Notes


Matches 101 to 150 of 1,016

      «Prev 1 2 3 4 5 6 7 ... 21» Next»

 #   Notes   Linked to 
101

Lijze van Dijk treedt op als getuige bij de Vrederechter inzake de voorbereidingen van het voorgenomen huwelijk van Evert Labrant en Grietje Bruinum. Grietje moet de staat van haar vader overleggen ten behoeve van het huwelijk, maar deze is reeds voor haar geboorte (1779) vertrokken als militair van het Bataafsche leger zonder dat er ooit nog iets van hem is vernomen. Lijze is van deze omstandigheid bekend en getuigt dit voor de rechter, 'denzelve zeer goed te kennen' en 'altijd gedurige ommegang met de moeder van de reguran te hebben.

 
van Dijk, Elizabeth "Leisje/ Lijsje/ Lijze/ Lizebet" (I4357)
 
102

Louweris Jan was een zoon van Jan Willemsz. van Schilperoort, inwoner van Charlois en dijkgraaf van Karnemelksland.
Louweris Jansz. (van) SChilperoort, landpoorter van Dordrecht, wonende te Barendrecht in 1584 en tot 1598 schout van West-Barendrecht en Carnisse, tr. vóór ca. 1580 met Grietgen Louwen, overl. in Barendrecht tussen juli 1633 en januari 1634.
N.B. De Cornelis Lauwe, die als j.g. van West-Barendrecht, trouwde met Pietertge Cornelis, j.d. van Oost-Barendrecht, behoorde tot de familie Van der Ca.

 
Schilperoort, Laurens Jansz (I2089)
 
103

Margaretha van Mechelen (Lier, circa 1580 – Den Haag17 mei 1662) bijgezet in de Pieterskerk[1] te Leiden was een Zuid-Nederlandse edelvrouw.
Zij was een dochter van Cornelis van Mechelen, schepen van Lier te België en Barbara van Nassau.
Barbara van Nassau stamde uit een katholieke bastaardtak van de Bredase Nassaus. Margaretha's moeder was een dochter van Paulus, jonker van Nassau en Margaretha van Lier. De grootvader van Paulus was een bastaardzoon van Johan IV van Nassau. Door het overlijden van haar ouders werd in 1583 de zorg voor haar en een broer en zus aan drie ongehuwde tantes in Leiden toevertrouwd.
Van circa 1600 tot circa 1610 was Margaretha van Mechelen de maîtresse van Maurits van Nassau, de latere prins van Oranje. Samen kregen zij drie kinderen.
Maurits van Nassau is echter nooit met Margaretha getrouwd, waarschijnlijk omdat zij katholiek was en afkomstig van lage adel. Wel kregen hun kinderen een andere behandeling dan Maurits’ overige bastaardkinderen. Hun kinderen namen wel deel aan het hofleven.
Op zijn sterfbed in 1625 dreigde Maurits tegenover zijn toen nog ongehuwde halfbroer Frederik Hendrik graaf van Nassau dat hij alsnog met Margaretha zou trouwen als zijn broer niet zelf in het huwelijk zou treden. In dat geval zou hij ook hun buitenechtelijke zonen echten en zouden deze Maurits opvolgen als stadhouder in plaats van Frederik Hendrik. Frederik Hendrik trouwde echter met Amalia van Solms, een aantal dagen voor het overlijden van Maurits.

 
van Mechelen, Margaretha (I501395)
 
104

meester wielmaker (wagenmaker) te Rijnsburg in het Campeijnde. Woonde aldaar naast zijn schoonvader. Genoemd op de kohieren van de tiende penning vanaf 1553, overl in 1579.1 Hij huwde met Lijsbeth Willemsdr. van der Codde, zij assisteerde op 23 maart 1585 haar dochter Stijntge Quirijns bij haar ondertr. te Leiden, overl. na 17 mei 1586 2 , dochter van Willem Jansz., schoenmaker te Rijnsburg, en Maritge Jansdr. Lijsbeth Willems was blijkbaar aktief in de reformatie of te wel de ketterse leer en week vermoedelijk na 28 maart 1568 uit naar Emden in Duitsland. In het testament van 28 maart 1568 bepaalden Willem Jansz. (van der Codden) en Maritgen Jansdr. "om sonderlinge saecken ende redenen hemluijden daer toe bewegende" dat hun dochter Lijsbeth voor haar kindsgedeelte uit de erfenis zal genieten een levenslange lijftocht. Als Lijsbeth vóór haar man zou overlijden bleef die levenslang in het genot van de lijftocht. De eigendom van de goederen uit dit kindsgedeelte zal komen aan de kinderen van Lijsbeth. Het gedeelte van een gestorven kind valt toe aan de overige kinderen. Met andere woorden: Lijsbeth zal deze goederen niet in eigendom ontvangen, maar er met haar man levenslang het vruchtgebruik van genieten. Lijsbeth en Quierijn verklaarden dat zij met deze regeling akkoord gingen.3 Deze afwijkende bepaling in het testament wordt begrijpelijk als we mogen aannemen dat Lijsbeth de met vervolging bedreigde dochter was, die naar Emden is uitgeweken. De bezittingen van ballingen werden geconfisceerd. De "ketterjacht" werd in 1568 hevig. Op de dag na het opmaken van het testament gaf de Leidse vroedschap bevel dat alle ministers (predikanten), consistorialen (kerkeraadsleden), beeldbrekers en kerkrovers bij het gerecht moesten worden aangebracht. Door de getroffen beschikking bleven de aan Lijsbeth toegevallen erfgoederen uit handen van de justitie, als zij op de vlucht ging.
Quierijn Fransz. werd namens zijn vrouw tussen 1567 en 1573 driemaal voor de Raad van Beroerte gedagvaard en veroordeeld.4 Lijsbeth Willems was een tante van de gebroeders Van der Codde, de "stichters" van de Rijnsburger Collegianten.

 
Fransz, Quierijn (I1690)
 
105

meester wielmaker, schepen van Rijnsburg in 1586, 1588 en 1605 8 , eigenaar van 2 morgen, 2 hond en 1 roede weiland te Oegstgeest, werd op 15 december 1606 en 4 juli 1607 door de weeskamer te Leiden aangesteld tot medevoogd over de nagelaten weeskinderen van zijn zusters Stijntge en Volckgen. Hij was blijkens een verklaring uit 1624 toen 65 jaar oud 9 en woonde in 1623 in bij zijn zoon Quirijn Jansz.10 Hij ondertr. Leiden 30 maart 1577 met Marijtje Dircksdr., j.d. van Oegstgeest, overl. na 5 november 1599 dochter van Dirck Willem Egbertsz. (van Egmond) en Claertje Jeroensdr

 
Quierijnsz, Jan (I1688)
 
106

Na den vroegen dood van zijn vader, verhuisde hij met zijn moeder naar Leiden. Op 20 Sept. 1657 ontving hij ‘out omtrent 24 jaer’ venia aetatis van de Staten van Holland; hij wordt dan lakenreder genoemd. Later komt hij voor als koopman. In 1659 woonde hij te Leiden in de Breestraat, in 1682 te Amsterdam in de Kalverstraat

 
Velius, Dirk (I5381)
 
107

Nero (Antium, 15 december 37 - Rome, 9 juni 68) was keizer van Rome van 13 oktober 54 tot 9 juni 68. Zijn oorspronkelijke naam (vóór zijn adoptie door Claudius) was Lucius Domitius Ahenobarbus. Bij zijn adoptie veranderde zijn naam in: Nero Claudius Caesar Drusus Germanicus. Toen hij keizer werd, werd zijn officiële naam: Nero Claudius Caesar Augustus Germanicus en, vanaf 66, Imperator Nero Claudius Caesar Augustus Germanicus.

Nero was de zoon van Agrippina en via haar verwant aan Gaius Iulius Caesar Octavianus (Augustus). Hij beriep zich erop een bet-achterkleinzoon van hem te zijn.

In 50 wist Nero's moeder Agrippina te bewerkstelligen dat keizer Claudius de jonge Nero adopteerde. Ook werd de filosoof Seneca uit ballingschap teruggeroepen om als tutor van Nero te fungeren. In 53 werd hij getrouwd met de dochter van de keizer, Claudia Octavia. In oktober 54 werd Claudius door Agrippina vergiftigd en zijn zoon Britannicus vastgezet zodat Nero zonder enige concurrentie tot keizer kon worden uitgeroepen. Britannicus stierf aan tafel op 11 februari 55, vergiftigd door Nero. Volgens Tacitus werd Britannicus een drankje aangeboden dat veel te heet was. Britannicus had een proever en deze had van die hete drank geproefd. Het gif zat echter in het water dat bedoeld was om de drank af te koelen. Volgens Suetonius werd Britannicus eerst een drank met vergif toegediend, maar dit gaf Britannicus slechts een erge diarree. Daarop liet Nero zijn gifmengster in zijn eigen kamer het gif koken (om het sterker te maken) en liet het eerst testen op een bokje en vervolgens op een biggetje dat bij de eerste slok dood neerviel. Hierop liet Nero het gif aan Britannicus toedienen, waarop deze bij de eerste slok dood neerviel; Nero verklaarde aan zijn disgenoten dat Britannicus slechts een epilepsieaanval had. Het lijk werd daarop in de gutsende regen verbrand (aldus Suetonius). Zijn lijk werd onmiddellijk gecremeerd, zodat een moord niet te bewijzen was.

 
Drusus Germanicus, (Keizer Nero) Keizer van Het Romeinse Rijk Nero Claudius Caesar (I3662)
 
108

ook wel Maria van Henegouwen, was de hertogin van Blois en dochter van Gwijde van Avesnes, bisschop van Utrecht.
Ze trouwde in 1308 met Arnold van IJsselstein. Dankzij dit huwelijk kreeg haar man de goederen terug geschonken door bisschop Gwijde van Avesnes die hij eerder was kwijtgeraakt.

Maria van Avesnes ligt samen met haar man begraven in de Sint Nicolaaskerk te IJsselstein in de bijzondere graftombe van de heren van IJsselstein die door hun dochter Guyote van IJsselstein werd opgericht.[1] Samen kregen ze drie dochters

 
van Avesnes, Maria (I6226)
 
109

Plectrudis stamde uit een adellijk geslacht met bezittingen in de Eifel en rondom Keulen, een geslacht dat zeker zoveel aanzien genoot binnen het Frankische deelrijk Austrasië als dat der Arnulfingen/Pippiniden, waartoe haar echtgenoot behoorde. Dankzij haar steun aan het werk van Willibrord en haar optreden na de dood van haar man is over Plectrudis meer bekend dan ove de meeste vrouwelijke tijdgenoten.
Waarschijnlijk was Plectrudis van koninklijken bloede. In één tekst wordt namelijk een Plectrudis genoemd als zuster van
Adela, abdis en stichteres van het klooster te Pfalzel (gest. ca. 735), die verwant was aan het Merovingische koningshuis. Indien deze identificatie klopt, bracht Plectrudis dus niet alleen uitgebreide bezittingen in haar huwelijk in, maar ook koninklijk bloed.
Samen met haar man stichtte zij talrijke kerken en kloosters. De kerk
Heilige Maria in het Capitool in Keulen werd op haar initiatief gebouwd. Ze werd er ook begraven en heeft twee grafmonumenten.
Nadat haar man overleden was, werd zij regent over de Franken tot haar stiefzoon Karel Martel haar dwong af te treden in 717. Zij trok zich toen zij uit het paleis verdreven werd terug in een gemeenschap bij de door haar gestichte kerk Sankta Maria im Kapitol in Keulen, waar zij op een onbekende datum stierf.
Hoewel ze niet heilig verklaard is, heeft ze wel haar plekje op de heiligenkalender.
Haar feestdag is op 10 augustus

 
Carolingen, Plectrudis (I799)
 
110

Prins Berhard von Lippe-Biesterfeld, gemaal van Koningin Juliana was een nazaat uit dit geslacht

 
von Lippe, Margarete (I6452)
 
111

Ptolemaeus VI Philometor (+/- 191 - 145 v.Chr.) was koning van Egypte van 180 t/m 145 v.Chr..

Hij was een jaar of twaalf toen hij zijn vader Ptolemaeus V Epiphanes opvolgde en regeerde gezamenlijk met zijn moeder Cleopatra I tot zij stierf in 176 v.Chr.. Het jaar daarna trouwde hij met zijn zuster Cleopatra II.

In 170 v.Chr. begon Antiochus IV de zesde Syrische oorlog en viel tweemaal Egypte binnen. Hij werd zelfs als koning van Egypte gekroond maar de senaat van Rome dwong hem de titel weer op te geven. Daarna werd van 169-164 v.Chr. het land gezamenlijk geregeerd door Ptolemaeus VI, zijn zuster-eega Cleopatra en een jongere broer Ptolemaeus VIII. Ptolemaeus VI werd in 164 v.Chr. door zijn jongere broer van de troon gestoten en ging naar Rome waar hij de steun van Cato verwierf. Hij werd daardoor weer op de troon hersteld maar de Alexandrijnen kwamen in opstand tegen hem. Hij sloeg de rebellie wreed neer en wist daardoor de troon te behouden.

 
Philometor Ptolemea, Farao van Egypte Ptolemaeus VI (I3651)
 
112

Sigismund was een leerling van Avitus van Vienne, de Chalcedonischebisschop van Vienne die zich bekeerd van Sigismund van het Arische geloof van zijn voorvaderen Bourgondische. [1]Sigismund werd geïnspireerd om gevonden van een klooster gewijd aan Saint Maurice op de Agaune in Wallis in 515. [2]het volgende jaar werd hij koning van de Bourgondiërs. Sigismund's zoon tegen hem in 517, en beledigd zijn nieuwe vrouw, dus Sigismund had hem gewurgd. Vervolgens, overweldigd door wroeging, Sigismund trokken zich terug naar het klooster dat hij had opgericht.

In 523, Clotilde, dochter van Chilperik II van Bourgondië , die waren gedood door Sigismund's vader Gundobad in 493, nam wraak voor de moord op haar vader, toen ze haar zonen tegen Sigismund opgehitst, en leidde tot de Bourgondische oorlog, wat tot Sigismund van afzetting en gevangenisstraf, en hij vermoord werd het volgende jaar leidde. In 523, het Koninkrijk van de Bourgondiërs werd binnengevallen door de vier Frankische koningen, Chlodomer, Childebert I, Chlotarius ik en Theuderik ik, kinderen van de Frankische koning Clovis ik en Sigismund's tweede neven door Clothilde. Sigismund en zijn broer van Gundomar leidde de verdediging van de Bourgondische maar verloor de strijd. Gundomar vluchtte terwijl Sigismund een monk's gewoonte zetten en in een cel in de buurt van zijn abdij verborgen. Hij werd gevangengenomen door Chlodomer, koning van Aurelianum (moderne Orléans), genomen gevangene, onthoofd en zijn lichaam in een put gegooid. [3]Sigismund's vrouw en kinderen waren ook ter dood gebracht. [3]Sigismund werd opgevolgd door zijn broer van Gundomar. Gundomar vervolgens een rally van het Bourgondische leger en opgeroepen tot steun van zijn bondgenoot, de Ostrogothic koning Theodorik de grote. [4]Gundomar herwon zijn grondgebied. Echter, het garnizoen dat de Franken hadden achtergelaten werden afgeslacht.
Chlodomer ging op het offensief opnieuw maar werd gedood bij de
Slag van Vézeronce, die plaatsvond op 25 juni 524, naar verluidt door toedoen van Gundomar.

Verering

In 535, waren Sigismund's blijft het goed op Coulmiers verhaald en begraven in het klooster in Agaune. [3]uiteindelijk Sigismund werd heilig verklaard. Correspondentie heeft tussen Sigismund en Avitus, die een dichter en een van de laatste modellen van de klassieke kunsten was overleefd.
In 1366,
Karel IV, keizer van het Heilige Roomse Rijk, Sigismund's overblijfselen overgebracht naar Praag,[5]vandaar hij uitgegroeid tot een patroonheilige van het Koninkrijk Bohemen, nu Tsjechië.  

Herma van Saint Sigismund in Płock

De keizer gaf van de heilige naam aan een van zijn zoon, de latere koning Sigismund van Hongarije (die ook werd decennia later koning van Bohemen en keizer van het Heilige Roomse Rijk). Sigismund van Hongarije gebouwd in 1424, een kerk in de eer van Saint Sigismund in de Stad van Buda. [6]in 1424 koning Sigismund nam de reliques van Saint Sigismund van Praag en stuurde ze naar de Hongaarse stad van Varad, zodat ze kunnen worden beschermd tegen de Hussieten.

 
van de Bourgondiërs, Sigismund "de Heilige", Sigismund "de Heilige", (I4144)
 
113

Testament van Geertken Pieter Adriaensdr (14-8-1569). Zij lijftocht haar man en geeft hem het beheer over haar goederen en de voogdij over hun kinderen. ... dier tijt ten huyse van Johan Jans Berntsz. duer begheren en spreecken van Jan Jansz. voorn sijn huysvrou mit (?) enige cranckheyden beladen sijnde int openbaer voir die ghemene nabueren van Tienhoven ten huyse seynde ende so heeft Johan Jan Berntsz. verlaeten en kwijtgescholden Gheertgen Pieter Adriaensdr sijn echt huysvrouw van sijnder momberschap ende voogdije, die hij over haer hadde en stond voor ons gerecht voorn ende verk(?) dat Heilig Sacrament vrij ende los ende heeft selve Geertgen voorn mit haren vrijen wille, ende oeck haren gecoren voechts hant Jan Jansz. Buerman, die sij voor den gerechte begheerde.

 
Adriaensdr, Gheertgen Pieter (I3241)
 
114

Transport Jan Ariensz aan Jan Jansz in Tienhoven 1 morgen land onverscheyden met Aert Middag in een campken van 2 morgen op´t Hoogheynd van Middelcoop, boven voorn Jan Jansz en beneden den gemenelandskade van Middelcoop.

Jan Jansz Berents boedelhouder van de nagelaten goederen (zijn huisvrouw Marrichjen Cornelisdr is overleden) ter eenre Claes Jans Berents en Bernet Jansz voogden van vaderszijde, Adriaen Cornelisz van moederszijde van de nagelaten kinderen ter andere kinderen met name Jan, Cornelis, Geertken, Jan en Adriaen.

Jan Jansz Berents houdt de helft van 5 ackeren in de hofstede waar hij op woont in Tienhoven, 3 mrg 3 hont lants wesende de helfte van 7 mrg, eertijts gecomen van Adriaen Schalcken, mede in Tienhoven, westw. van de wederhelft, nu toekomende de kinderen van Dirck Petersen, nog 6 mrg vrijlants gelegen achter Tienhoven onder Ameijde, weleer gecomen van Lambert Petersen Roeck, alias smitken, nog 6 morgen 4 hont in´t Hoogeijnd van Middelkoop die vooralsnog gemeen sal blijven, een camp leegh lants daer Jan Berents aen de oostzijde bedeelt sal blijven, nog aen d´enen helft van 3 morgen lants gelegen in´t Hoogeijnd van Middelkoop in de hofstede van Thonis Heimansz genaampt de Ossecamp, te weten die oostzijde, bovendien nog gemeen de helft van 2 morgen in´t Hoogeijnd van Middelkoop gemeen met Aert Anthonisz Middagh, met oock noch 2 morgen 5 hont land gelegen in Tienhoven op den Hoogenweert.

Hiertegens krijgen de 5 kinderen d´andere helft van de 5 ackeren in Tienhoven achter de hofstede, 4 morgen 4 hont mede in Tienhoven ten westen van de voorz 5 ackeren wesende de helft van 9 morgen 2 hont van outs gemaapt de Cleijne Hofstede, nog 2 morgen lants ter Ameijde op de polder Aextervelt binnen die steege, wesende de helft van 4 morgen van outs genaampt die vernaeltinge, sulcx die gegrondcavelt sijn tegens die weduwe van Huijch Dircksz de Ridder, nog 4 morgen lants mede op ten voorsz polder binnen die steege, soe die gecocht sijn van Peter Buijense, timmerman en weleer gecomen van de wede van Henrick Andriesz en hare kinderen, nog de wederhelft van seecker campgen weijlant in´t Hoogeijnde van Middelkoop, bovendien nog de helft van 3 morgen daervan de wederhelft haer vader ten deel gevallen is in´t Hoogeijnde van Middelkoop in de hofstede van Tonis Hermansz gen´t de Ossecamp.

Jan Jansz Berents moet elk kind nog f 325,- uitreiken.

 
Berntz (van Tienhoven), Jan Jan (I3244)
 
115

Van november 1880 tot 1980 wordt de boerderij bewoond door de familie Hilbrands. Hun geslacht vindt zijn oorsprong in Wachtum.
In 1736 trouwt
Derk Hilbrands, geboren in 1710 in Wachtum, met Hillichje Hindriks.
Derk was  volle boer, meijer (=huurboer/pachtboer) van Klaas Tenholte

 
Hilbrands, Derk (I500406)
 
116

Velius werd geboren als Dirk Seylmaker, maar latiniseerde zijn naam later. Hij studeerde medicijnen en studeerde ook aan de universiteit van Padua. Hij speelde een belangrijke rol in het openbare leven van Hoorn. Zo werd hij in 1601 toegelaten tot het vroedschap van de stad. Ook schreef hij boeken, waarvan Chronijck van de Stadt van Hoorn (in 1604) het bekendst is. Velius is drie keer getrouwd geweest en kreeg acht kinderen.
Geboren te Hoorn op 10 januari 1572. Overleden te Hoorn op 23 april 1630.
Arts te Hoorn, geschiedschrijver en dichter. Had zitting in de vroedschap van Hoorn. Werd echter bekend door zijn Chronijck van Hoorn.
Hij was het tweede kind van het echtpaar Volckert Maertens Seylmacker en Anna Dircksdr. Oly. Beide ouders stamden uit aanzienlijke families in Medemblik. Deze Volckert Maertens was zeilmaker van beroep. Zijn familienaam Schagher veranderde hij in Seylmaecker. Zijn zoon Theodorus (Dirck) verlatijnste die naam later tot Velius, een toenmalige gewoonte van studenten en wetenschappers.
Op zijn zesde jaar ging hij in zijn woonplaats Hoorn naar de in 1575 aldaar opgerichte Latijnse School. In 1585 werd hij, 12 jaar oud, naar Leiden gestuurd om daar verder aan de Latijnse school te studeren, maar hij volgde tevens de openbare colleges aan de Leidse universiteit. Twee jaar later, op 29 april 1587 werd hij ingeschreven aan de Leidse Universiteit, waar hij aanvankelijk Letteren en Philosophie studeerde, maar later overstapte naar de studie in de medicijnen. Hij noemde zich toen al Velius. In 1593 reisde hij naar Italië, waar hij na een verblijf van een jaar aan de universiteit van Padua, op 10 september 1594, promoveerde tot doctor in de medicijnen. In oktober 1594 keerde Velius terug naar Hoorn. Hij was toen 22 jaar oud. Nog in datzelfde jaar werd hij aangesteld als stadsgeneesheer. Hij heeft die functie tot grote tevredenheid van het stadsbestuur en van de bevolking tot het eind van zijn leven uitgeoefend. Hij kwam daardoor letterlijk met alle groepen van de bevolking in aanraking. Daarnaast had hij contact met andere intellectuelen, dichters en wetenschappers, in Hoorn en daarbuiten. Vondel schreef een lofdicht op de voortreffelijke Velius.
Velius is drie keer getrouwd geweest en kreeg vijf kinderen. Er zijn alleen in de vrouwelijke lijn nog afstammelingen van Velius. Op 17 november 2007 ontving Rens Vriend uit Andijk, als jongste nazaat, in de Oosterkerk te Hoorn het eerste exemplaar van de hertaling van Velius.
Van 1601 tot 1618 werd hij tot raad oftewel lid van de vroedschap van de stad Hoorn gekozen. In dezelfde periode was hij ook weesmeester maar die functie bleef hij zijn verdere leven uitoefenen.
Hij woonde op het Achterom.

 
Velius, Theodorus (I2930)
 
117

Vermeld in 1300-1323 Als weduwe en maakt haar testament in 1300 en voogde er in 1305 een codicil aan toe, stichte in 1305 te Koudekerke een Kappelanis ter memorium van haar echtgenoot

 
van Coudekerke (van Brederode),, Alverade (I6831)
 
118

woonde Valkenburg 1657, doet belijdenis 30 juni 1658 te Oegstgeest, bouwman (veehouder) te Oegstgeest, schepen van 1668-1670, 1671, 1696- 1698, 1700-1702, Heilige Geestmeester 1688-1692, welgeboren man 1698-1699, weesmeester 1671-1673, 1690 van Oegstgeest, had één dienstmeid te Oestgeest 1691, Dit document is afkomstig van www.nagtegaal.org © H.K. Nagtegaal - Alle rechten voorbehouden 4 doopgetuige aldaar bij Grietje op 30 juni 1669 en Dirk op 30 november 1670, kinderen van zijn broer Quirijn Jansz. Vlasvelt en bij Trijntje op 1 januari 1679, dochter van zijn broer Jan Jansz. Vlasvelt. Hij huwde 1e Oegstgeest 23 juli 1657 met Grietje Arentsdr. van Ommedijck, overl. Oegstgeest 24 november 1661, dochter van Arent Willeboorts van Ommedijck en Barbara Pieters; zij was weduwe van Dirck Claesz. van Claveren. Hij huwde 2e Oegstgeest 15 juli 1663 met Ariaentje Ariensdr. van der Plas, ged. Zoetermeer 2 september 1629, overl. Oegstgeest 16 januari 1670, dochter van Arij Janse.. Hij huwde 3e Valkenburg 8 november 1671 met Bregje Jansdr. van Duycker, j.d. van Valkenburg, overl. Oegstgeest (gaarder 6 maart 1698), dochter van Jan Dircksz. Duijker en Maritgen Jacobs . Hij ondertr. 4e Leiden 27 februari 1699 met Grietje Leendertsdr., overl. Oegstgeest (gaarder 6 januari 1720) wed. van Jan Willemsz. van der Plas

 
Vlasveld, Dirk Jansz (I500831)
 
119

Zij is gedoopt op 04-04-1677 in Pernis. Machteltje is overleden na 17-05-1723, minstens 46 jaar oud. Machteltje trouwde, 30 jaar oud, op 02-12-1707 in Hoogvliet (Pernis) met Leendert PietersSchilperoort, 29 of 30 jaar oud. Leendert is geboren in 1677 in Rhoon. Kinderen van Machteltje en Leendert: 1 JannetjeLeendertsdr. Schilperoort, geboren in Hoogvliet. 2 Hendrikje Leenderts Schilperoort. Zij is gedoopt op 13-04-1721 in Hoogvliet. Hendrikje trouwde, 28 jaar oud, op 13-07-1749 in ?s-Gravenzande met Jacob Maertensz Rodenburg, 38 jaar oud, nadat zij op 14-05-1749 in ?s-Gravenzande in ondertrouw zijn gegaan. Jacob is een zoon van Maerten Jacobsz Rodenburg en Pleuntje Janse Lelijvelt (Lelivelt). Hij is gedoopt op 19-10-1710 in Benthuizen.

 
Prins, Magteltje Hendriksd (I675)
 
120

Maurits van Oranje (Dillenburg14 november 1567 – Den Haag23 april 1625), prins van Oranje en graaf van Nassau was stadhouder en legeraanvoerder van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Tot hij in 1618 de titel prins van Oranje erfde van zijn halfbroer Filips Willem, werd hij Maurits van Nassau genoemd.
Maurits bracht zijn jeugd deels door op 
slot Dillenburg waar zijn oom Jan van Nassau hem opvoedde. Zijn vader Willem van Oranje kon dat niet op zich nemen omdat hij destijds in de Nederlanden was om de Opstandtegen Spanje te leiden. Na opleidingen in Heidelberg en Leiden werd Maurits op zijn achttiende verjaardag stadhouder van Holland en Zeeland. Hij bracht twee jaar door in het Staatse leger voordat hij het opperbevel kreeg. Maurits werd in 1590 stadhouder over de provincies Gelderland, Overijssel en Utrecht.
Als kapitein-generaal voerde hij het leger aan tegen Spanje. Gedurende de 
Tien Jaren van 1588 tot 1598 behaalde hij onder het politieke leiderschap van de landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt vele overwinningen. Het was een keerpunt in de oorlog en de Spanjaarden werden uit het noorden en oosten van de Republiek verdreven. Op militair gebied was dit succes mede te danken aan de hervormingen die Maurits samen met de Friese stadhouder Willem Lodewijk in het leger doorvoerde. De goede samenwerking met Oldenbarnevelt kreeg een deuk toen Maurits tijdens een expeditie op een Spaans leger stuitte: de Slag bij Nieuwpoort. Tijdens het Twaalfjarig Bestand brak er een religieus conflict uit in de Republiek en koos Maurits de kant van de orthodoxe calvinisten (Gomaristen), waarmee hij recht tegenover Oldenbarnevelt kwam te staan, met uiteindelijk een machtsovername en de onthoofding van de landsadvocaat tot gevolg. De jaren erna ging het land zowel op bestuurlijk als op militair gebied achteruit. Op 23 april 1625 stierf Maurits in Den Haag.

 
von Nassau, Maurits (I501372)
 
121

Anna van Nassau (Breda5 november 1563 – Franeker13 juni 1588) was de tweede dochter van Willem van Oranje uit diens tweede huwelijk met Anna van Saksen.
Anna ging in 1567 naar 
Slot Dillenburg en werd daar opgevoed door haar grootmoeder Juliana van Stolberg. Daar zal zij ook kennisgemaakt hebben met haar latere echtgenoot Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg. Zij huwde met hem in 1587. Zij overleed echter al een half jaar daarna, tijdens haar eerste zwangerschap. Anna werd begraven in de Grote of Jacobijnerkerk in Leeuwarden. Willem Lodewijk is uit respect voor haar niet hertrouwd.
Haar kostbare grafmonument, gepolychromeerde 
gisant bij de grafkelder van de Friesche Nassau's in de Grote of Jacobijnerkerk in Leeuwarden werd in 1795 vernield. Haar graf werd door een woedende menigte geschonden.

 
Nassau, Anna (2) (I501366)
 
122

Emilia van Nassau tevens Emilia van Portugal (Keulen10 april 1569 - Genève16 maart 1629) was de derde en jongste dochter van Willem van Oranje uit diens tweede huwelijk met Anna van Saksen.
De moeder van Emilia begon kort na Emilia's geboorte een relatie met de vader van de schilder 
Rubens. Deze affaire was reden de kinderen bij hun moeder weg te halen. Emilia, haar zuster Anna en haar broer Maurits kwamen terecht bij hun oom Jan de Oude op kasteel Dillenburg. Na enige tijd bij haar vader in Delft en haar zuster Anna in Friesland gewoond te hebben trad Emilia in de jaren 1590 op als gastvrouw aan het hof van haar broer Maurits. Tijdens een van de ontvangsten ontmoette de calvinistische Emilia haar toekomstige katholieke echtgenoot Emanuel van Portugal (1568-1638) met wie zij in 1597 in het geheim trouwde. Maurits was fel gekant tegen dit huwelijk (Emanuel zou nooit de troon van zijn vaderland kunnen bestijgen, was armlastig, een bastaard en vanwege de katholiciteit van de Portugees[1]) en probeerde het paar uit elkaar te drijven. Toen dat ijdele hoop bleek werden Emilia en Emanuel verbannen van het hof. Het duurde ruim tien jaar voor Maurits zich bij dit huwelijk kon neerleggen. In 1609 kocht het paar het kasteel van Wijchen en lieten het herbouwen, de muurankers vormen nog altijd twee in elkaar gevlochten letters "E". Emilia zat in 1625 aan het sterfbed van haar broer. Na Maurits' dood in 1625 bleek de erfenis in alle opzichten nadelig. In de laatste jaren van hun huwelijk woonden Emilia en Emanuel gescheiden. Emanuel verkocht zijn rechten aan de Spaanse koning en verhuisde naar Brussel; Emilia kocht het landgoed Prangins nabij Genève, waar zij in 1629 op 59-jarige leeftijd overleed.

 
van Oranje- Nassau, Emilia (I501374)
 
123

Maria van Nassau (Breda7 februari 1556 – Buren10 oktober 1616) was het derde kind en de tweede dochter van Willem van Oranje en Anna van Egmont. Zij voerde na het overlijden van haar moeder de titel gravin van Buren.
Maria werd vernoemd naar 
Maria van Hongarije, de zuster van keizer Karel V en landvoogdes der Nederlanden. Na de dood van Anna van Egmont in 1558 nam Maria van Hongarije Maria en haar broer Filips Willem onder haar hoede en zorgde voor een opvoeding aan haar hof. In 1567 vertrok Maria met haar vader naar Dillenburg.
Maria zette zich in om haar broer Filips Willem vrij te krijgen uit 
Spanje, waar hij door Filips II gegijzeld werd gehouden. Later koos Maria opnieuw de zijde van Filips Willem, die met zijn halfbroers Maurits en Frederik Hendrik in een hevige strijd verwikkeld was over de nalatenschap van hun vader.
Op 7 februari 
1595 huwde Maria te Buren graaf Filips van Hohenlohe (1550-1606). Filips was een legeraanvoerder in dienst van de Republiek en had een slechte reputatie. Het huwelijk bleef kinderloos.
In haar woonplaats Buren heeft Maria veel aan 
liefdadigheid gedaan.
Na het overlijden van haar echtgenoot in 1606 stichtte Maria in 1612 in Buren een weeshuis, waarin tegenwoordig het 
Marechausseemuseum is gevestigd. Maria overleed daar in 1616 en is op 23 oktober bijgezet in de grafkelder van haar Egmondse voorgeslacht in de Sint-Lambertuskerk te Buren

 
Oranje-Nassau, Maria (I501359)
 
124

Aleida Adelina van Holland (rond 995 - rond 1045) was een dochter van Arnulf van Gent en Lutgardis van Luxemburg. Zij huwde een eerste maal met Boudewijn II van Boulogne en werd de moeder van Eustaas I van Boulogne. Zij huwde een tweede maal met Engelram I van Ponthieu, nadat die Boudewijn had gedood.

 
van Holland, Adelina (I6759)
 
125

Alias van Amelroyen. Kanunnik, schepen van St Oedenrode, kwartierschout van Peelland; vgl Jaarboek CBG 1967; NL 69/92

ORA Oirschot (Toirkens 137a fol 37 no 141 dd 28-2-1552) Henrick zoon wijlen Henrick Goijaerts in Deeckerschot als man van Agnesen van Amersoijen en Arien zoon Jans van Luiteren als man van Catharina van Amersoijen wettige dochters van wijlen meester Everaert van Amerzoijen hebben samen machtiging gegeven aan Everden van Ammerzoijen om namens hen de twee achtste delen over te dragen van een huis gelegen in St. Oedenrode dat genoemd wordt, volgens het leenboek daarvan, 'het derde deel van Mijns Genadigs Herenhuis', dat zij ieder voor een achtste deel daarvan hebben geerfd van wijlen heer Goijaerden van Sceijnveld scholasticus te St. Oedenrode. Het bezit zal worden verkocht aan Lenaert zoon Roelof van Haestrijck en de opdrachtgevers beloven alles na te zullen komen wat door hun gemachtigde zal worden gedaan en hem daarvoor vrijwaren.

Idem (no 152 fol 39 dd 20-3-1552) Henrick zoon wijlen Henrick Goijaerts in Deckerschot als man van Agnese van Amersoijen en Arien zoon Jans van Luijteren als man van Catharina wettige kinderen van wijlen meester Everden van Amersoijen verwekt bij Catharina dochter van wijlen Jans die Gruijter hebben hierbij machtiging geven aan Everden van Amersoijen om

namens hen voor schepenen van Den Bosch aan Lenaerden van Haestrijck aldaar een huis, tuin etc. over te dragen en te verkopen in St. Oedenrode, gelegen naast het kerkhof van St. Oedenrode, de Borchgraaf, de St. Oedenstraat, waarin wijlen heer Goijaert van Schijnveld is gestorven en welk huis men in leen heeft van de hertog van Brabant.

 
van Amerzoyen, Evert Jans (I6930)
 
126

Als rechtstreekse afstameling van het huis Horne vocht hij het legaat aan waarbij Jan van Horne het graafschap Horne toewees aan aan zijn stiefzoon Filips van Montmorency.

Hij was kamerheer van Filips van Oostenrijk, vervolgens van keizer Karel V en werd in 1515 ridder in de Orde van het Gulden Vlies.

 
van Horne, Maximiliaan (I6668)
 
127

Amalia van Nieuwenaar-Alpen (1540 - 10 april 1602) was de dochter van Gumprecht II van Nieuwenaar-Alpen en Cordula van Holstein-Schauenburg.

Haar eerste echtgenoot was Hendrik van Brederode, die een belangrijke rol speelde in de Nederlandse Opstand. Na diens dood in 1568 trouwde zij in 1569 met Frederik III van de Palts.

Van 1579 tot 1587 was zij vrouwe van de heerlijkheid Vianen, een titel die zij erfde van haar eerste echtgenoot. In 1589 erfde zij het graafschap Limburg (Lenne) van haar halfbroer Adolf van Nieuwenaar. In 1590 kreeg zij de rechten over Alpen, Helpenstein, Lennep en de erfvoogdij over Keulen van haar halfzuster Magdalena. Alpen werd in 1597 bezet door Staatse troepen en het jaar daarop door de Spanjaarden.

 
van Nieuwenaar-Alpen, Amalia (I501481)
 
128

Arsinoë I (305/295 v.Chr. - ?) was de koningin van Egypte tussen 284 v.Chr. tot 274 v.Chr., en ze was de eerste vrouw van Ptolemaeus II Philadelphus.
Arsinoë I was de dochter van Lysimachus, koning van Thracië. Ze trouwde Ptolemaeus II in 284 v.Chr. en schonk hem drie kinderen, waaronder de erfgenaam Ptolemaeus III. In 274 v.Chr. werd ze wegens samenzwering tegen haar man veroordeeld en naar Coptos verbannen. Ptolemaeus II hertrouwde, nu met zijn eigen zus Arsinoë II
Het echtpaar is ??-??-274 BC gescheiden

 
van Thracië, Koningin van Egypte Arsinoë I (I3643)
 
129

buitenechtelijke dochter van Robert de Duivel, hertog van Normandië; wie haar moeder was is onzeker. Zij was een halfzuster van Willem de Veroveraar en suo jure (op eigen titel) gravin van Aumale. Haar eerste huwelijk met Engelram II van Ponthieu, heer van Aumale, bezorgde haar halfbroer hertog Willem van Normandië, de latere Willem de Veroveraar, een belangrijke bondgenoot in Normandië. Maar toen bij het Concilie van Reims in 1049 het huwelijk van Willem de Veroveraar met Mathilde van Vlaanderen werd verboden wegens bloedverwantschap, werd ook het huwelijk van Adelheid met Engelram van Ponthieu geannuleerd. Voor haar werd een ander huwelijk gearrangeerd met Lambertus, graaf van Lens en van Boulogne, waardoor er een nieuwe huwelijksalliantie ontstond tussen Normandië en Boulogne.[1]

Lambertus van Lens sneuvelde in 1054 bij Lille, toen hij graaf Boudewijn V van Vlaanderen bijstond in zijn strijd tegen keizer Hendrik III.[2] Als weduwe verbleef Adelheid in Aumale, een stad aan de rivier de Bresle in noord-oost Normandië. Willem de Veroveraar verhief haar tot gravin van Aumale, maar het is niet bekend wanneer dit gebeurde. Adelheid voerde als eerste de graventitel van Aumale, haar zoon Stephen was de tweede die de titel zou voeren. Als adellijke weduwe leefde Adelheid een teruggetrokken bestaan; ze was betrokken bij de kerk van Auchy, die zij bedacht met giften. In 1060 werd ze weer uitgehuwelijkt met de jongere graaf Odo II van Champagne, die echter van Willem de Veroveraar geen land of titels in Engeland kreeg toebedeeld. De landerijen rond Aumale bleven op naam van Adelheid staan.[1]

In 1086 staat Adelheid als de Comitissa de Albatnarla vermeld in het Domesday Book; zij wordt genoemd als de eigenaar van verschillende landerijen in Suffolk en Essex. Zij is in die tijd een van de weinige Normandische edelvrouwen die zelf grond bezaten in Engeland. Zij had ook het leen Holderness; na haar dood ging dit over op haar man die inmiddels zijn titel graaf van Champagne was kwijtgeraakt, en vervolgens op hun zoon. Adelheid stierf voor 1090.

 
van Normandië, Adelheid (I6730)
 
130

Childerik verkreeg het leiderschap bij de dood van zijn vader, Merovech, omstreeks 458. Hij had zijn machtsbasis rondom de stad Doornik en beheerste mogelijk de Romeinse provincie Belgica.

De geschiedschrijver Gregorius van Tours vermeldt dat Childerik op een zeker moment door zijn volk zou zijn verstoten omdat hij zich zo vaak vergreep aan vrije en adellijke vrouwen dat dit niet meer aanvaard werd. Daarom zou hij 8 jaar in ballingschap in Thüringen hebben geleefd, voordat hij kon terugkeren en het koningschap opnieuw kon opnemen. Het is echter niet duidelijk of dit meer is dan een legende. Dit roept de vraag op of Childerik een echte koning (rex) van de Franken was, of slechts een verkozen legeraanvoerder. Volgens deze geschiedenis zou hij daar de koningin van de Thüringers, Basina, hebben verleid en als zijn echtgenote mee naar huis hebben genomen.

Childerik vocht enkele malen aan de zijde van de Romeinen, onder meer met Aegidius tegen de Visigoten bij Orléans in 463 en met comes Paulus tegen de Saksen in de slag bij Angers in 469. Deze Saksen hadden zich aan de monding van de Loire gevestigd. De leider van deze Saksen heette Adovacrius. Volgens de overlevering sloot hij later een verdrag met Odoaker, de militaire leider van Italië, die in 476 de laatste Romeinse keizer met pensioen zou sturen, tegen de Alemannen die Italië waren binnengevallen. Odoaker en Adocacrius waren duidelijk twee verschillende personen.

Er zijn aanwijzingen dat het Gallo-Romeinse Rijk van Syagrius er voor verantwoordelijk was dat de macht van Childerik geleidelijk afbrokkelde en wel zodanig dat deze bij zijn dood weinig meer bezat dan het gebied rond en ten noorden van Doornik.

Childerik had vier kinderen, zijn zoon, de legendarische Chlodovech en zijn dochters Lantechilde, Audofleda (gehuwd met Theodorik de Grote) en Abboflede.

Childerik stierf op 26 november 481 en werd opgevolgd door zijn zoon Chlodovech.

Zijn graf werd op 27 mei 1653 intact gevonden op dertig meter van de Sint-Brixiuskerk te Doornik.[1] De doofstomme steenhouwer Adrien Quinquin, bezig met de funderingen van een nieuw armenhuis, was op een goudschat gebotst en had met zijn kreten de hele buurt doen toelopen.[2] Het zou later beloningen vergen om de verdonkeremaande schatten te doen restitueren.

Het gevonden graf is het enige uit de tijd van de Grote Volksverhuizing dat met zekerheid aan een historisch persoon is toegeschreven en gedateerd.[3] Het bevatte 21 paardenoffers, een complete wapenrusting (zwaard, messen, werpbijl, lans, schild), een muntschat, talrijke juwelen en een gouden stierenkop. De paardenoffers suggereren dat hij niet christelijk begraven was, maar dit staat niet zonder meer vast. Er zijn andere graven gevonden van krijgers uit de Late Oudheid die met hun rijdieren werden begraven maar absoluut christelijk waren (Rædwald van East Anglia is een bekend voorbeeld).

De fibula en zegelring van Childerik waren typisch voor Romeinse dignitarissen. Ook de meer dan honderd gouden munten, geslagen door keizer Zeno van Byzantium, wijzen erop dat hij beschouwd werd als foedus met verantwoordelijkheid over de provincie Belgica Secunda. Zijn wapens waren dan weer typisch Frankisch: een lang zwaard, een kleine scramasax en een lans.

De vondst gaf aanleiding tot wat beschouwd wordt als het eerste wetenschappelijke verslag van een archeologische opgraving.[4] In opdracht van Leopold Willem van Oostenrijk kreeg historicus-lijfarts Jean-Jacques Chifflet toegang tot de vondsten. Hij beschreef ze nauwkeurig en liet er kopergravures van maken.[5] Later werden ze onderzocht door abbé Cochet.[6]

Na Leopolds dood kwamen de Childerikschat in Wenen terecht. De Habsburgers schonken haar in 1665 aan koning Lodewijk XIV van Frankrijk.[7] Die was volgens de overlevering maar matig onder de indruk en bracht ze onder in de koninklijke bibliotheek. In de nacht van 5 op 6 november 1831 werd bij een inbraak in de bibliotheek 80 kg buit ontvreemd, waaronder grote delen van de schat van Childerik. Op enkele stukken na bleken alle juwelen te zijn omgesmolten toen de bende werd opgepakt.

De gouden bijen die op de mantel van Childerik waren gestikt, inspireerden Napoleon bij de symboliek van zijn keizerrijk. Ze vervingen de gehate Fleur-de-lys van de Bourbons.

Bij nieuwe opgravingen in de jaren 80 bleek dat het graf zich bevond in een eigentijdse necropool. De grafheuvel van Childerik was ruim twintig meter in doorsnede.

Het bewaarde deel van de grafgiften, waaronder Childeriks zegelring, bevindt zich in de schatkamer van de Franse munt. In Wenen bevinden zich replica's die vóór de schenking van de schat gemaakt waren. Ze zijn op hun beurt gekopieerd voor het Römisch-Germanisches Zentralmuseum in Mainz.

 
Merowinger, (von Tournai) von Franken, Childerich (Childerik) I (I803)
 
131

Clement Woutersz Verduyn, coopman, maakt een testament op 24-10-1623 te Rotterdam. Hij benoemt tot zijn erfgenamen:
- zijn ouders Wouter Henricxz en Lijntgen Eewoutsdr Charloys;
- met een legaat aan Hillegont Symonsdr, vrouw van Willem Doens, hoedenkramer, wonende in de Lastdrager Hooftstraet;
- uitgesloten uit zijn nalatenschap wordt zijn halfzuster Maritgen Woutersdr.
Tevens legaten aan het: Weeshuis, en de huysarmen.

 
Verduijn, Clement Wouters (I6947)
 
132

Cornelis volgde in 1575 zijn broederszoon Cornelis Antheunisz op in de leengoederen, te weten de dijk langs de molen of de kruisdijk te Poortugaal.
Bij de dood van Cornelis Cornelis Doensz. voor of in 1591 erft Dirk Gerritsz. (bode te Poortugaal) de leengoederen van zijn oom. Bij diens over­lijden in 1608 gaan de goederen naar zijn zoon Jan Dirksz.
Dirk Gerrritsz voert later als achternaam "van der Starre".

 
van Driel, Cornelis Cornelisz (I7074)
 
133

Cornelis Wouters Verduyn, oud-schepen van Chairlois, nu heemraet van Karremelxlant, 49 jaar, wordt vermeld op 6-11-1646 in Rotterdam.

 
Verduijn, Cornelis Woutersz (I1103)
 
134

Cornelis Woutersz Verduyn en zijn vrouw Geertruyt Gerritsdr maken een testament op 30-5-1630 in Rotterdam. Zij herroepen de huwelijkse voorwaarden gesloten op 20-7-1629. Zij benoemen elkaar nu opnieuw wederzijds tot erfgenaam. Zij vermaakt haar klederen van linnen en wollen, en juwelen van goud en zilver aan haar jongste zuster Neeltge Gerritsdr.
Indien hij na haar overlijden ongehuwd blijft, vermaakt hij aan de kinderen een bedrag van 6.000 gulden. Als hij hertrouwt een bedrag van 7.000 gulden.
Als Cornelis Woutersz de langstlevende is zal hij aan de erfgenamen van zijn vrouw 6.000 gulden uitkeren.
Als Geertruyt de langstlevende is zal zij aan de erfgenamen van haar man 10.000 gulden uitkeren.
Behalve dat zij elkaar tot mede voogden benoemen, worden tot mede voogden benoemd Euwout en Willem Woutersz, zijn broers, en haar vader.

 
Cranendonck, Geertruyt Gerrits (I6939)
 
135

De Doopacte van Jan Davids (van Diepen) is niet achterhaald. We komen hem voor het eerst tegen op 14-4-1743. Hij betaalt drie gulden impost bij het overlijden van ene Marijtje Willem in Wognum. Jan woont op het Keern. Tot 1748 woont hij, blijkens doopinschrijvingen van zijn twee kinderen,'ex zwaaghdijk'; waarmee 't Keern bedoeld zal zijn. Op 14-1-1745 verkoopt zijn broer David Davids in De Goorn hem een huis . En nog woont Jan op Zwaagdijk. Op 20-11-1753 koopt hij van Reinier van Stokkum,'Rooms priester op De Goorn' een huis en erf naast de kerk in De Goorn. Er wordt geen achternaam gebezigd. Op 15-8-1177 komen wij hem weer tegen; nu in de acten van de Hoornse notaris Van Beek. Dit na en vanwege het overlijden van zijn vrouw: er vindt een boedelscheiding plaats. Hij heeft twee huizen met erf) een in halve eigendom met Jacob Pietersz.Ligthart) beide in De Goorn(Rijpzevendeel) met een achttal percelen grasland waarvan enkele in Zuid-Spierdijk(Overdropzevendeel). De stukken grond hebben namen als Ruygenweid,Zoutackers, 't Lageland enz.en zijn in totaal ongeveer 17 ha groot( 9 morgen en 7000 Roedes). Opmerkelijk is dat de ca. 55 jarige Jan Davids van Diepen deze acte niet anders dan met een kruis kan ondertekenen.
Gehuwd  op 16-08-1744 te Gerecht Abbekerk met De BOER, Neel Ariën , overleden 1772 te de Goorn.

 
van Diepen, Jan Davidsz (I2914)
 
136

De heilige Ida van Nijvel (ca. 592 - Nijvel, 8 mei 652), ook Itta of Iduberga genoemd, was de echtgenote van de zalige Pepijn van Landen (huwelijk 614) en de moeder van de heiligen Gertrudis van NijvelBegga en Bavo(Allowin van Haspengouw). Een andere zoon Grimoald werd net als zijn vader hofmeier van Austrasië. Ida was vermoedelijk dochter van heilige Arnoald. Ida stichtte kloosters in Nijvel (650) en in Fosses-la-Ville, na het overlijden van haar man. Zij wordt aangeroepen tegen de huidziekte erysipelas en tegen tandpijn. Haar feestdag is op 8 mei.

 
van Nijvel (Iduberga), ida (Itta) (I501572)
 
137

De oudste  leden van het geslacht Van Driel  komen in Zuid-Holland voor, o.a. in de Zwijndrechtse Waard. In de loop van de vijftiende eeuw treffen wij  leden van het geslacht Van Driel  in Dordrecht, waar zij behoorden tot de gegoede burgerij van die stad. Een andere groep van deze familie had zich al gevestigd in de bedijkte polder Riederwaard, bij het dorp Ridderkerk. Leden van deze familiegroepen leefden in grote welstand en vervulden functies in het stadsbestuur van Dordrecht en in diverse dorps- en polderbesturen van de Zwijndrechtse Waard en Riederwaard.
Wij onderscheiden vier takken:

Genealogie van Driel I
Met als stamvader Rutgher van Driel.
Geboren circa 1228 te Vlaardingen. Overleden circa 1259 te Pernis.
In dit geslacht bevindt zich de beroemde Doen Beijensz.

Genealogie van Driel II
Met als stamvader Jan van Driel.
Geboren ca. 1290 te Ridderkerk, overleden circa 1385 te Zwijndrecht.

Genealogie van Driel III
Vervolg van Genealogie II, met vanaf nr. 4, Jan Jansz van Driel.
Geboren ca. 1390, overleden na 1447. Zoon van Jan Jansz van Driel ‘de Jonge’  (nr. 3) en Adriana Jans.

Genealogie van Driel IV
Vervolg van Genealogie II, met vanaf nr 8, Claes Hendrickx van Driel.
Geboren 1510, overleden 1565. Schepen van Strijen. Zoon van Lijsbeth Pietersdr van Driel (nr. 7) en Pieter Dirksz (van den Hordijk).

 
van Driel, Rutgher (I501079)
 
138

De zalige Bernard (Burcht Lipperode, ca 1140 - Mežotne, 30 april 1224) werd in 1167 als Bernhard II heer van Lippe. Graaf Bernhard stichtte de steden Lippstadt en Lemgo en, samen met Widukind van Rheda en andere edelen, de cisterciënzerabdij van Marienfelde nabij Harsewinkel (Westfalen).

In 1196 trad Bernard zelf in in deze abdij en in 1211 werd hij abt in Dünamünde in Koerland (thans Jūrmala in Letland. In 1218 ten slotte werd hij bisschop van Semgallen (thans in Letland gelegen). Het was zijn zoon Otto van Lippe die hem tot bisschop wijdt. Zelf wijdt Bernard zijn zoon Gebhard II in 1219 tot bisschop van Bremen-Hamburg.

Zijn feestdag is op 30 april.

 
zur Lippe, Bernhard II (I6463)
 
139

Dirk I of Thidericus Fresonie was een Friese graaf die het bewind voerde over een aantal grafelijke gebieden in de kuststreek van het latere graafschap Holland. Het gezag over Kennemerland en Rijnland erfde hij van Gerolf. Wegens zijn steun aan koning Karel de Eenvoudige tijdens een opstand kreeg Dirk I de kerk van Egmond met alle daarbij behorende goederen. Egmond en haar bezittingen lagen ten noorden van de gebieden die hij van Gerolf had geërfd en dat kwam hem dus uitstekend uit. Kort hierna stichtte hij te Egmond een klooster voor nonnen. Dit was het begin van de tegenwoordige  Abdij van Egmond. Dirk was getrouwd met Gerberga van Hamaland (Geva). Dirk en Gerberga (Geva) zijn beiden in de abdij van Egmond begraven.

 
van Holland, graaf Dirk I (I382)
 
140

Dirk II (of Diederik II) was een Friese graaf die het feitelijke bewind voerde over drie graafschappen die tezamen het gehele kustgebied tussen de Oosterschelde en het Vlie opvulden, zijnde de gouwen: Masaland(Maasland), Kinhem (Kennemerland) en Texla(Texel). Op 15 juni 950 schonken Dirk II en zijn vrouw Hildegard aan Egmond ter ere van de bijzetting van Sint Adelbert een stenen kloosterkerk. Ook schonken zij het Evangeliarium van Egmond, thans een van Nederlands belangrijkste cultuurhistorische voorwerpen uit de vroege middeleeuwen. Het negende-eeuwse handschrift werd circa 975 door hem verworven en bevat de tekst van de vier evangeliën. Dirk en Hildegard zijn afgebeeld op twee miniaturen, die Dirk voor de gelegenheid aan het boek liet toevoegen. Op 25 augustus 985 kreeg Dirk zijn drie lenen van koning Otto III in vrije eigendom. Dirk en zijn vrouw zijn in de abdij van Egmond begraven.  

 
van Holland, Dirk II (I380)
 
141

Dirk VII volgde zijn vader op nadat die in 1190 was overleden tijdens de Derde Kruistocht. In 1186 huwde hij te Loosduinen Aleid van Kleef, de dochter van graaf Diederik IV van Kleef. Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren, allen dochters, Ada, Aleidis en Petronilla. Omdat Dirk geen zonen had, maakte hij Holland erfelijk voor vrouwen. Nadat zijn jongere broer Willem, die zijn vader had begeleid tijdens de derde kruistocht, in september 1191 was teruggekeerd, ontstond er al vrij vlug onenigheid tussen de nieuwe graaf en zijn broer. Willem zocht daarom steun bij de opstandige Friezen. Omdat Dirk op dat moment niet weg kon uit Zeeland stuurde hij zijn vrouw Aleida met een leger naar West-Friesland. In november 1195 kwam het tot een treffen tussen Aleida en haar zwager Willem. Aleida wist het treffen naar haar hand te zetten door de leiders van Oude Niedorp en Winkel om te

kopen. Uiteindelijk werd de ruzie tussen beide broers bijgelegd, en kreeg Willem het bestuur over het graafschap Midden-Friesland.  Otto van Gelre riep in 1202 de hulp van Dirk VII omdat hij in conflict met de hertog van Brabant was geraakt. Dirk trok met zijn leger naar Brabant, waar hij het net gestichte 's-Hertogenbosch op 7 september 1202 verwoestte. Op de terugweg raakte hij bij Heusden slaags met het sterke leger van de hertog van Brabant. Dirk werd gevangengenomen en pas na betaling van een hoog losgeld en het aanvaarden van zeer ongunstige voorwaarden werd hij weer vrijgelaten. Niet alleen over het deel van zijn gebied ten zuiden van het Hollands Diep, maar ook over Zuid-Holland moest hij de Brabantse hertog als leenheer erkennen. Voor het overige deel van Holland werd de nieuwe bisschop van Utrecht de leenheer. Hierdoor verloor Holland zijn overwicht in de noordelijke Nederlanden. Dirk stierf een jaar later en werd opgevolgd door zijn, op dat moment enige nog in leven zijnde, dochter Ada van Holland.

 
van Holland, Graaf v Holland Dirk VII (I404)
 
142

Eeuwout Wouterse Verduijn was schepen van ’s-Gravenambacht, heemraad van het land van Pernis, gewezen schepen van het Oude Land van Pernis en schout van Pernis.

 
Verduijn, Ewout Woutersz (I6946)
 
143

Er is enige onzekerheid over zijn geboortedatum. Sommige historici suggereren dat hij geboren zou zijn in 1030, zodat hij 19 was in plaats van 14 toen William hem bisschop maakte van Bayeux in het jaar 1049.

Hoewel Odo geestelijke was, is hij vooral bekend geworden als krijger en staatsman. Hij ronselde schepen voor de invasie van Engeland en was aanwezig bij de Slag bij Hastings. Omdat hij een geestelijke was, mocht hij geen bloed vergieten en daarom vocht hij dus met een soort van knots die je ook op de gegeven afbeelding kan zien. Hij heeft dus geen bloed vergoten. Wel heeft hij enkele vijanden een paar gebroken armen, benen of ribben opgeleverd.

In 1067 werd Odo graaf van Kent. Bij sommige gelegenheden, wanneer Willem afwezig was, diende hij als de facto regent van Engeland, en soms leidde hij de koninklijke troepen tegen opstanden. Gedurende deze tijd verwierf Odo uitgestrekte landerijen in Engeland, hij bezat land in 23 districten, vooral in het zuidoosten en in East Anglia.

In 1076 werd hij drie dagen lang berecht op Penenden Heath in Kent voor het benadelen van de kroon en het bisdom van Canterbury. Aan het einde van het proces werd hij gedwongen om een aantal bezittingen terug te geven en zijn vermogen werd opnieuw verdeeld.

In 1082 viel hij in ongenade en werd opgesloten voor het plannen van een militaire expeditie naar Italië. Zijn motivaties zijn niet zeker. Kroniekschrijvers van een generatie later zeiden dat Odo wenste om zelf paus te worden, maar de hedendaagse bewijs is tweeledig. Ongeacht de reden bracht Odo de daar op volgende vijf jaar door in de gevangenis en zijn Engelse landgoederen werden teruggenomen door de koning, net als zijn ambt als graaf van Kent: Odo was echter niet afgezet als bisschop van Bayeux.

William liet zich op zijn sterfbed in 1087 schoorvoetend overtuigen door zijn halfbroer Robert, graaf van Mortain, om Odo vrij te laten. Na de dood van de koning keerde Odo terug naar zijn graafschap en organiseerde in korte tijd een opstand met de steun van de zoon van William Robert Curthose. De opstand van 1088 mislukte en William Rufus stond Odo, tot ergernis van zijn medestanders, toe om het Koninkrijk te verlaten. Daarna bleef Odo in dienst van hertog Robert in Normandië.

Hij nam deel aan de Eerste Kruistocht en startte in de onderneming naar Palestinië van de hertog, maar stierf onderweg in Palermo in januari of februari 1097.

 
van Bayeux, Odo (I6753)
 
144

erfgenaam van de goederen van zijn vader in Normandië en Cornwall. Probeerde na de dood van zijn oom Odo tevergeefs om earl van Kent te worden. Hij stichtte onder dwang van de koning een klooster te Montacute. Hij koos daarna de kant van Robert Curthose in diens strijd tegen Hendrik I van Engeland maar werd uiteindelijk gedwongen om zijn titels en bezittingen op te geven en werd een monnik in de abdij van Bermondsey, waar hij overleed.

 
van Mortaigne, William (I6751)
 
145

Filips bekleedde tal van hoge functies aan het hof van Karel de Stoute, en aan dat van Maximiliaan I en Maria van Bourgondië. Hij speelde op die manier een belangrijke politieke rol in de Nederlanden. Er is een inventaris van zijn heerlijke rechten bekend, waarin ook de grenzen van de heerlijkheid Heeze, Leende en Zesgehuchten nauwkeurig omschreven zijn. Hij sneuvelde in 1488 te Kortrijk, toen er troebelen waren waarbij Gent en Brugge de Vlaamse opstand tegen Maximiliaan aanvoerden. Daarbij werd Maximiliaan door de Bruggelingen gevangengenomen en later vrijgelaten, maar negen van zijn edelen werden onthoofd.

Filips had omstreeks 1440 een buitenechtelijke verbintenis, waaruit een kind, Jeanne, werd geboren. In 1450 trouwde hij met Johanna van Lannoy. Hun kinderen waren:

Arnold van Horne (1460)

Jan van Horne (1460-1521)

Daarnaast zijn nog twee zonen met Johanna van Lannoy bekend, alsook vijf bastaardzoons.

In 1473 trouwde hij met zijn nicht Margaretha van Horne, die leefde van 1461-1518. Dit huwelijk bleef kinderloos.

 
van Horne, Filips (I6662)
 
146

Floris V was de zoon van graaf Willem II, die tevens rooms-koning was. Via zijn bet-overgrootmoeder Ada van Schotland was hij verwant met het Schotse koningshuis. Bij zijn politieke optreden probeerde hij gebruik te maken van deze connectie.

Op tweejarige leeftijd werd hij graaf van Holland en Zeeland. Zijn vader was een half jaar daarvoor gedood door de West-Friezen. Zijn oom, Floris de Voogd, nam voogdij over hem op zich. Zijn tante Aleida van Henegouwen nam kort daarna voogdij over na de dood van Floris de Voogd (maart 1258). Zijn ridderlijke opvoeding kreeg hij tussen 1261 en 1266 waarschijnlijk van Albert van Voorne, de burggraaf van Zeeland. Op Voorne kwam Floris in contact met Jacob van Maerlant, die er in dezelfde periode verbleef.[3] Op twaalfjarige leeftijd, in 1266, werd de jonge Floris officieel meerderjarig verklaard, en op 14-jarige leeftijd trad hij in het huwelijk met Beatrix van Vlaanderen, de dochter van Gwijde van Dampierre.

Floris had grote ambities en streefde er voortdurend naar zijn macht te vergroten. Zijn eerste wapenfeit was het neerslaan van de Opstand der Kennemers. Vervolgens wilde hij wraak nemen op de Friezen omdat zijn vader tijdens een veldtocht tegen de Friezen door hen was gedood. Toen hij in 1282 de Friezen in West-Friesland had verslagen, liet hij zich 'Heer van Friesland' noemen. Zijn pogingen ook het andere gedeelte van Friesland (gebieden in de huidige provincie Friesland) in te nemen liepen echter op niets uit. Een eerste invasie mislukte door het slechte weer en aan zijn tweede veldtocht hield hij uiteindelijk alleen een bruggenhoofd in Friesland over.

Na de dood van koning Alexander III van Schotland in 1286 wierp Floris zich op als Schots troonpretendent. De (over)grootmoeder van Floris was Ada van Schotland, dochter van de voortijdig overleden kroonprins Hendrik van Schotland. Floris was echter niet de enige. In totaal waren er dertien pretendenten. Ondanks zijn zwakke familieband met Alexander III ging Floris toch naar de vergadering, in Norham op de 10e van de bloeimaand (mei). Hij werd als eerste in de gelegenheid gesteld om zijn recht op de troon te verdedigen. Koning Eduard I van Engeland bleek daarbij geen bondgenoot, maar een rivaal te zijn, die erin slaagde, weliswaar gedeeltelijk en tijdelijk, om Schotland onder Engelse invloed te brengen.

Een andere manier om zijn ambities gestalte te geven blijkt uit zijn streven om Zeeland bewesten Schelde bij zijn grondgebied in te lijven. Dit doel probeerde hij op verschillende manieren te bereiken. Eerst trachtte hij dit met steun van koning Eduard I van Engeland, later met de hulp van de Fransen. Uiteindelijk wist hij het aanzien van Holland enorm te vergroten. Een groot deel van de huidige buitengrenzen van Noord- en Zuid-Holland samen is toen vastgesteld.

 Het ging fout toen Floris zijn Engelse bondgenoot Eduard I in 1296 wegens een conflict over de wolhandel aan de kant zette ten gunste van de Franse bondgenoot Filips IV. Het verhaal gaat dat de Engelse koning enkele ontevreden edelen zou hebben gevraagd hem gevangen te nemen. Tijdens een valkenjacht - volgens sommige geschiedschrijvers bij de Egelshoek[4]- werd Floris gevangengenomen door Gijsbrecht van Amstel, Herman VI van Woerden, Willem van Zaanden, Arent van Benschop, Gerard van Craayenhorst, Willem van Teylingen en Gerard van Velsen. Het nieuws van zijn gevangenneming lekte echter snel uit en onder het volk, waar Floris erg populair was, ontwikkelde zich het plan hem te bevrijden. Gijsbrecht van Amstel was vermoedelijk al op 23 juni uitgeweken naar Brabant en niet op het Muiderslot aanwezig geweest. Ook Herman van Woerden was waarschijnlijk op de fatale dag van de moord niet aanwezig en naar Brabant gevlucht.[6] Toen de edelen met hun gevangene op 27 juni 1296 het Muiderslot verlieten met Van Velsen en enkele schildknapen voorop als verkenners, kwamen ze bij Muiderberg een groep Gooilanders uit Naarden tegen die Floris in levende lijve kwamen opeisen. Hierop reed Gerard van Velsen terug, trok zijn zwaard en doodde graaf Floris. Floris was weerloos doordat in zijn mond een handschoen was gepropt, zijn handen en voeten vastgebonden en zijn vingers gekloofd of gespleten waren. Toen Van Velsen zijn zwaard trok, steigerde het paard van schrik, waardoor Floris door de eerste zwaardslag zijn beide handen verloor en zijdelings van het paard viel. Van Velsen liep op Floris toe en bleef op hem insteken, gevolgd door twee anderen. Vervolgens namen de ontvoerders de vlucht. Floris werd naar het buitenverblijf Florisberg te Muiderberg gebracht, waar hij bezweek aan de toegebrachte 22 steekwonden.

Gerard van Velsen werd later gepakt, gemarteld en ter dood gebracht. Gijsbrecht van Amstel (de vierde met die naam uit het bekende geslacht van de Heren van Amstel) en Herman van Woerden sleten de rest hun leven als ballingen en verloren al hun bezittingen.

Floris V werd vermoedelijk in de abdij van Rijnsburg begraven. In 1996 bewezen twee Leidse wetenschappers (fysisch antropoloog G. Maat en hoogleraar chemie E. Cordfunke) echter dat de in 1949 na hun ontdekking plechtig herbegraven skeletten in de Rijnsburgse abdij bijna 400 jaar ouder zijn. Op dit onderzoek is veel kritiek geweest. Het graf is 's nachts, stiekem, open gebroken. Tevens wordt het onderzoek in twijfel getrokken. Er is geen rekening gehouden met de effecten die de grond uit verschillende lagen heeft op de botten. Met dit effect heeft de oorspronkelijke onderzoeker B.K.S Dijkstra al rekening gehouden.

Ook is het het maar de vraag, wanneer er 1 familie, op de juiste plaats (voor het hoofdoorzaak en de Gravenkapel), op de juiste diepte en in de juiste volgorde begraven (in meerdere lagen, met de oudste onderop, de laatste bovenop) en met de juiste doodsoorzaak, leeftijd en verwondingen, precies op die plek begraven zou zijn, waar de grafelijke familie is begraven. Daarnaast zijn er geen bewijzen gevonden waar de familie anders begraven kan zijn.

Ook wordt er door de onderzoekers verwezen naar het lichaam dat onder de muur van de kloostergang werd gevonden. Maar dat lag in een veel diepere aardlaag en in een andere hoek ten opzichte van alle andere lichamen die zijn gevonden. Deze lagen allen binnen de grenzen en binnen de fundamenten van het gebouw en allen op de juiste diepte. Een foto van 'de schedel van graaf Floris V' werd in J.W.Verkaiks De moord op graaf Floris V (1996, p. 11) afgebeeld.

In de Grote of Sint-Laurenskerk in Alkmaar staat een kist met daarbij een plaquette uit de 17e eeuw waarop staat dat de kist de ingewanden bevat van Floris V en dat hij in deze kerk begraven is vóór het hoofdaltaar onder een "wittige steen". Floris V werd door de Naardingers dood aangetroffen, gebalsemd en per schip naar de oude kerk van Alkmaar gebracht, waar hij onder de zerk een tijdelijk graf kreeg. Zijn zoon, Jan I, bracht zijn stoffelijk overschot begin april 1297 na de Slag bij Vronen over naar de abdij van Rijnsburg. De oude kerk van Alkmaar werd in de 15e eeuw vervangen door de Grote Kerk, maar de tombe van Floris bleef bewaard. Het werkelijke graf van de graaf verdween toen de abdijkerk in Rijnsburg in 1574 werd verwoest.

    • 1272 - Hij geeft Gouda stadsrechten.
    • 1274 - Hij maakt een einde aan een opstand van de Kennemers en de boeren van Water- en Amstelland.
    • 1275 - Hij verleent een tolprivilege aan Amsterdam. Daarmee wordt de stad voor het eerst genoemd.
    • 1277 - Hij wordt op 11 januari in Den Bosch tot ridder geslagen. Hij probeert een verbond te sluiten met Vlaanderen.
    • 1278 - Hij maakt zich met geweld van de opstandige stad Utrecht meester.
    • 1279 - Jan van Nassau geeft hem het Nedersticht in pand.
    • 1280 - Hij laat het Muiderslot bouwen. Hij belegert in mei kasteel Vreeland, neemt Gijsbrecht van Amstel gevangen en brengt hem naar Zeeland over. Hij neemt Montfoort in, dat aan Herman van Woerden was verpand. Die vlucht naar het buitenland.
    • 1281 - Hij laat zijn dochter Margaretha met de Engelse troonopvolger Alfonso (gestorven 1284) verloven.
    • 1282 - Hij onderneemt opnieuw een tocht tegen de West-Friezen. Hij landt met een vloot in Wijdenes en onderwerpt hen. Hij vindt het stoffelijk overschot van zijn vader in Hoogwoud en begraaft hem in Middelburg.
    • 1283 - Hij steunt hertog Jan I van Brabant in diens strijd om het hertogdom Limburg.
    • 1285 - Hij verzoent zich met Gijsbrecht van Amstel, die vijf jaar gevangen is geweest. Hij laat zijn zoontje Jan met Elisabeth, de dochter van de Engelse koning verloven.
    • 1287-1288 - Na de Sint-Luciavloed weet hij West-Friesland te onderwerpen en laat hij Kasteel Radboud bouwen
  • ~
 
van Holland, Floris V (I412)
 
147

Frerik van Dalen en Hindrikje Rotgers zijn lidmaat te Zuidlaren op 22-5-1729. Frerik van Dalen wordt in het haardstedenregister te Zuidlaren in 1754 genoemd met een vol erf. Advocaat Gerrid Hinderick van der Woude als volmacht van mevrouw Timanna Henrina Vriesen weduwe dr. en schulte S. van Selbagh is op 25-11-1727 eiser tegen Frerick Roelofs van Dalen te Zuidlaren. De eiser wil betaling van 33 mud rogge wegens huur. De eiser wordt in het gelijk gesteld

 
van Dalen, Frerik Roelofs (I7132)
 
148

Gaius Julius Caesar Strabo (ca. 140 v. Chr. – Pisae, 85 v. Chr.) was een Romeins senatorproconsul in Asia, aanhanger van zijn zwager Gaius Marius en de vader van Julius Caesar, de latere dictator van Rome.
Caesar was getrouwd met Aurelia Cotta. Samen hadden zij twee dochters: Julia Caesaris minor en Iulia Caesaris maior en een zoon, Julius Caesar, geboren in 100 v.Chr. Hij was de broer van Sextus Julius Caesar, die consulwas in 91 v.Chr.
Het verloop van Caesars loopbaan, de zogeheten cursus honorum, is bekend. Afgaande op twee elogia die opgericht zijn in Rome lang na zijn dood, was Caesar een commissaris in de kolonie in Cercinakrijgstribuunquaestorpraetor en proconsul in Asia. Over de specifieke datering van zijn verschillende functies bestaat verschil van mening. Broughton dateerde het praetorschap in 92 v.Chr., met het quaestorschap vallend aan het begin van de jaren 90. Brennan heeft zijn praetorschap juist aan het begin van het decennium gedateerd.
Caesar stierf plotseling op een morgen in 85 v.Chr. te Rome, terwijl hij zijn schoenen aan het aandoen was. Een andere Caesar was op dezelfde manier gestorven in Pisa. Zijn vader had Caesar het grootste deel van zijn landgoed nagelaten, maar nadat de factie van Marius was verslagen in de burgeroorlog van de jaren 80 voor Christus, werd deze erfenis in beslag genomen door de dictator Sulla

 
Caesar Strabo, Gaius Julius (I3620)
 
149

Gaius Julius Caesar was de zoon van Gaius Julius Caesar en Aurelia Cotta. Terwijl zijn vader het niet verder bracht dan praetor, bekleedden Caesars oom Sextus Julius Caesar, zijn aangetrouwde oom Gaius Marius, zijn grootvader aan moederszijde Lucius Aurelius Cotta maior, oom aan moederszijde Lucius Aurelius Cotta minor en de vader van zijn grootmoeder MarciaQuintus Marcius Rex allen de functie van consul. Langs de kant van de Gens Julia voerde hij zijn afkomst terug op Julus, een zoon van Aeneas, en dientengevolge een kleinzoon van Venus. Via de tak van de gens Marcia van zijn grootmoeder Marcia, die het cognomen Rex droegen, kon hij zijn afkomst terugvoeren op Ancus Marcius, vierde legendarische koning van Rome en kleinzoon van de tweede legendarische koning van Rome, Numa Pompilius. Zijn oom Gaius Marius was een van de vooraanstaande mannen van zijn tijd en was een leidende figuur binnen de populares. Langs moederskant was hij verbonden met de tak van de Aurelii Cottae, die verscheidene consules leverden aan de Romeinse Republiek, én met de gens Claudia.
Op 15 maart van het jaar 44 v.Chr. werd de vergadering van de senaat gehouden in de curia van het Theater van Pompeius. De Curia Julia op het Forum was op dat moment buiten gebruik door een grote brand. Zodra Caesar binnenkwam, stonden alle senatoren op als teken van respect. Enkele mannen gingen achter de stoel van Caesar staan terwijl de rest naar hem toeliep. Cimber trok met beide handen de mantel van Caesars rug waarbij Caesar uitriep: "vanwaar dit geweld", waarna Casca zijn dolk trok en Caesar in de nek probeerde te steken. Caesar kon zich echter nog net omdraaien, zodat hij alleen een ondiepe snee opliep. Caesar stak Casca met zijn griffel waarbij hij de arm van Casca doorboorde. Geen van de senatoren en toeschouwers die dit zagen durfde iets te doen en allen deinsden geschrokken achteruit. Ze durfden niet weg te rennen en ook niet te proberen Caesar te helpen. Vervolgens trokken alle samenzweerders hun wapens en duwden ze Caesar heen en weer terwijl ze hem met hun messen en zwaarden steek- en snijwonden toebrachten. De moordenaars raapten hem op en duwden hem tegen het standbeeld van zijn oude vijand Pompeius. Ze probeerden hem zo vaak mogelijk te raken en liepen hierbij ook zelf verwondingen op. Uiteindelijk liep Caesar 23 dolksteken op.
Volgens sommige bronnen sprak Caesar zijn laatste woorden toen hij onder zijn aanvallers het gezicht van Marcus Junius Brutus zag, die hij min of meer als zijn zoon beschouwde. Hij riep in het Grieks "καὶσύ, τέκνον;" ("kai su, teknon?").[11] Dat kan vertaald worden met: "ook jij, mijn kind?". Deze uitspraak is ook bekend in latere, Latijnse versies: "Et tu, Brute?" ("Ook gij, Brutus?") of "tu quoque, fili mi?" ("ook jij, mijn zoon?"). Hierna trok Caesar zijn mantel over zijn hoofd en stortte op de grond. Dit lijkt echter een geromantiseerde voorstelling van de gebeurtenis te zijn, die in latere eeuwen is verzonnen. De 2e-eeuwse geschiedschrijvers Suetonius en Cassius Dio meldden expliciet dat Caesar stierf zonder een woord te zeggen.
Enkele dagen na de moord organiseerde men een uitvaartplechtigheid voor Caesar op het Forum Romanum.

 
Caesar, Keizer van Het Romeinse Rijk Gaius Julius IV (I3622)
 
150

Geboren op Marken op 25 juni 1878. Jaap Janssen woonde op de Wittewerf. Hij is overleden in het Beekman hospitaal in New York ten gevolge van pernicieuse leukemie en begraven op Cypress Hills Cemetery, Jamaica Avenue, Brooklyn, New York City (Vak 16, Rij 1, Nummer 294). Hij is drager van het Oorlogsherinneringskruis (baton met een ster) toegekend op 17 april 1945. Jaap Janssen was gehuwd met L. Janssen-Zeeman, Wittewerf 27. Hij was aanvankelijk schipper op een logger, later matroos bij de KNSM. Zijn naam staat op de gedenksteen van de KNSM in het Scheepvaarthuis te Amsterdam. Zijn naam staat ook in het Slachtofferregister van de Nederlandse Oorlogsgravenstichting.  Jaap Janssen overleed op 22 april 1945 in New York.

 
Janssen, Jaap (I6505)
 

      «Prev 1 2 3 4 5 6 7 ... 21» Next»