek. In 1611 vertrok hij naar Leiden om daar geneeskunde te studeren. In 1614 keerde hij terug om zich in Amsterdam als medicinae doctor te vestigen. In 1617 trad hij in het huwelijk met Eva Egbertsdr. van der Voech (1593-1628). Toen hij in 1622 schepen werd van de stad, koos hij als wapen voor zijn schepenzegel een tulp. Het motief gebruikte hij ook op het uithangbord aan zijn huis (op Keizersgracht 210). Rond dezelfde tijd liet hij zijn naam veranderen naar Nicolaes Tulp.

Tulp was al snel een veelgevraagd geneesheer en om zijn vele patiënten te bezoeken, in het bezit van een koetsje met daarop ook een afbeelding van een tulp. Daarnaast was hij actief in het stadsbestuur. Zijn dubbele posities als arts en politicus maakten dat hij veel invloed had.

In 1628 werd Tulp benoemd tot praelector anatomiae (voorlezer in de anatomie) van het chirurgijnsgilde. Dat college vergaderde in de Pietershal, de voormalige kapel van het Pietersklooster aan de Nes. Later betrok het gilde een speciale snijzaal in de Waag op de Nieuwmarkt. Elke winter gaf Tulp hier lessen in anatomie en ontleding van het menselijk lichaam. Om dit wettelijk te mogen doen, mocht hij alleen lijken gebruiken van opgehangen criminelen. In deze functie werd hij in 1632 afgebeeld door Rembrandt op diens 'Anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp'.

In 1636 nam Tulp het initiatief voor een receptenboek of Farmacopee voor apothekers waarin een standaardisering voor de samenstelling en doseringen van verschillende medicijnen werd opgenomen. Dankzij nieuwe handelsroutes hadden apothekers in Amsterdam namelijk toegang tot meer kruiden en specerijen uit het oosten. Bovendien was Tulp geschrokken door het feit dat er veel waardeloze anti-pest geneesmiddelen in omloop waren. Dit boek, de 'Pharmacopoea Amstelredamensis', werd al snel verplichte lectuur voor apothekers, en het apothekersgilde gebruikte het boek als basis om een examen te maken dat nieuwe apothekers af moesten leggen alvorens een zaak te mogen openen.

Tulp bleek ook een goed psycholoog te zijn, blijkens zijn bevindingen van een placebo-effect. Opvallend in het boek is zijn beschrijving van de sectie op het lichaam van een ‘Indische Satyr’: de orang-oetan.

Tulps invloedrijkste werk op medisch gebied publiceerde hij in 1641: zijn Observationes Medicae. Hij schetste hierin uitvoerig 231 ziekte- en sterfgevallen. Hij beschreef bijvoorbeeld de toestand van de longen van een lichaam waarop hij sectie had verricht en legde, voor zover bekend, als eerste medicus de link tussen roken en de mogelijk negatieve effecten ervan op de longen.

Tulp schreef de eerste versie voor zijn zoon, die net was afgestudeerd in Leiden. Hij schreef het boek in het Latijn, een taal die de meeste mensen niet konden lezen, om te voorkomen dat mensen zelf op basis van zijn boek hun ziekte zouden gaan proberen te behandelen. Het boek bevat ook anatomische tekeningen van dieren die door de VOC werden meegenomen uit onder andere India en Afrika. Verder bevat het een reeks verhalen over medische operaties, waaronder het verhaal van Jan de Doot, die een niersteen bij zichzelf zou hebben verwijderd.

Het boek werd in 1651 herdrukt door Lodewijk Elzevir.

In 1652 besloot Nicolaes Tulp definitief afscheid te nemen van zijn functie als arts. Zijn werkzaamheden werden steeds moeilijker te combineren met zijn werk voor het stadsbestuur. Twee jaar later werd hij voor de eerste keer burgemeester van Amsterdam, er zouden nog drie ambtstermijnen volgen. Onder zijn beheer werkte Artus Quellinus aan het beeldhouwwerk van het Amsterdamse stadhuis, het tegenwoordige Paleis op de Dam. Ook haalde hij Paulus Potter naar Amsterdam, die zijn zoon Dirck Tulp portretteerde. Zijn dochter Margaretha, uit zijn tweede huwelijk met Margaretha Pietersdr. de Vlaming van Outshoorn, trouwde in 1655 met Jan Six.

Tulp stond bekend als een steile calvinist. Hij verbood al te uitbundige huwelijkspartijen in een tijd toen Amsterdam geplaagd werd door de pest. In 1672 hield Tulp een feestje vanwege het 50-jarig ambtsjubileum in de raad van Amsterdam. Het feest vond plaats in een tent in de tuin achter zijn huis, met veel toespraken en gedichten. Toen er kritiek kwam, haastte Tulp zich te verklaren dat men van houten borden had gegeten, melk had gedronken en dat het menu uit stokvis, sla, haring en andere Hollandse gerechten had bestaan. In 1673 werd Tulp benoemd tot Gecommitteerde Raad in Den Haag. Nicolaes Tulp overleed in 1674 en werd begraven in de Nieuwe Kerk in Amsterdam.

 
Tulp, Nicolaas Peter Dirk (I503842)
 
194

Omstreeks 1125 huwde hij met Sophia van Rheineck, dochter van Otto van Rheineck en Geertruid van Northausen. Door dit huwelijk kwam het graafschap Bentheim in handen van de graven van Holland. Sophie overleefde haar man met ruim 19 jaar. Ze stierf in 1176 tijdens een bedevaart in Jeruzalem.
Toen zijn vader Floris II in 1122 stierf, was Dirk VI nog te jong om het bestuur op zich te nemen, waarop zijn moeder Petronilla van Saksen deze taken waarnam. In 1123 hielp Petronilla haar halfbroer hertog Lotharius in zijn strijd tegen keizer Hendrik V. Nadat Lotharius in 1125 zelf koning van het Heilige Roomse Rijk werd, voegde hij Rijnland en Leiden, (formeel sinds 1064 Utrechts bezit), bij Holland. In 1133 stichtte Petronilla de abdij van Rijnsburg. Omdat ze geen vertrouwen had in de nogal ambitieloze Dirk, rekte Petronilla haar regentschap, zodat haar 2de zoon Floris het graafschap kon overnemen.

Dirk VI, pas 7 jaar oud, was graaf onder het voogdijschap van zijn moeder Petronilla van Saksen. Omstreeks 1125 huwde hij, op 12-jarige leeftijd, met Sophia van Rheineck. Omdat ze geen vertrouwen had in de nogal ambitieloze Dirk, rekte Petronilla haar regentschap, zodat haar tweede zoon Floris het graafschap kon overnemen.  Floris kwam tweemaal in opstand tegen zijn oudere broer, Dirk VI.  De eerste maal werd hij gesteund door zijn moeder Petronilla, Andries van Cuijk (de bisschop van Utrecht) en de rooms-koning, zijn oom Lotharius III. In 1129 werd het conflict bijgelegd, waarna Floris zich korte tijd, ongeveer 2 jaar lang, graaf van Holland mocht noemen. In augustus 1131 kwam Floris opnieuw in opstand. Ditmaal steunde zijn moeder hem niet en moest hij uitwijken naar het gebied van de WestFriezen die tegen Dirk VI in opstand waren gekomen. Zij boden Floris de heerschappij over West-Friesland en ook de Kennemers schaarden zich achter hem. De broedertwist werd in               augustus 1132 door tussenkomst van Lotharius bijgelegd. In 1133 werd Floris de Zwarte nabij       Fantasiereliëf van         Utrecht vermoord. Floris viel bisschop Andries van Cuijk aan bezette de stad Utrecht. Herman       Floris de Zwarte  en Godfried van Cuijk trokken met een leger naar Utrecht. Zij verrasten Floris toen die buiten de stad aan het jagen was, en doodden hem. In 1138 ondernam Dirk VI samen met zijn vrouw een pelgrimstocht naar Jeruzalem. Op de terugreis bezocht Dirk Paus Innocentius II, en droeg de abdij van Egmond en de door zijn moeder in 1133 gestichte abdij van Rijnsburg aan hem op. Hiermee onttrok hij de abdijen aan het kerkelijk gezag van het Aartsbisdom Utrecht. In 1156 loste Dirk VI de slepende kwestie rond de Echternachse kerken op. De Abdij van Egmond had de kerkelijke rechten over het gebied. Dit werd door de Abdij van Echternach betwist. De abdij van Echternach ondernam herhaaldelijk pogingen het verloren bezit terug te krijgen. Dirk VI loste het conflict op door de abdij van Echternach, in ruil voor de gebieden, land op Schouwen en de inkomsten van de grote kerk in Vlaardingen te schenken. De abt van Egmond was het hier niet mee eens en kort daarna werden Dirk VI en zijn zoon Floris in de ban gedaan. Dit is waarschijnlijk de oorzaak dat Dirk VI niet in Egmond maar in de Abdij van Rijnsburg werd begraven.

 
van Holland, Graaf van Holland Dirk VI (I361)
 
195

Ondanks de moeilijke tijden, zoals de retorsieperiode, wist hij het Kasteel Geldrop nog te verfraaien. Hier waren belangrijke personen te gast zoals de bisschoppen van 's-Hertogenbosch, Michael Ophovius en Joseph Bergaigne, alsmede de vriend van Ophovius, Peter Paul Rubens. Voor de huisvesting van de bisschoppen was enige moed nodig, want het was hun door de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden verboden zich in hun diocees op te houden.

Nadat in 1627 de kerktoren van Geldrop was ingestort, waarbij 85 doden en 200 gewonden vielen, betaalde Amandus II mee aan het herstel.

 
van Horne, Amandus II (I6685)
 
196

ook bekend als Willem de Veroveraar (Guillaume le Conquérant), was de eerste Normandische koning van Engeland van Kerstmis 1066 tot zijn dood. Hij was ook Hertog van Normandië van 1035 tot zijn dood, onder de naam Willem II. Vóór zijn verovering van Engeland, stond hij bekend als Willem de Bastaard omdat hij een buitenechtelijk kind was. Om zijn aanspraken op de Engelse kroon kracht bij te zetten viel Willem in 1066 Engeland binnen. Hij leidde een leger van Normandiërs, Bretons, Vlamingen en Fransen (van Parijs en Île-de-France) naar de overwinning op de troepen van de Engelse koning Harold II in de Slag bij Hastings. De daaropvolgende Engelse opstanden werden door hem onderdrukt in wat bekend is geworden als de Normandische verovering van Engeland. Engeland was een goed georganiseerd koninkrijk met goed werkende belastingheffingen. Vooral dat laatste maakte het voor Willem aantrekkelijk om zijn aanspraken op de troon door te zetten. De verschijning van een komeet, vermoedelijk de komeet van Halley in april 1066, zag hij als een goed voorteken. Hij kreeg hulp van edelen uit Bretagne, Vlaanderen en het hele westen van Frankrijk en verzamelde een vloot van bijna 700 schepen. Harold stationeerde een leger en een vloot in het zuiden van Engeland om deze dreiging het hoofd te kunnen bieden maar op 8 september moest hij, gedwongen door de wet, zijn leger ontbinden en zijn vloot op Londen terugtrekken. Harolds leger bestond vooral uit dienstplichtige boeren, die bij het aanbreken van de oogsttijd het recht hadden om het leger te verlaten. Willem was juist door slecht weer vertraagd: zijn expeditie was vertrokken uit de Divesmonding maar had enkele weken moeten schuilen in de Sommemonding. Daardoor landde hij pas op 28 september 1066 bij Pevensey op de Engelse kust, zonder tegenstand te ontmoeten. Willem bleef aan de kust en bouwde bij Hastings een kasteel dat hij in kant-en-klare onderdelen uit Normandië had meegenomen, als verdediging tegen een mogelijke aanval over zee.

Harold was toen met zijn kleine beroepsleger ver weg in York, waar hij Harald III van Noorwegen en zijn eigen broer Tostig Godwinson had verslagen in de slag bij Stamford Bridge. Na het nieuws van Willems landing trok hij in haast naar het zuiden, waarbij hij onderweg zo veel mogelijk troepen verzamelde. Op 14 oktober vond de slag bij Hastings plaats, waarbij na een dag van zware gevechten Harold werd gedood en Willem de overwinning behaalde.

De slag bij Hastings was nog lang niet de definitieve beslissing. De Engelsen kozen Edgar Ætheling als koning. Willem trok via Dover en Canterbury naar Londen. Hij probeerde via London Bridge de stad te veroveren maar deze aanval werd afgeslagen. Willem liet versterkingen uit Normandië komen en stak de Theems over. Een nieuwe aanval op Londen lukte wel. Op 25 december werd Willem in de Westminster Abbey tot koning gekroond. Zijn verovering is het onderwerp van het beroemde Tapijt van Bayeux.

Willem werd voortdurend met Engelse opstanden geconfronteerd, wat in 1068 uitliep op een grote opstand in Mercia en Northumbria onder leiding van Edgar. Edgar werd verslagen en vluchtte naar Schotland, waar zijn zuster trouwde met koning Malcolm III. Northumberland kwam weer in opstand en York werd veroverd. De opstand werd gesteund door een inval uit Schotland en Denemarken (ook de Deense koning maakte aanspraken op de Engelse kroon). De opstandelingen kwamen tot Lincoln maar werden daar gestuit en uiteindelijk in Yorkshire verslagen. Willem begon toen een campagne van verschroeide aarde in het noorden van Engeland (de zogenaamde Harrying of the North) wat tot grote hongersnood en ontvolking leidde. De gevolgen daarvan waren 100 jaar later nog merkbaar en zelfs de paus zou Willem hebben vermaand over de behandeling van zijn onderdanen. De adel in het noorden werd op grote schaal vervangen door Willems volgelingen en de Denen werden afgekocht en gingen naar huis. In 1072 viel Willem Schotland binnen en sloot uiteindelijk een verdrag met Malcolm. Edgar gaf zich over in 1074. De laatste echte opstand in Engeland was vooral een opstand van Normandische edelen, hoewel de laatste Saksische earl Waltheof II van Northumbria ook aan de opstand deel nam en er weer steun was vanuit Denemarken. Willem was ten tijde van deze opstand in Normandië maar de opstand werd neergeslagen door zijn halfbroer Odo van Bayeux.

Willem introduceerde het feodale stelsel in Engeland, en benoemde veel Franse edelen in Engelse posities. Daarbij gaf hij ze bezittingen die over grote gebieden waren versnipperd zodat ze geen echte machtsbasis konden opbouwen. Hij bouwde ongeveer 80 kastelen, waaronder de Tower of London. In 1085 liet Willem het Domesday Book opstellen met een gedetailleerde inventarisatie van bezittingen in land en vee, voor een doelmatige belastingheffing en om de nieuwe bezitsverhoudingen permanent vast te leggen. Tegen deze tijd had de oorspronkelijke Angelsaksische adel en geestelijkheid nog maar 8% van het land in bezit. De Normandiërs drukten ook qua recht, cultuur en architectuur gedurende de volgende eeuwen een sterk stempel op Engeland.

Opmerkelijk aan de verovering van Engeland is dat deze trekken heeft van een commerciële onderneming. In de Normandische administratie werd vastgelegd wat ieders bijdrage in schepen aan Willems invasievloot was geweest. Er bestaat een zichtbaar verband tussen de grootte van deze investeringen en de grootte en het belang van de Engelse functies en bezittingen die deze investeerders na 1066 kregen toebedeeld.

 
van Engeland, Willem I, "de Veroveraar" (I6713)
 
197

Ook Marijtge Pietersdr. Cranendonck genoemd. Zij is tweemaal gehuwd geweest en beide echtgenoten behoorden in in respectieve woonplaatsen tot de vooraan-staande inwoners en belangrijke plaatselijke bestuurders: zo was haar eerste man schout en waren beide echtgenoten dijkgraaf. Door haar tweede huwelijk was zij vanuit IJsselmonde vertrokken naar de Group bij Westmaas, maar na de dood van haar tweede man in 1641 verhuisde zij weer terug naar haar geboortedorp, waar zij een zevental jaren later overleden is. Opmerkelijk is, dat op haar grafsteen in de kerk van IJsselmonde wel vermeld werd, dat zij weduwe was van Adriaen Aertsz. Hacke, maar dat de naam van Dirck Adriaensz. Fonkert er niet op voorkomt: wellicht was de grafsteen bekostigd door haar zoon Aert Adriaensz. Hacke en vond deze het niet nodig ook zijn stiefvader te vermelden?Uit het feit, dat haar zoon Aert Adriaensz. Hacke al in 1623 vermeld werd als laagheemraad van de polder Dirk Smeetland en Mr.Arend van der Woudensland, kan afgeleid worden, dat zij reeds op vrij jonge leeftijd getrouwd moet zijn. Zij huwde 1e voor 1603 met Adriaen Aertsz. Hacke
Marijtge huwde 2e (tussen 10 mei en 27 augustus) 1627 met Dirck Adriaensz. Fonckert, geboren te Rhoon, als zoon van Adriaen Willemsz. Fonckert en Haesje Dircksdr. Coorneeff, overleden 20-1-1641 te Westmaas. Hij was weduwnaar van Bastiaentje Segersdr. Cranendonck. Evenals de eerste man van Marijtge Pietersdr. Cranendonck, was ook Dirck Adriaensz. Fonkert een vooraanstaand plaatselijk bestuurder en ingeland van zijn woonplaats de Group onder Westmaas. Hij was dijkgraaf van de polders Westmaas-Nieuwland en Oud-Cromstrijen met Oud-Beijerland bedijkt (benoemd 03-06-1622) en schepen (1635-1640) en stedehouder (1639) van de Group. Zijn hofstede in de Group onder Westmaas lag aan de Molenweg (nu: Smidsweg) naast de Vliet, zoals te zien is op een kaartfragment uit de 17e eeuw.

 
Cranendonck, Maartje Pietersdr (I569)
 
198

Over Rechila wordt in een aantal primaire bronnen verhaald, o.a. Hydatius doet verslag van hem. Van zijn jeugd en jonge jaren is echter niets bekend en over zijn geboortedatum en -plaats tasten we in het duister. Niettemin lijkt het meest waarschijnlijke dat hij na 409 geboren werd in Gallaecia, het gebied dat de Sueven toegewezen kregen nadat zij in Spanje arriveerden. Hij was getrouwd met een verder onbekende dochter van Wallia van de Visigoten en was vader van twee zonen en een dochter, waarvan de namen van de zonen aan ons zijn overgeleverd, Rechiar en Ricimer.

Toen zijn vader, koning Hermeric, in 438 ernstig ziek werd, nam Rechilla alle bestuurstaken van hem over en regeerde in diens naam totdat deze in 441 stierf, en hij zelf tot nieuwe koning werd benoemd. Tijdens zijn bewind trachtte hij het Suevische koninkrijk verder uit te breiden door het vacuüm op te vullen dat de Vandalen en Alanen hadden achtergelaten na hun overtocht naar Noord-Afrika.

Rechila voerde een zeer oorlogszuchtige politiek tegen de Romeinse machthebbers in Spanje. Hij sloot een verbond met de Bagaudae, bandieten die hij gebruikte als huurlingen. En leidde verschillende veldtochten tegen de Romeinen in Hispania Baetica en Hispania Lusitania.

Nadat hij in 438 het Romeinse leger, dat onder aanvoering stond van comes Andevotus, had verslagen aan de rivier Jenil (Singillio), veroverde hij in de provincie hoofdstad Mérida (439) van Lusitania en deed hij hetzelfde in Baetica met de stad Sevilla (441). Alle generaals die de Romeinen op hem af stuurden, Andevotus, Censorius, Vitus, werden door Rechila verslagen.

Aan het eind van zijn korte, doch intense regeerperiode bezat hij bijna geheel Andalusië en Baetica en delen van Hispania Tarraconensis. Het Romeinse Rijk had nog slechts de beschikking over de rest van de provincie Hispania Tarraconensis. Rechila overleed in Mérida, volgens zijn tijdgenoot Hydatius stierf hij als een heiden. Hij werd opgevolgd door zijn oudste zoon Rechiar. Een andere zoon, Ricimer [1] werd uiteindelijk opperbevelhebber van het West-Romeinse leger. Zijn dochter trouwde met Gundioc.

 
der Sueben, Rechila (I4126)
 
199

Overleden 19-9-1826 ten 5 ure des namiddags overleden in no 17 te Oosterblokker van beroep landman, geboren te Blokker, zoon van Remment de Boer en laatst weduwnaar van Aafje Klaasdochter Steen.
Op de verklaring van Remment de Boer, zoon van de overledene, oud 47 jaren, wonende te Oosterblokker, beroep koopman en van Klaas de Boer, wonende mede aldaar, van beroep landman, oud 31 jaren, zoon van de overledene

 
de Boer, Cornelis Remments (I504458)
 
200

Petronilla van Saksen, ook bekend alsGeertruid, en ook wel Petronella van Saksen genoemd, (circa 1082 - 23 mei1144) was een dochter van Diederik II van Lotharingen en Hedwig van Formbach. Uit een eerder huwelijk van Hedwig met Gebhard van Supplinburg werd de latere keizer Lotharius III geboren, waarmee Petronilla dus een machtige halfbroer had.
Zij trouwde vermoedelijk in 1113 met graaf Floris II van Holland. Mogelijk liet zij toen haar naam veranderen naar Petronilla. Waarschijnlijk uit devotie voor de Heilige Petrus.
Na de vroege dood van haar man in 1122 voerde zij het regentschap voor haar zoon, graaf Dirk VI van Holland. Petronella vond dat Dirk niet voldoende kwaliteit had om graaf te worden en ze weigerde haar functie op te geven Petronella steunde haar halfbroer in zijn poging om keizer te worden.
Petronella benoemde haar kapelaan tot abt van Egmond. In 1133 stichtte zij de abdij van Rijnsburg. Petronilla werd in de abdij, voor het koor van de grafelijke kapel begraven. Haar restanten werd in 1949 gevonden bij de opgraving van de kapel. Forensisch onderzoek toonde onder ander aan dat de gravin een grote en grof gebouwde vrouw geweest moet zijn.

 
van Saksen, Petronilla (I370)
 

      «Prev 1 2 3 4 5 6 7 8 ... 21» Next»