Notes


Matches 101 to 150 of 969

      «Prev 1 2 3 4 5 6 7 ... 20» Next»

 #   Notes   Linked to 
101

meester wielmaker (wagenmaker) te Rijnsburg in het Campeijnde. Woonde aldaar naast zijn schoonvader. Genoemd op de kohieren van de tiende penning vanaf 1553, overl in 1579.1 Hij huwde met Lijsbeth Willemsdr. van der Codde, zij assisteerde op 23 maart 1585 haar dochter Stijntge Quirijns bij haar ondertr. te Leiden, overl. na 17 mei 1586 2 , dochter van Willem Jansz., schoenmaker te Rijnsburg, en Maritge Jansdr. Lijsbeth Willems was blijkbaar aktief in de reformatie of te wel de ketterse leer en week vermoedelijk na 28 maart 1568 uit naar Emden in Duitsland. In het testament van 28 maart 1568 bepaalden Willem Jansz. (van der Codden) en Maritgen Jansdr. "om sonderlinge saecken ende redenen hemluijden daer toe bewegende" dat hun dochter Lijsbeth voor haar kindsgedeelte uit de erfenis zal genieten een levenslange lijftocht. Als Lijsbeth vóór haar man zou overlijden bleef die levenslang in het genot van de lijftocht. De eigendom van de goederen uit dit kindsgedeelte zal komen aan de kinderen van Lijsbeth. Het gedeelte van een gestorven kind valt toe aan de overige kinderen. Met andere woorden: Lijsbeth zal deze goederen niet in eigendom ontvangen, maar er met haar man levenslang het vruchtgebruik van genieten. Lijsbeth en Quierijn verklaarden dat zij met deze regeling akkoord gingen.3 Deze afwijkende bepaling in het testament wordt begrijpelijk als we mogen aannemen dat Lijsbeth de met vervolging bedreigde dochter was, die naar Emden is uitgeweken. De bezittingen van ballingen werden geconfisceerd. De "ketterjacht" werd in 1568 hevig. Op de dag na het opmaken van het testament gaf de Leidse vroedschap bevel dat alle ministers (predikanten), consistorialen (kerkeraadsleden), beeldbrekers en kerkrovers bij het gerecht moesten worden aangebracht. Door de getroffen beschikking bleven de aan Lijsbeth toegevallen erfgoederen uit handen van de justitie, als zij op de vlucht ging.
Quierijn Fransz. werd namens zijn vrouw tussen 1567 en 1573 driemaal voor de Raad van Beroerte gedagvaard en veroordeeld.4 Lijsbeth Willems was een tante van de gebroeders Van der Codde, de "stichters" van de Rijnsburger Collegianten.

 
Fransz, Quierijn (I1690)
 
102

meester wielmaker, schepen van Rijnsburg in 1586, 1588 en 1605 8 , eigenaar van 2 morgen, 2 hond en 1 roede weiland te Oegstgeest, werd op 15 december 1606 en 4 juli 1607 door de weeskamer te Leiden aangesteld tot medevoogd over de nagelaten weeskinderen van zijn zusters Stijntge en Volckgen. Hij was blijkens een verklaring uit 1624 toen 65 jaar oud 9 en woonde in 1623 in bij zijn zoon Quirijn Jansz.10 Hij ondertr. Leiden 30 maart 1577 met Marijtje Dircksdr., j.d. van Oegstgeest, overl. na 5 november 1599 dochter van Dirck Willem Egbertsz. (van Egmond) en Claertje Jeroensdr

 
Quierijnsz, Jan (I1688)
 
103

Na den vroegen dood van zijn vader, verhuisde hij met zijn moeder naar Leiden. Op 20 Sept. 1657 ontving hij ‘out omtrent 24 jaer’ venia aetatis van de Staten van Holland; hij wordt dan lakenreder genoemd. Later komt hij voor als koopman. In 1659 woonde hij te Leiden in de Breestraat, in 1682 te Amsterdam in de Kalverstraat

 
Velius, Dirk (I5381)
 
104

Nero (Antium, 15 december 37 - Rome, 9 juni 68) was keizer van Rome van 13 oktober 54 tot 9 juni 68. Zijn oorspronkelijke naam (vóór zijn adoptie door Claudius) was Lucius Domitius Ahenobarbus. Bij zijn adoptie veranderde zijn naam in: Nero Claudius Caesar Drusus Germanicus. Toen hij keizer werd, werd zijn officiële naam: Nero Claudius Caesar Augustus Germanicus en, vanaf 66, Imperator Nero Claudius Caesar Augustus Germanicus.

Nero was de zoon van Agrippina en via haar verwant aan Gaius Iulius Caesar Octavianus (Augustus). Hij beriep zich erop een bet-achterkleinzoon van hem te zijn.

In 50 wist Nero's moeder Agrippina te bewerkstelligen dat keizer Claudius de jonge Nero adopteerde. Ook werd de filosoof Seneca uit ballingschap teruggeroepen om als tutor van Nero te fungeren. In 53 werd hij getrouwd met de dochter van de keizer, Claudia Octavia. In oktober 54 werd Claudius door Agrippina vergiftigd en zijn zoon Britannicus vastgezet zodat Nero zonder enige concurrentie tot keizer kon worden uitgeroepen. Britannicus stierf aan tafel op 11 februari 55, vergiftigd door Nero. Volgens Tacitus werd Britannicus een drankje aangeboden dat veel te heet was. Britannicus had een proever en deze had van die hete drank geproefd. Het gif zat echter in het water dat bedoeld was om de drank af te koelen. Volgens Suetonius werd Britannicus eerst een drank met vergif toegediend, maar dit gaf Britannicus slechts een erge diarree. Daarop liet Nero zijn gifmengster in zijn eigen kamer het gif koken (om het sterker te maken) en liet het eerst testen op een bokje en vervolgens op een biggetje dat bij de eerste slok dood neerviel. Hierop liet Nero het gif aan Britannicus toedienen, waarop deze bij de eerste slok dood neerviel; Nero verklaarde aan zijn disgenoten dat Britannicus slechts een epilepsieaanval had. Het lijk werd daarop in de gutsende regen verbrand (aldus Suetonius). Zijn lijk werd onmiddellijk gecremeerd, zodat een moord niet te bewijzen was.

 
Drusus Germanicus, (Keizer Nero) Keizer van Het Romeinse Rijk Nero Claudius Caesar (I3662)
 
105

ook wel Maria van Henegouwen, was de hertogin van Blois en dochter van Gwijde van Avesnes, bisschop van Utrecht.
Ze trouwde in 1308 met Arnold van IJsselstein. Dankzij dit huwelijk kreeg haar man de goederen terug geschonken door bisschop Gwijde van Avesnes die hij eerder was kwijtgeraakt.

Maria van Avesnes ligt samen met haar man begraven in de Sint Nicolaaskerk te IJsselstein in de bijzondere graftombe van de heren van IJsselstein die door hun dochter Guyote van IJsselstein werd opgericht.[1] Samen kregen ze drie dochters

 
van Avesnes, Maria (I6226)
 
106

Plectrudis stamde uit een adellijk geslacht met bezittingen in de Eifel en rondom Keulen, een geslacht dat zeker zoveel aanzien genoot binnen het Frankische deelrijk Austrasië als dat der Arnulfingen/Pippiniden, waartoe haar echtgenoot behoorde. Dankzij haar steun aan het werk van Willibrord en haar optreden na de dood van haar man is over Plectrudis meer bekend dan ove de meeste vrouwelijke tijdgenoten.
Waarschijnlijk was Plectrudis van koninklijken bloede. In één tekst wordt namelijk een Plectrudis genoemd als zuster van
Adela, abdis en stichteres van het klooster te Pfalzel (gest. ca. 735), die verwant was aan het Merovingische koningshuis. Indien deze identificatie klopt, bracht Plectrudis dus niet alleen uitgebreide bezittingen in haar huwelijk in, maar ook koninklijk bloed.
Samen met haar man stichtte zij talrijke kerken en kloosters. De kerk
Heilige Maria in het Capitool in Keulen werd op haar initiatief gebouwd. Ze werd er ook begraven en heeft twee grafmonumenten.
Nadat haar man overleden was, werd zij regent over de Franken tot haar stiefzoon Karel Martel haar dwong af te treden in 717. Zij trok zich toen zij uit het paleis verdreven werd terug in een gemeenschap bij de door haar gestichte kerk Sankta Maria im Kapitol in Keulen, waar zij op een onbekende datum stierf.
Hoewel ze niet heilig verklaard is, heeft ze wel haar plekje op de heiligenkalender.
Haar feestdag is op 10 augustus

 
Carolingen, Plectrudis (I799)
 
107

Prins Berhard von Lippe-Biesterfeld, gemaal van Koningin Juliana was een nazaat uit dit geslacht

 
von Lippe, Margarete (I6452)
 
108

Ptolemaeus VI Philometor (+/- 191 - 145 v.Chr.) was koning van Egypte van 180 t/m 145 v.Chr..

Hij was een jaar of twaalf toen hij zijn vader Ptolemaeus V Epiphanes opvolgde en regeerde gezamenlijk met zijn moeder Cleopatra I tot zij stierf in 176 v.Chr.. Het jaar daarna trouwde hij met zijn zuster Cleopatra II.

In 170 v.Chr. begon Antiochus IV de zesde Syrische oorlog en viel tweemaal Egypte binnen. Hij werd zelfs als koning van Egypte gekroond maar de senaat van Rome dwong hem de titel weer op te geven. Daarna werd van 169-164 v.Chr. het land gezamenlijk geregeerd door Ptolemaeus VI, zijn zuster-eega Cleopatra en een jongere broer Ptolemaeus VIII. Ptolemaeus VI werd in 164 v.Chr. door zijn jongere broer van de troon gestoten en ging naar Rome waar hij de steun van Cato verwierf. Hij werd daardoor weer op de troon hersteld maar de Alexandrijnen kwamen in opstand tegen hem. Hij sloeg de rebellie wreed neer en wist daardoor de troon te behouden.

 
Philometor Ptolemea, Farao van Egypte Ptolemaeus VI (I3651)
 
109

Sigismund was een leerling van Avitus van Vienne, de Chalcedonischebisschop van Vienne die zich bekeerd van Sigismund van het Arische geloof van zijn voorvaderen Bourgondische. [1]Sigismund werd geïnspireerd om gevonden van een klooster gewijd aan Saint Maurice op de Agaune in Wallis in 515. [2]het volgende jaar werd hij koning van de Bourgondiërs. Sigismund's zoon tegen hem in 517, en beledigd zijn nieuwe vrouw, dus Sigismund had hem gewurgd. Vervolgens, overweldigd door wroeging, Sigismund trokken zich terug naar het klooster dat hij had opgericht.

In 523, Clotilde, dochter van Chilperik II van Bourgondië , die waren gedood door Sigismund's vader Gundobad in 493, nam wraak voor de moord op haar vader, toen ze haar zonen tegen Sigismund opgehitst, en leidde tot de Bourgondische oorlog, wat tot Sigismund van afzetting en gevangenisstraf, en hij vermoord werd het volgende jaar leidde. In 523, het Koninkrijk van de Bourgondiërs werd binnengevallen door de vier Frankische koningen, Chlodomer, Childebert I, Chlotarius ik en Theuderik ik, kinderen van de Frankische koning Clovis ik en Sigismund's tweede neven door Clothilde. Sigismund en zijn broer van Gundomar leidde de verdediging van de Bourgondische maar verloor de strijd. Gundomar vluchtte terwijl Sigismund een monk's gewoonte zetten en in een cel in de buurt van zijn abdij verborgen. Hij werd gevangengenomen door Chlodomer, koning van Aurelianum (moderne Orléans), genomen gevangene, onthoofd en zijn lichaam in een put gegooid. [3]Sigismund's vrouw en kinderen waren ook ter dood gebracht. [3]Sigismund werd opgevolgd door zijn broer van Gundomar. Gundomar vervolgens een rally van het Bourgondische leger en opgeroepen tot steun van zijn bondgenoot, de Ostrogothic koning Theodorik de grote. [4]Gundomar herwon zijn grondgebied. Echter, het garnizoen dat de Franken hadden achtergelaten werden afgeslacht.
Chlodomer ging op het offensief opnieuw maar werd gedood bij de
Slag van Vézeronce, die plaatsvond op 25 juni 524, naar verluidt door toedoen van Gundomar.

Verering

In 535, waren Sigismund's blijft het goed op Coulmiers verhaald en begraven in het klooster in Agaune. [3]uiteindelijk Sigismund werd heilig verklaard. Correspondentie heeft tussen Sigismund en Avitus, die een dichter en een van de laatste modellen van de klassieke kunsten was overleefd.
In 1366,
Karel IV, keizer van het Heilige Roomse Rijk, Sigismund's overblijfselen overgebracht naar Praag,[5]vandaar hij uitgegroeid tot een patroonheilige van het Koninkrijk Bohemen, nu Tsjechië.  

Herma van Saint Sigismund in Płock

De keizer gaf van de heilige naam aan een van zijn zoon, de latere koning Sigismund van Hongarije (die ook werd decennia later koning van Bohemen en keizer van het Heilige Roomse Rijk). Sigismund van Hongarije gebouwd in 1424, een kerk in de eer van Saint Sigismund in de Stad van Buda. [6]in 1424 koning Sigismund nam de reliques van Saint Sigismund van Praag en stuurde ze naar de Hongaarse stad van Varad, zodat ze kunnen worden beschermd tegen de Hussieten.

 
van de Bourgondiërs, Sigismund "de Heilige", Sigismund "de Heilige", (I4144)
 
110

Testament van Geertken Pieter Adriaensdr (14-8-1569). Zij lijftocht haar man en geeft hem het beheer over haar goederen en de voogdij over hun kinderen. ... dier tijt ten huyse van Johan Jans Berntsz. duer begheren en spreecken van Jan Jansz. voorn sijn huysvrou mit (?) enige cranckheyden beladen sijnde int openbaer voir die ghemene nabueren van Tienhoven ten huyse seynde ende so heeft Johan Jan Berntsz. verlaeten en kwijtgescholden Gheertgen Pieter Adriaensdr sijn echt huysvrouw van sijnder momberschap ende voogdije, die hij over haer hadde en stond voor ons gerecht voorn ende verk(?) dat Heilig Sacrament vrij ende los ende heeft selve Geertgen voorn mit haren vrijen wille, ende oeck haren gecoren voechts hant Jan Jansz. Buerman, die sij voor den gerechte begheerde.

 
Adriaensdr, Gheertgen Pieter (I3241)
 
111

Transport Jan Ariensz aan Jan Jansz in Tienhoven 1 morgen land onverscheyden met Aert Middag in een campken van 2 morgen op´t Hoogheynd van Middelcoop, boven voorn Jan Jansz en beneden den gemenelandskade van Middelcoop.

Jan Jansz Berents boedelhouder van de nagelaten goederen (zijn huisvrouw Marrichjen Cornelisdr is overleden) ter eenre Claes Jans Berents en Bernet Jansz voogden van vaderszijde, Adriaen Cornelisz van moederszijde van de nagelaten kinderen ter andere kinderen met name Jan, Cornelis, Geertken, Jan en Adriaen.

Jan Jansz Berents houdt de helft van 5 ackeren in de hofstede waar hij op woont in Tienhoven, 3 mrg 3 hont lants wesende de helfte van 7 mrg, eertijts gecomen van Adriaen Schalcken, mede in Tienhoven, westw. van de wederhelft, nu toekomende de kinderen van Dirck Petersen, nog 6 mrg vrijlants gelegen achter Tienhoven onder Ameijde, weleer gecomen van Lambert Petersen Roeck, alias smitken, nog 6 morgen 4 hont in´t Hoogeijnd van Middelkoop die vooralsnog gemeen sal blijven, een camp leegh lants daer Jan Berents aen de oostzijde bedeelt sal blijven, nog aen d´enen helft van 3 morgen lants gelegen in´t Hoogeijnd van Middelkoop in de hofstede van Thonis Heimansz genaampt de Ossecamp, te weten die oostzijde, bovendien nog gemeen de helft van 2 morgen in´t Hoogeijnd van Middelkoop gemeen met Aert Anthonisz Middagh, met oock noch 2 morgen 5 hont land gelegen in Tienhoven op den Hoogenweert.

Hiertegens krijgen de 5 kinderen d´andere helft van de 5 ackeren in Tienhoven achter de hofstede, 4 morgen 4 hont mede in Tienhoven ten westen van de voorz 5 ackeren wesende de helft van 9 morgen 2 hont van outs gemaapt de Cleijne Hofstede, nog 2 morgen lants ter Ameijde op de polder Aextervelt binnen die steege, wesende de helft van 4 morgen van outs genaampt die vernaeltinge, sulcx die gegrondcavelt sijn tegens die weduwe van Huijch Dircksz de Ridder, nog 4 morgen lants mede op ten voorsz polder binnen die steege, soe die gecocht sijn van Peter Buijense, timmerman en weleer gecomen van de wede van Henrick Andriesz en hare kinderen, nog de wederhelft van seecker campgen weijlant in´t Hoogeijnde van Middelkoop, bovendien nog de helft van 3 morgen daervan de wederhelft haer vader ten deel gevallen is in´t Hoogeijnde van Middelkoop in de hofstede van Tonis Hermansz gen´t de Ossecamp.

Jan Jansz Berents moet elk kind nog f 325,- uitreiken.

 
Berntz (van Tienhoven), Jan Jan (I3244)
 
112

Van november 1880 tot 1980 wordt de boerderij bewoond door de familie Hilbrands. Hun geslacht vindt zijn oorsprong in Wachtum.
In 1736 trouwt
Derk Hilbrands, geboren in 1710 in Wachtum, met Hillichje Hindriks.
Derk was  volle boer, meijer (=huurboer/pachtboer) van Klaas Tenholte

 
Hilbrands, Derk (I500406)
 
113

Velius werd geboren als Dirk Seylmaker, maar latiniseerde zijn naam later. Hij studeerde medicijnen en studeerde ook aan de universiteit van Padua. Hij speelde een belangrijke rol in het openbare leven van Hoorn. Zo werd hij in 1601 toegelaten tot het vroedschap van de stad. Ook schreef hij boeken, waarvan Chronijck van de Stadt van Hoorn (in 1604) het bekendst is. Velius is drie keer getrouwd geweest en kreeg acht kinderen.
Geboren te Hoorn op 10 januari 1572. Overleden te Hoorn op 23 april 1630.
Arts te Hoorn, geschiedschrijver en dichter. Had zitting in de vroedschap van Hoorn. Werd echter bekend door zijn Chronijck van Hoorn.
Hij was het tweede kind van het echtpaar Volckert Maertens Seylmacker en Anna Dircksdr. Oly. Beide ouders stamden uit aanzienlijke families in Medemblik. Deze Volckert Maertens was zeilmaker van beroep. Zijn familienaam Schagher veranderde hij in Seylmaecker. Zijn zoon Theodorus (Dirck) verlatijnste die naam later tot Velius, een toenmalige gewoonte van studenten en wetenschappers.
Op zijn zesde jaar ging hij in zijn woonplaats Hoorn naar de in 1575 aldaar opgerichte Latijnse School. In 1585 werd hij, 12 jaar oud, naar Leiden gestuurd om daar verder aan de Latijnse school te studeren, maar hij volgde tevens de openbare colleges aan de Leidse universiteit. Twee jaar later, op 29 april 1587 werd hij ingeschreven aan de Leidse Universiteit, waar hij aanvankelijk Letteren en Philosophie studeerde, maar later overstapte naar de studie in de medicijnen. Hij noemde zich toen al Velius. In 1593 reisde hij naar Italië, waar hij na een verblijf van een jaar aan de universiteit van Padua, op 10 september 1594, promoveerde tot doctor in de medicijnen. In oktober 1594 keerde Velius terug naar Hoorn. Hij was toen 22 jaar oud. Nog in datzelfde jaar werd hij aangesteld als stadsgeneesheer. Hij heeft die functie tot grote tevredenheid van het stadsbestuur en van de bevolking tot het eind van zijn leven uitgeoefend. Hij kwam daardoor letterlijk met alle groepen van de bevolking in aanraking. Daarnaast had hij contact met andere intellectuelen, dichters en wetenschappers, in Hoorn en daarbuiten. Vondel schreef een lofdicht op de voortreffelijke Velius.
Velius is drie keer getrouwd geweest en kreeg vijf kinderen. Er zijn alleen in de vrouwelijke lijn nog afstammelingen van Velius. Op 17 november 2007 ontving Rens Vriend uit Andijk, als jongste nazaat, in de Oosterkerk te Hoorn het eerste exemplaar van de hertaling van Velius.
Van 1601 tot 1618 werd hij tot raad oftewel lid van de vroedschap van de stad Hoorn gekozen. In dezelfde periode was hij ook weesmeester maar die functie bleef hij zijn verdere leven uitoefenen.
Hij woonde op het Achterom.

 
Velius, Theodorus (I2930)
 
114

Vermeld in 1300-1323 Als weduwe en maakt haar testament in 1300 en voogde er in 1305 een codicil aan toe, stichte in 1305 te Koudekerke een Kappelanis ter memorium van haar echtgenoot

 
van Coudekerke (van Brederode),, Alverade (I6831)
 
115

woonde Valkenburg 1657, doet belijdenis 30 juni 1658 te Oegstgeest, bouwman (veehouder) te Oegstgeest, schepen van 1668-1670, 1671, 1696- 1698, 1700-1702, Heilige Geestmeester 1688-1692, welgeboren man 1698-1699, weesmeester 1671-1673, 1690 van Oegstgeest, had één dienstmeid te Oestgeest 1691, Dit document is afkomstig van www.nagtegaal.org © H.K. Nagtegaal - Alle rechten voorbehouden 4 doopgetuige aldaar bij Grietje op 30 juni 1669 en Dirk op 30 november 1670, kinderen van zijn broer Quirijn Jansz. Vlasvelt en bij Trijntje op 1 januari 1679, dochter van zijn broer Jan Jansz. Vlasvelt. Hij huwde 1e Oegstgeest 23 juli 1657 met Grietje Arentsdr. van Ommedijck, overl. Oegstgeest 24 november 1661, dochter van Arent Willeboorts van Ommedijck en Barbara Pieters; zij was weduwe van Dirck Claesz. van Claveren. Hij huwde 2e Oegstgeest 15 juli 1663 met Ariaentje Ariensdr. van der Plas, ged. Zoetermeer 2 september 1629, overl. Oegstgeest 16 januari 1670, dochter van Arij Janse.. Hij huwde 3e Valkenburg 8 november 1671 met Bregje Jansdr. van Duycker, j.d. van Valkenburg, overl. Oegstgeest (gaarder 6 maart 1698), dochter van Jan Dircksz. Duijker en Maritgen Jacobs . Hij ondertr. 4e Leiden 27 februari 1699 met Grietje Leendertsdr., overl. Oegstgeest (gaarder 6 januari 1720) wed. van Jan Willemsz. van der Plas

 
Vlasveld, Dirk Jansz (I500831)
 
116

Zij is gedoopt op 04-04-1677 in Pernis. Machteltje is overleden na 17-05-1723, minstens 46 jaar oud. Machteltje trouwde, 30 jaar oud, op 02-12-1707 in Hoogvliet (Pernis) met Leendert PietersSchilperoort, 29 of 30 jaar oud. Leendert is geboren in 1677 in Rhoon. Kinderen van Machteltje en Leendert: 1 JannetjeLeendertsdr. Schilperoort, geboren in Hoogvliet. 2 Hendrikje Leenderts Schilperoort. Zij is gedoopt op 13-04-1721 in Hoogvliet. Hendrikje trouwde, 28 jaar oud, op 13-07-1749 in ?s-Gravenzande met Jacob Maertensz Rodenburg, 38 jaar oud, nadat zij op 14-05-1749 in ?s-Gravenzande in ondertrouw zijn gegaan. Jacob is een zoon van Maerten Jacobsz Rodenburg en Pleuntje Janse Lelijvelt (Lelivelt). Hij is gedoopt op 19-10-1710 in Benthuizen.

 
Prins, Magteltje Hendriksd (I675)
 
117

Maurits van Oranje (Dillenburg14 november 1567 – Den Haag23 april 1625), prins van Oranje en graaf van Nassau was stadhouder en legeraanvoerder van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Tot hij in 1618 de titel prins van Oranje erfde van zijn halfbroer Filips Willem, werd hij Maurits van Nassau genoemd.
Maurits bracht zijn jeugd deels door op 
slot Dillenburg waar zijn oom Jan van Nassau hem opvoedde. Zijn vader Willem van Oranje kon dat niet op zich nemen omdat hij destijds in de Nederlanden was om de Opstandtegen Spanje te leiden. Na opleidingen in Heidelberg en Leiden werd Maurits op zijn achttiende verjaardag stadhouder van Holland en Zeeland. Hij bracht twee jaar door in het Staatse leger voordat hij het opperbevel kreeg. Maurits werd in 1590 stadhouder over de provincies Gelderland, Overijssel en Utrecht.
Als kapitein-generaal voerde hij het leger aan tegen Spanje. Gedurende de 
Tien Jaren van 1588 tot 1598 behaalde hij onder het politieke leiderschap van de landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt vele overwinningen. Het was een keerpunt in de oorlog en de Spanjaarden werden uit het noorden en oosten van de Republiek verdreven. Op militair gebied was dit succes mede te danken aan de hervormingen die Maurits samen met de Friese stadhouder Willem Lodewijk in het leger doorvoerde. De goede samenwerking met Oldenbarnevelt kreeg een deuk toen Maurits tijdens een expeditie op een Spaans leger stuitte: de Slag bij Nieuwpoort. Tijdens het Twaalfjarig Bestand brak er een religieus conflict uit in de Republiek en koos Maurits de kant van de orthodoxe calvinisten (Gomaristen), waarmee hij recht tegenover Oldenbarnevelt kwam te staan, met uiteindelijk een machtsovername en de onthoofding van de landsadvocaat tot gevolg. De jaren erna ging het land zowel op bestuurlijk als op militair gebied achteruit. Op 23 april 1625 stierf Maurits in Den Haag.

 
von Nassau, Maurits (I501372)
 
118

Anna van Nassau (Breda5 november 1563 – Franeker13 juni 1588) was de tweede dochter van Willem van Oranje uit diens tweede huwelijk met Anna van Saksen.
Anna ging in 1567 naar 
Slot Dillenburg en werd daar opgevoed door haar grootmoeder Juliana van Stolberg. Daar zal zij ook kennisgemaakt hebben met haar latere echtgenoot Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg. Zij huwde met hem in 1587. Zij overleed echter al een half jaar daarna, tijdens haar eerste zwangerschap. Anna werd begraven in de Grote of Jacobijnerkerk in Leeuwarden. Willem Lodewijk is uit respect voor haar niet hertrouwd.
Haar kostbare grafmonument, gepolychromeerde 
gisant bij de grafkelder van de Friesche Nassau's in de Grote of Jacobijnerkerk in Leeuwarden werd in 1795 vernield. Haar graf werd door een woedende menigte geschonden.

 
Nassau, Anna (2) (I501366)
 
119

Emilia van Nassau tevens Emilia van Portugal (Keulen10 april 1569 - Genève16 maart 1629) was de derde en jongste dochter van Willem van Oranje uit diens tweede huwelijk met Anna van Saksen.
De moeder van Emilia begon kort na Emilia's geboorte een relatie met de vader van de schilder 
Rubens. Deze affaire was reden de kinderen bij hun moeder weg te halen. Emilia, haar zuster Anna en haar broer Maurits kwamen terecht bij hun oom Jan de Oude op kasteel Dillenburg. Na enige tijd bij haar vader in Delft en haar zuster Anna in Friesland gewoond te hebben trad Emilia in de jaren 1590 op als gastvrouw aan het hof van haar broer Maurits. Tijdens een van de ontvangsten ontmoette de calvinistische Emilia haar toekomstige katholieke echtgenoot Emanuel van Portugal (1568-1638) met wie zij in 1597 in het geheim trouwde. Maurits was fel gekant tegen dit huwelijk (Emanuel zou nooit de troon van zijn vaderland kunnen bestijgen, was armlastig, een bastaard en vanwege de katholiciteit van de Portugees[1]) en probeerde het paar uit elkaar te drijven. Toen dat ijdele hoop bleek werden Emilia en Emanuel verbannen van het hof. Het duurde ruim tien jaar voor Maurits zich bij dit huwelijk kon neerleggen. In 1609 kocht het paar het kasteel van Wijchen en lieten het herbouwen, de muurankers vormen nog altijd twee in elkaar gevlochten letters "E". Emilia zat in 1625 aan het sterfbed van haar broer. Na Maurits' dood in 1625 bleek de erfenis in alle opzichten nadelig. In de laatste jaren van hun huwelijk woonden Emilia en Emanuel gescheiden. Emanuel verkocht zijn rechten aan de Spaanse koning en verhuisde naar Brussel; Emilia kocht het landgoed Prangins nabij Genève, waar zij in 1629 op 59-jarige leeftijd overleed.

 
van Oranje- Nassau, Emilia (I501374)
 
120

Maria van Nassau (Breda7 februari 1556 – Buren10 oktober 1616) was het derde kind en de tweede dochter van Willem van Oranje en Anna van Egmont. Zij voerde na het overlijden van haar moeder de titel gravin van Buren.
Maria werd vernoemd naar 
Maria van Hongarije, de zuster van keizer Karel V en landvoogdes der Nederlanden. Na de dood van Anna van Egmont in 1558 nam Maria van Hongarije Maria en haar broer Filips Willem onder haar hoede en zorgde voor een opvoeding aan haar hof. In 1567 vertrok Maria met haar vader naar Dillenburg.
Maria zette zich in om haar broer Filips Willem vrij te krijgen uit 
Spanje, waar hij door Filips II gegijzeld werd gehouden. Later koos Maria opnieuw de zijde van Filips Willem, die met zijn halfbroers Maurits en Frederik Hendrik in een hevige strijd verwikkeld was over de nalatenschap van hun vader.
Op 7 februari 
1595 huwde Maria te Buren graaf Filips van Hohenlohe (1550-1606). Filips was een legeraanvoerder in dienst van de Republiek en had een slechte reputatie. Het huwelijk bleef kinderloos.
In haar woonplaats Buren heeft Maria veel aan 
liefdadigheid gedaan.
Na het overlijden van haar echtgenoot in 1606 stichtte Maria in 1612 in Buren een weeshuis, waarin tegenwoordig het 
Marechausseemuseum is gevestigd. Maria overleed daar in 1616 en is op 23 oktober bijgezet in de grafkelder van haar Egmondse voorgeslacht in de Sint-Lambertuskerk te Buren

 
Oranje-Nassau, Maria (I501359)
 
121

Aleida Adelina van Holland (rond 995 - rond 1045) was een dochter van Arnulf van Gent en Lutgardis van Luxemburg. Zij huwde een eerste maal met Boudewijn II van Boulogne en werd de moeder van Eustaas I van Boulogne. Zij huwde een tweede maal met Engelram I van Ponthieu, nadat die Boudewijn had gedood.

 
van Holland, Adelina (I6759)
 
122

Als rechtstreekse afstameling van het huis Horne vocht hij het legaat aan waarbij Jan van Horne het graafschap Horne toewees aan aan zijn stiefzoon Filips van Montmorency.

Hij was kamerheer van Filips van Oostenrijk, vervolgens van keizer Karel V en werd in 1515 ridder in de Orde van het Gulden Vlies.

 
van Horne, Maximiliaan (I6668)
 
123

Amalia van Nieuwenaar-Alpen (1540 - 10 april 1602) was de dochter van Gumprecht II van Nieuwenaar-Alpen en Cordula van Holstein-Schauenburg.

Haar eerste echtgenoot was Hendrik van Brederode, die een belangrijke rol speelde in de Nederlandse Opstand. Na diens dood in 1568 trouwde zij in 1569 met Frederik III van de Palts.

Van 1579 tot 1587 was zij vrouwe van de heerlijkheid Vianen, een titel die zij erfde van haar eerste echtgenoot. In 1589 erfde zij het graafschap Limburg (Lenne) van haar halfbroer Adolf van Nieuwenaar. In 1590 kreeg zij de rechten over Alpen, Helpenstein, Lennep en de erfvoogdij over Keulen van haar halfzuster Magdalena. Alpen werd in 1597 bezet door Staatse troepen en het jaar daarop door de Spanjaarden.

 
van Nieuwenaar-Alpen, Amalia (I501481)
 
124

Arsinoë I (305/295 v.Chr. - ?) was de koningin van Egypte tussen 284 v.Chr. tot 274 v.Chr., en ze was de eerste vrouw van Ptolemaeus II Philadelphus.
Arsinoë I was de dochter van Lysimachus, koning van Thracië. Ze trouwde Ptolemaeus II in 284 v.Chr. en schonk hem drie kinderen, waaronder de erfgenaam Ptolemaeus III. In 274 v.Chr. werd ze wegens samenzwering tegen haar man veroordeeld en naar Coptos verbannen. Ptolemaeus II hertrouwde, nu met zijn eigen zus Arsinoë II
Het echtpaar is ??-??-274 BC gescheiden

 
van Thracië, Koningin van Egypte Arsinoë I (I3643)
 
125

buitenechtelijke dochter van Robert de Duivel, hertog van Normandië; wie haar moeder was is onzeker. Zij was een halfzuster van Willem de Veroveraar en suo jure (op eigen titel) gravin van Aumale. Haar eerste huwelijk met Engelram II van Ponthieu, heer van Aumale, bezorgde haar halfbroer hertog Willem van Normandië, de latere Willem de Veroveraar, een belangrijke bondgenoot in Normandië. Maar toen bij het Concilie van Reims in 1049 het huwelijk van Willem de Veroveraar met Mathilde van Vlaanderen werd verboden wegens bloedverwantschap, werd ook het huwelijk van Adelheid met Engelram van Ponthieu geannuleerd. Voor haar werd een ander huwelijk gearrangeerd met Lambertus, graaf van Lens en van Boulogne, waardoor er een nieuwe huwelijksalliantie ontstond tussen Normandië en Boulogne.[1]

Lambertus van Lens sneuvelde in 1054 bij Lille, toen hij graaf Boudewijn V van Vlaanderen bijstond in zijn strijd tegen keizer Hendrik III.[2] Als weduwe verbleef Adelheid in Aumale, een stad aan de rivier de Bresle in noord-oost Normandië. Willem de Veroveraar verhief haar tot gravin van Aumale, maar het is niet bekend wanneer dit gebeurde. Adelheid voerde als eerste de graventitel van Aumale, haar zoon Stephen was de tweede die de titel zou voeren. Als adellijke weduwe leefde Adelheid een teruggetrokken bestaan; ze was betrokken bij de kerk van Auchy, die zij bedacht met giften. In 1060 werd ze weer uitgehuwelijkt met de jongere graaf Odo II van Champagne, die echter van Willem de Veroveraar geen land of titels in Engeland kreeg toebedeeld. De landerijen rond Aumale bleven op naam van Adelheid staan.[1]

In 1086 staat Adelheid als de Comitissa de Albatnarla vermeld in het Domesday Book; zij wordt genoemd als de eigenaar van verschillende landerijen in Suffolk en Essex. Zij is in die tijd een van de weinige Normandische edelvrouwen die zelf grond bezaten in Engeland. Zij had ook het leen Holderness; na haar dood ging dit over op haar man die inmiddels zijn titel graaf van Champagne was kwijtgeraakt, en vervolgens op hun zoon. Adelheid stierf voor 1090.

 
van Normandië, Adelheid (I6730)
 
126

De Doopacte van Jan Davids (van Diepen) is niet achterhaald. We komen hem voor het eerst tegen op 14-4-1743. Hij betaalt drie gulden impost bij het overlijden van ene Marijtje Willem in Wognum. Jan woont op het Keern. Tot 1748 woont hij, blijkens doopinschrijvingen van zijn twee kinderen,'ex zwaaghdijk'; waarmee 't Keern bedoeld zal zijn. Op 14-1-1745 verkoopt zijn broer David Davids in De Goorn hem een huis . En nog woont Jan op Zwaagdijk. Op 20-11-1753 koopt hij van Reinier van Stokkum,'Rooms priester op De Goorn' een huis en erf naast de kerk in De Goorn. Er wordt geen achternaam gebezigd. Op 15-8-1177 komen wij hem weer tegen; nu in de acten van de Hoornse notaris Van Beek. Dit na en vanwege het overlijden van zijn vrouw: er vindt een boedelscheiding plaats. Hij heeft twee huizen met erf) een in halve eigendom met Jacob Pietersz.Ligthart) beide in De Goorn(Rijpzevendeel) met een achttal percelen grasland waarvan enkele in Zuid-Spierdijk(Overdropzevendeel). De stukken grond hebben namen als Ruygenweid,Zoutackers, 't Lageland enz.en zijn in totaal ongeveer 17 ha groot( 9 morgen en 7000 Roedes). Opmerkelijk is dat de ca. 55 jarige Jan Davids van Diepen deze acte niet anders dan met een kruis kan ondertekenen.
Gehuwd  op 16-08-1744 te Gerecht Abbekerk met De BOER, Neel Ariën , overleden 1772 te de Goorn.

 
van Diepen, Jan Davidsz (I2914)
 
127

De heilige Ida van Nijvel (ca. 592 - Nijvel, 8 mei 652), ook Itta of Iduberga genoemd, was de echtgenote van de zalige Pepijn van Landen (huwelijk 614) en de moeder van de heiligen Gertrudis van NijvelBegga en Bavo(Allowin van Haspengouw). Een andere zoon Grimoald werd net als zijn vader hofmeier van Austrasië. Ida was vermoedelijk dochter van heilige Arnoald. Ida stichtte kloosters in Nijvel (650) en in Fosses-la-Ville, na het overlijden van haar man. Zij wordt aangeroepen tegen de huidziekte erysipelas en tegen tandpijn. Haar feestdag is op 8 mei.

 
van Nijvel (Iduberga), ida (Itta) (I501572)
 
128

De zalige Bernard (Burcht Lipperode, ca 1140 - Mežotne, 30 april 1224) werd in 1167 als Bernhard II heer van Lippe. Graaf Bernhard stichtte de steden Lippstadt en Lemgo en, samen met Widukind van Rheda en andere edelen, de cisterciënzerabdij van Marienfelde nabij Harsewinkel (Westfalen).

In 1196 trad Bernard zelf in in deze abdij en in 1211 werd hij abt in Dünamünde in Koerland (thans Jūrmala in Letland. In 1218 ten slotte werd hij bisschop van Semgallen (thans in Letland gelegen). Het was zijn zoon Otto van Lippe die hem tot bisschop wijdt. Zelf wijdt Bernard zijn zoon Gebhard II in 1219 tot bisschop van Bremen-Hamburg.

Zijn feestdag is op 30 april.

 
zur Lippe, Bernhard II (I6463)
 
129

Dirk I of Thidericus Fresonie was een Friese graaf die het bewind voerde over een aantal grafelijke gebieden in de kuststreek van het latere graafschap Holland. Het gezag over Kennemerland en Rijnland erfde hij van Gerolf. Wegens zijn steun aan koning Karel de Eenvoudige tijdens een opstand kreeg Dirk I de kerk van Egmond met alle daarbij behorende goederen. Egmond en haar bezittingen lagen ten noorden van de gebieden die hij van Gerolf had geërfd en dat kwam hem dus uitstekend uit. Kort hierna stichtte hij te Egmond een klooster voor nonnen. Dit was het begin van de tegenwoordige  Abdij van Egmond. Dirk was getrouwd met Gerberga van Hamaland (Geva). Dirk en Gerberga (Geva) zijn beiden in de abdij van Egmond begraven.

 
van Holland, graaf Dirk I (I382)
 
130

Dirk II (of Diederik II) was een Friese graaf die het feitelijke bewind voerde over drie graafschappen die tezamen het gehele kustgebied tussen de Oosterschelde en het Vlie opvulden, zijnde de gouwen: Masaland(Maasland), Kinhem (Kennemerland) en Texla(Texel). Op 15 juni 950 schonken Dirk II en zijn vrouw Hildegard aan Egmond ter ere van de bijzetting van Sint Adelbert een stenen kloosterkerk. Ook schonken zij het Evangeliarium van Egmond, thans een van Nederlands belangrijkste cultuurhistorische voorwerpen uit de vroege middeleeuwen. Het negende-eeuwse handschrift werd circa 975 door hem verworven en bevat de tekst van de vier evangeliën. Dirk en Hildegard zijn afgebeeld op twee miniaturen, die Dirk voor de gelegenheid aan het boek liet toevoegen. Op 25 augustus 985 kreeg Dirk zijn drie lenen van koning Otto III in vrije eigendom. Dirk en zijn vrouw zijn in de abdij van Egmond begraven.  

 
van Holland, Dirk II (I380)
 
131

Dirk VII volgde zijn vader op nadat die in 1190 was overleden tijdens de Derde Kruistocht. In 1186 huwde hij te Loosduinen Aleid van Kleef, de dochter van graaf Diederik IV van Kleef. Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren, allen dochters, Ada, Aleidis en Petronilla. Omdat Dirk geen zonen had, maakte hij Holland erfelijk voor vrouwen. Nadat zijn jongere broer Willem, die zijn vader had begeleid tijdens de derde kruistocht, in september 1191 was teruggekeerd, ontstond er al vrij vlug onenigheid tussen de nieuwe graaf en zijn broer. Willem zocht daarom steun bij de opstandige Friezen. Omdat Dirk op dat moment niet weg kon uit Zeeland stuurde hij zijn vrouw Aleida met een leger naar West-Friesland. In november 1195 kwam het tot een treffen tussen Aleida en haar zwager Willem. Aleida wist het treffen naar haar hand te zetten door de leiders van Oude Niedorp en Winkel om te

kopen. Uiteindelijk werd de ruzie tussen beide broers bijgelegd, en kreeg Willem het bestuur over het graafschap Midden-Friesland.  Otto van Gelre riep in 1202 de hulp van Dirk VII omdat hij in conflict met de hertog van Brabant was geraakt. Dirk trok met zijn leger naar Brabant, waar hij het net gestichte 's-Hertogenbosch op 7 september 1202 verwoestte. Op de terugweg raakte hij bij Heusden slaags met het sterke leger van de hertog van Brabant. Dirk werd gevangengenomen en pas na betaling van een hoog losgeld en het aanvaarden van zeer ongunstige voorwaarden werd hij weer vrijgelaten. Niet alleen over het deel van zijn gebied ten zuiden van het Hollands Diep, maar ook over Zuid-Holland moest hij de Brabantse hertog als leenheer erkennen. Voor het overige deel van Holland werd de nieuwe bisschop van Utrecht de leenheer. Hierdoor verloor Holland zijn overwicht in de noordelijke Nederlanden. Dirk stierf een jaar later en werd opgevolgd door zijn, op dat moment enige nog in leven zijnde, dochter Ada van Holland.

 
van Holland, Graaf v Holland Dirk VII (I404)
 
132

Er is enige onzekerheid over zijn geboortedatum. Sommige historici suggereren dat hij geboren zou zijn in 1030, zodat hij 19 was in plaats van 14 toen William hem bisschop maakte van Bayeux in het jaar 1049.

Hoewel Odo geestelijke was, is hij vooral bekend geworden als krijger en staatsman. Hij ronselde schepen voor de invasie van Engeland en was aanwezig bij de Slag bij Hastings. Omdat hij een geestelijke was, mocht hij geen bloed vergieten en daarom vocht hij dus met een soort van knots die je ook op de gegeven afbeelding kan zien. Hij heeft dus geen bloed vergoten. Wel heeft hij enkele vijanden een paar gebroken armen, benen of ribben opgeleverd.

In 1067 werd Odo graaf van Kent. Bij sommige gelegenheden, wanneer Willem afwezig was, diende hij als de facto regent van Engeland, en soms leidde hij de koninklijke troepen tegen opstanden. Gedurende deze tijd verwierf Odo uitgestrekte landerijen in Engeland, hij bezat land in 23 districten, vooral in het zuidoosten en in East Anglia.

In 1076 werd hij drie dagen lang berecht op Penenden Heath in Kent voor het benadelen van de kroon en het bisdom van Canterbury. Aan het einde van het proces werd hij gedwongen om een aantal bezittingen terug te geven en zijn vermogen werd opnieuw verdeeld.

In 1082 viel hij in ongenade en werd opgesloten voor het plannen van een militaire expeditie naar Italië. Zijn motivaties zijn niet zeker. Kroniekschrijvers van een generatie later zeiden dat Odo wenste om zelf paus te worden, maar de hedendaagse bewijs is tweeledig. Ongeacht de reden bracht Odo de daar op volgende vijf jaar door in de gevangenis en zijn Engelse landgoederen werden teruggenomen door de koning, net als zijn ambt als graaf van Kent: Odo was echter niet afgezet als bisschop van Bayeux.

William liet zich op zijn sterfbed in 1087 schoorvoetend overtuigen door zijn halfbroer Robert, graaf van Mortain, om Odo vrij te laten. Na de dood van de koning keerde Odo terug naar zijn graafschap en organiseerde in korte tijd een opstand met de steun van de zoon van William Robert Curthose. De opstand van 1088 mislukte en William Rufus stond Odo, tot ergernis van zijn medestanders, toe om het Koninkrijk te verlaten. Daarna bleef Odo in dienst van hertog Robert in Normandië.

Hij nam deel aan de Eerste Kruistocht en startte in de onderneming naar Palestinië van de hertog, maar stierf onderweg in Palermo in januari of februari 1097.

 
van Bayeux, Odo (I6753)
 
133

erfgenaam van de goederen van zijn vader in Normandië en Cornwall. Probeerde na de dood van zijn oom Odo tevergeefs om earl van Kent te worden. Hij stichtte onder dwang van de koning een klooster te Montacute. Hij koos daarna de kant van Robert Curthose in diens strijd tegen Hendrik I van Engeland maar werd uiteindelijk gedwongen om zijn titels en bezittingen op te geven en werd een monnik in de abdij van Bermondsey, waar hij overleed.

 
van Mortaigne, William (I6751)
 
134

Filips bekleedde tal van hoge functies aan het hof van Karel de Stoute, en aan dat van Maximiliaan I en Maria van Bourgondië. Hij speelde op die manier een belangrijke politieke rol in de Nederlanden. Er is een inventaris van zijn heerlijke rechten bekend, waarin ook de grenzen van de heerlijkheid Heeze, Leende en Zesgehuchten nauwkeurig omschreven zijn. Hij sneuvelde in 1488 te Kortrijk, toen er troebelen waren waarbij Gent en Brugge de Vlaamse opstand tegen Maximiliaan aanvoerden. Daarbij werd Maximiliaan door de Bruggelingen gevangengenomen en later vrijgelaten, maar negen van zijn edelen werden onthoofd.

Filips had omstreeks 1440 een buitenechtelijke verbintenis, waaruit een kind, Jeanne, werd geboren. In 1450 trouwde hij met Johanna van Lannoy. Hun kinderen waren:

Arnold van Horne (1460)

Jan van Horne (1460-1521)

Daarnaast zijn nog twee zonen met Johanna van Lannoy bekend, alsook vijf bastaardzoons.

In 1473 trouwde hij met zijn nicht Margaretha van Horne, die leefde van 1461-1518. Dit huwelijk bleef kinderloos.

 
van Horne, Filips (I6662)
 
135

Floris V was de zoon van graaf Willem II, die tevens rooms-koning was. Via zijn bet-overgrootmoeder Ada van Schotland was hij verwant met het Schotse koningshuis. Bij zijn politieke optreden probeerde hij gebruik te maken van deze connectie.

Op tweejarige leeftijd werd hij graaf van Holland en Zeeland. Zijn vader was een half jaar daarvoor gedood door de West-Friezen. Zijn oom, Floris de Voogd, nam voogdij over hem op zich. Zijn tante Aleida van Henegouwen nam kort daarna voogdij over na de dood van Floris de Voogd (maart 1258). Zijn ridderlijke opvoeding kreeg hij tussen 1261 en 1266 waarschijnlijk van Albert van Voorne, de burggraaf van Zeeland. Op Voorne kwam Floris in contact met Jacob van Maerlant, die er in dezelfde periode verbleef.[3] Op twaalfjarige leeftijd, in 1266, werd de jonge Floris officieel meerderjarig verklaard, en op 14-jarige leeftijd trad hij in het huwelijk met Beatrix van Vlaanderen, de dochter van Gwijde van Dampierre.

Floris had grote ambities en streefde er voortdurend naar zijn macht te vergroten. Zijn eerste wapenfeit was het neerslaan van de Opstand der Kennemers. Vervolgens wilde hij wraak nemen op de Friezen omdat zijn vader tijdens een veldtocht tegen de Friezen door hen was gedood. Toen hij in 1282 de Friezen in West-Friesland had verslagen, liet hij zich 'Heer van Friesland' noemen. Zijn pogingen ook het andere gedeelte van Friesland (gebieden in de huidige provincie Friesland) in te nemen liepen echter op niets uit. Een eerste invasie mislukte door het slechte weer en aan zijn tweede veldtocht hield hij uiteindelijk alleen een bruggenhoofd in Friesland over.

Na de dood van koning Alexander III van Schotland in 1286 wierp Floris zich op als Schots troonpretendent. De (over)grootmoeder van Floris was Ada van Schotland, dochter van de voortijdig overleden kroonprins Hendrik van Schotland. Floris was echter niet de enige. In totaal waren er dertien pretendenten. Ondanks zijn zwakke familieband met Alexander III ging Floris toch naar de vergadering, in Norham op de 10e van de bloeimaand (mei). Hij werd als eerste in de gelegenheid gesteld om zijn recht op de troon te verdedigen. Koning Eduard I van Engeland bleek daarbij geen bondgenoot, maar een rivaal te zijn, die erin slaagde, weliswaar gedeeltelijk en tijdelijk, om Schotland onder Engelse invloed te brengen.

Een andere manier om zijn ambities gestalte te geven blijkt uit zijn streven om Zeeland bewesten Schelde bij zijn grondgebied in te lijven. Dit doel probeerde hij op verschillende manieren te bereiken. Eerst trachtte hij dit met steun van koning Eduard I van Engeland, later met de hulp van de Fransen. Uiteindelijk wist hij het aanzien van Holland enorm te vergroten. Een groot deel van de huidige buitengrenzen van Noord- en Zuid-Holland samen is toen vastgesteld.

 Het ging fout toen Floris zijn Engelse bondgenoot Eduard I in 1296 wegens een conflict over de wolhandel aan de kant zette ten gunste van de Franse bondgenoot Filips IV. Het verhaal gaat dat de Engelse koning enkele ontevreden edelen zou hebben gevraagd hem gevangen te nemen. Tijdens een valkenjacht - volgens sommige geschiedschrijvers bij de Egelshoek[4]- werd Floris gevangengenomen door Gijsbrecht van Amstel, Herman VI van Woerden, Willem van Zaanden, Arent van Benschop, Gerard van Craayenhorst, Willem van Teylingen en Gerard van Velsen. Het nieuws van zijn gevangenneming lekte echter snel uit en onder het volk, waar Floris erg populair was, ontwikkelde zich het plan hem te bevrijden. Gijsbrecht van Amstel was vermoedelijk al op 23 juni uitgeweken naar Brabant en niet op het Muiderslot aanwezig geweest. Ook Herman van Woerden was waarschijnlijk op de fatale dag van de moord niet aanwezig en naar Brabant gevlucht.[6] Toen de edelen met hun gevangene op 27 juni 1296 het Muiderslot verlieten met Van Velsen en enkele schildknapen voorop als verkenners, kwamen ze bij Muiderberg een groep Gooilanders uit Naarden tegen die Floris in levende lijve kwamen opeisen. Hierop reed Gerard van Velsen terug, trok zijn zwaard en doodde graaf Floris. Floris was weerloos doordat in zijn mond een handschoen was gepropt, zijn handen en voeten vastgebonden en zijn vingers gekloofd of gespleten waren. Toen Van Velsen zijn zwaard trok, steigerde het paard van schrik, waardoor Floris door de eerste zwaardslag zijn beide handen verloor en zijdelings van het paard viel. Van Velsen liep op Floris toe en bleef op hem insteken, gevolgd door twee anderen. Vervolgens namen de ontvoerders de vlucht. Floris werd naar het buitenverblijf Florisberg te Muiderberg gebracht, waar hij bezweek aan de toegebrachte 22 steekwonden.

Gerard van Velsen werd later gepakt, gemarteld en ter dood gebracht. Gijsbrecht van Amstel (de vierde met die naam uit het bekende geslacht van de Heren van Amstel) en Herman van Woerden sleten de rest hun leven als ballingen en verloren al hun bezittingen.

Floris V werd vermoedelijk in de abdij van Rijnsburg begraven. In 1996 bewezen twee Leidse wetenschappers (fysisch antropoloog G. Maat en hoogleraar chemie E. Cordfunke) echter dat de in 1949 na hun ontdekking plechtig herbegraven skeletten in de Rijnsburgse abdij bijna 400 jaar ouder zijn. Op dit onderzoek is veel kritiek geweest. Het graf is 's nachts, stiekem, open gebroken. Tevens wordt het onderzoek in twijfel getrokken. Er is geen rekening gehouden met de effecten die de grond uit verschillende lagen heeft op de botten. Met dit effect heeft de oorspronkelijke onderzoeker B.K.S Dijkstra al rekening gehouden.

Ook is het het maar de vraag, wanneer er 1 familie, op de juiste plaats (voor het hoofdoorzaak en de Gravenkapel), op de juiste diepte en in de juiste volgorde begraven (in meerdere lagen, met de oudste onderop, de laatste bovenop) en met de juiste doodsoorzaak, leeftijd en verwondingen, precies op die plek begraven zou zijn, waar de grafelijke familie is begraven. Daarnaast zijn er geen bewijzen gevonden waar de familie anders begraven kan zijn.

Ook wordt er door de onderzoekers verwezen naar het lichaam dat onder de muur van de kloostergang werd gevonden. Maar dat lag in een veel diepere aardlaag en in een andere hoek ten opzichte van alle andere lichamen die zijn gevonden. Deze lagen allen binnen de grenzen en binnen de fundamenten van het gebouw en allen op de juiste diepte. Een foto van 'de schedel van graaf Floris V' werd in J.W.Verkaiks De moord op graaf Floris V (1996, p. 11) afgebeeld.

In de Grote of Sint-Laurenskerk in Alkmaar staat een kist met daarbij een plaquette uit de 17e eeuw waarop staat dat de kist de ingewanden bevat van Floris V en dat hij in deze kerk begraven is vóór het hoofdaltaar onder een "wittige steen". Floris V werd door de Naardingers dood aangetroffen, gebalsemd en per schip naar de oude kerk van Alkmaar gebracht, waar hij onder de zerk een tijdelijk graf kreeg. Zijn zoon, Jan I, bracht zijn stoffelijk overschot begin april 1297 na de Slag bij Vronen over naar de abdij van Rijnsburg. De oude kerk van Alkmaar werd in de 15e eeuw vervangen door de Grote Kerk, maar de tombe van Floris bleef bewaard. Het werkelijke graf van de graaf verdween toen de abdijkerk in Rijnsburg in 1574 werd verwoest.

    • 1272 - Hij geeft Gouda stadsrechten.
    • 1274 - Hij maakt een einde aan een opstand van de Kennemers en de boeren van Water- en Amstelland.
    • 1275 - Hij verleent een tolprivilege aan Amsterdam. Daarmee wordt de stad voor het eerst genoemd.
    • 1277 - Hij wordt op 11 januari in Den Bosch tot ridder geslagen. Hij probeert een verbond te sluiten met Vlaanderen.
    • 1278 - Hij maakt zich met geweld van de opstandige stad Utrecht meester.
    • 1279 - Jan van Nassau geeft hem het Nedersticht in pand.
    • 1280 - Hij laat het Muiderslot bouwen. Hij belegert in mei kasteel Vreeland, neemt Gijsbrecht van Amstel gevangen en brengt hem naar Zeeland over. Hij neemt Montfoort in, dat aan Herman van Woerden was verpand. Die vlucht naar het buitenland.
    • 1281 - Hij laat zijn dochter Margaretha met de Engelse troonopvolger Alfonso (gestorven 1284) verloven.
    • 1282 - Hij onderneemt opnieuw een tocht tegen de West-Friezen. Hij landt met een vloot in Wijdenes en onderwerpt hen. Hij vindt het stoffelijk overschot van zijn vader in Hoogwoud en begraaft hem in Middelburg.
    • 1283 - Hij steunt hertog Jan I van Brabant in diens strijd om het hertogdom Limburg.
    • 1285 - Hij verzoent zich met Gijsbrecht van Amstel, die vijf jaar gevangen is geweest. Hij laat zijn zoontje Jan met Elisabeth, de dochter van de Engelse koning verloven.
    • 1287-1288 - Na de Sint-Luciavloed weet hij West-Friesland te onderwerpen en laat hij Kasteel Radboud bouwen
  • ~
 
van Holland, Floris V (I412)
 
136

Gaius Julius Caesar Strabo (ca. 140 v. Chr. – Pisae, 85 v. Chr.) was een Romeins senatorproconsul in Asia, aanhanger van zijn zwager Gaius Marius en de vader van Julius Caesar, de latere dictator van Rome.
Caesar was getrouwd met Aurelia Cotta. Samen hadden zij twee dochters: Julia Caesaris minor en Iulia Caesaris maior en een zoon, Julius Caesar, geboren in 100 v.Chr. Hij was de broer van Sextus Julius Caesar, die consulwas in 91 v.Chr.
Het verloop van Caesars loopbaan, de zogeheten cursus honorum, is bekend. Afgaande op twee elogia die opgericht zijn in Rome lang na zijn dood, was Caesar een commissaris in de kolonie in Cercinakrijgstribuunquaestorpraetor en proconsul in Asia. Over de specifieke datering van zijn verschillende functies bestaat verschil van mening. Broughton dateerde het praetorschap in 92 v.Chr., met het quaestorschap vallend aan het begin van de jaren 90. Brennan heeft zijn praetorschap juist aan het begin van het decennium gedateerd.
Caesar stierf plotseling op een morgen in 85 v.Chr. te Rome, terwijl hij zijn schoenen aan het aandoen was. Een andere Caesar was op dezelfde manier gestorven in Pisa. Zijn vader had Caesar het grootste deel van zijn landgoed nagelaten, maar nadat de factie van Marius was verslagen in de burgeroorlog van de jaren 80 voor Christus, werd deze erfenis in beslag genomen door de dictator Sulla

 
Caesar Strabo, Gaius Julius (I3620)
 
137

Gaius Julius Caesar was de zoon van Gaius Julius Caesar en Aurelia Cotta. Terwijl zijn vader het niet verder bracht dan praetor, bekleedden Caesars oom Sextus Julius Caesar, zijn aangetrouwde oom Gaius Marius, zijn grootvader aan moederszijde Lucius Aurelius Cotta maior, oom aan moederszijde Lucius Aurelius Cotta minor en de vader van zijn grootmoeder MarciaQuintus Marcius Rex allen de functie van consul. Langs de kant van de Gens Julia voerde hij zijn afkomst terug op Julus, een zoon van Aeneas, en dientengevolge een kleinzoon van Venus. Via de tak van de gens Marcia van zijn grootmoeder Marcia, die het cognomen Rex droegen, kon hij zijn afkomst terugvoeren op Ancus Marcius, vierde legendarische koning van Rome en kleinzoon van de tweede legendarische koning van Rome, Numa Pompilius. Zijn oom Gaius Marius was een van de vooraanstaande mannen van zijn tijd en was een leidende figuur binnen de populares. Langs moederskant was hij verbonden met de tak van de Aurelii Cottae, die verscheidene consules leverden aan de Romeinse Republiek, én met de gens Claudia.
Op 15 maart van het jaar 44 v.Chr. werd de vergadering van de senaat gehouden in de curia van het Theater van Pompeius. De Curia Julia op het Forum was op dat moment buiten gebruik door een grote brand. Zodra Caesar binnenkwam, stonden alle senatoren op als teken van respect. Enkele mannen gingen achter de stoel van Caesar staan terwijl de rest naar hem toeliep. Cimber trok met beide handen de mantel van Caesars rug waarbij Caesar uitriep: "vanwaar dit geweld", waarna Casca zijn dolk trok en Caesar in de nek probeerde te steken. Caesar kon zich echter nog net omdraaien, zodat hij alleen een ondiepe snee opliep. Caesar stak Casca met zijn griffel waarbij hij de arm van Casca doorboorde. Geen van de senatoren en toeschouwers die dit zagen durfde iets te doen en allen deinsden geschrokken achteruit. Ze durfden niet weg te rennen en ook niet te proberen Caesar te helpen. Vervolgens trokken alle samenzweerders hun wapens en duwden ze Caesar heen en weer terwijl ze hem met hun messen en zwaarden steek- en snijwonden toebrachten. De moordenaars raapten hem op en duwden hem tegen het standbeeld van zijn oude vijand Pompeius. Ze probeerden hem zo vaak mogelijk te raken en liepen hierbij ook zelf verwondingen op. Uiteindelijk liep Caesar 23 dolksteken op.
Volgens sommige bronnen sprak Caesar zijn laatste woorden toen hij onder zijn aanvallers het gezicht van Marcus Junius Brutus zag, die hij min of meer als zijn zoon beschouwde. Hij riep in het Grieks "καὶσύ, τέκνον;" ("kai su, teknon?").[11] Dat kan vertaald worden met: "ook jij, mijn kind?". Deze uitspraak is ook bekend in latere, Latijnse versies: "Et tu, Brute?" ("Ook gij, Brutus?") of "tu quoque, fili mi?" ("ook jij, mijn zoon?"). Hierna trok Caesar zijn mantel over zijn hoofd en stortte op de grond. Dit lijkt echter een geromantiseerde voorstelling van de gebeurtenis te zijn, die in latere eeuwen is verzonnen. De 2e-eeuwse geschiedschrijvers Suetonius en Cassius Dio meldden expliciet dat Caesar stierf zonder een woord te zeggen.
Enkele dagen na de moord organiseerde men een uitvaartplechtigheid voor Caesar op het Forum Romanum.

 
Caesar, Keizer van Het Romeinse Rijk Gaius Julius IV (I3622)
 
138

Geboren op Marken op 25 juni 1878. Jaap Janssen woonde op de Wittewerf. Hij is overleden in het Beekman hospitaal in New York ten gevolge van pernicieuse leukemie en begraven op Cypress Hills Cemetery, Jamaica Avenue, Brooklyn, New York City (Vak 16, Rij 1, Nummer 294). Hij is drager van het Oorlogsherinneringskruis (baton met een ster) toegekend op 17 april 1945. Jaap Janssen was gehuwd met L. Janssen-Zeeman, Wittewerf 27. Hij was aanvankelijk schipper op een logger, later matroos bij de KNSM. Zijn naam staat op de gedenksteen van de KNSM in het Scheepvaarthuis te Amsterdam. Zijn naam staat ook in het Slachtofferregister van de Nederlandse Oorlogsgravenstichting.  Jaap Janssen overleed op 22 april 1945 in New York.

 
Janssen, Jaap (I6505)
 
139

gedoopt op 30-04-1626 te Meerkerk (getuige(n): de vader, zijn broer Jan Barentsen en Adriaantje Lambertsdr), overleden voor 1675. Berent Philips (16-4-1659) voogd in bijwezen van Theunis Hendricks van Nes en te samen van de onm. weeskinderen van Adriaen Berentsen Zoon van Philips Berentsz van den BURGGRAEF (zie IXa) en Weijntje Cornelis Heijmensdr (MAES).

 
van den Burggraaf, Barent Philipsz (I502857)
 
140

Gerard was graaf van Wassenberg van 1085 – 1129. In 1096 werd hij, als Gerard I, ook graaf van Gelre. Hij werd in 1096 ook als landgraaf geattesteerd in een keizerlijke oorkonde: MGH Diplomata Henrici IV nr. 459: Gerardus lantgrave, waarschijnlijk met betrekking tot een rijksleen in de Teisterbant. Daarnaast was hij voogd van Erkelenz, Roermond en Utrecht. Gerard was een van de machtigste edelen van Neder-Lotharingen en probeerde zijn bezit vooral ten koste van de bisschop van Utrecht te vergroten. Dit leidde tot conflicten met Utrecht maar ook met de aartsbisschop van Keulen en de graven van Holland. Op rijksniveau was Gerard een trouw bondgenoot van Hendrik IV (keizer). Samen met zijn neef/broer Gosewijn I van Valkenburg dwong hij de benoeming van Hendriks kandidaat af, als abt van Sint-Truiden.
Gerard was een zoon van graaf Gerard III van Wassenberg. Gerards eerste vrouw is onbekend. Hij hertrouwde met de weduwe van Koenraad I van Luxemburg, Clementia van Poitiers.

 
Von Wasseberg, Gerard (I502440)
 
141

Gerberga van Holland Geboren van Hamaland in 912 is gehuwd in 930 met Dirk I Bis van Holland geboren in 900 (en NIET met diens vader Dirk van Holland I geboren in 875 en overleden in 930) in 932 werd hun zoon Dirk II van Holland geboren te Egmond aan Zee en zij overleed op 21 jarige leeftijd op 11 Januari 933. Dirk II groeide op in de St. Pietersabdij te Gent (Belgium) nadat zijn vader Dirk I Bis van Holland gesneuveld was in de slag bij Andernach (D) op 2 of 5 oktober 939 totdat hij meerderjarig was geworden op 15 jarige leeftijd. Als een der eerste zaken regelde Dirk II dat het houten klooster dat zijn vader had laten bouwen te Egmond vervangen werd door een stenen klooster en bevolkte dit met monniken uit de St. Pietersabdij te Gent. Op 18 jarige leeftijd huwde in 950 Dirk II van Holland met de 16 jarige Hildegard van Vlaanderen.

 
van Hamaland, Geberge (Geva) (I383)
 
142

Gwijde van Avesnes stamde uit een belangrijk geslacht in het graafschap Henegouwen. Hij was de broer van graaf Jan I van Henegouwen, die tevens (als Jan II) graaf van Holland was. Deze wist Gwijde in 1301 tot bisschop van Utrecht benoemd te krijgen ten koste van Adolf II van Waldeck. Gwijde werd door de aartsbisschop van Keulen in 1302 gewijd. Hij bracht een verzoening tot stand tussen de Lichtenbergers en de Fresingen. In 1304 verzwakte de positie van zijn broer Jan door een offensief van Vlaamse troepen die Holland en het Sticht bezetten. Gwijde werd hierbij gevangengenomen (Slag bij Zierikzee, 20 maart 1304).

In zijn afwezigheid grepen de Fresingen de macht in Utrecht met de steun van de gilden, die hun voorrechten lieten vastleggen in de Gildenbrief van 9 mei 1304. Op 14 september 1305 moest het gilderegime capituleren voor de vrijgelaten bisschop Gwijde, maar de stad behield een hoge mate van autonomie. Het duurde echter nog tot 1309 voordat de bisschop volledig als wereldlijk vorst door de koning werd erkend. In 1311 nam hij deel aan het eerste Concilie van Vienne, en ook daarna was hij veelvuldig buitenlands te vinden.

Gwijde van Avesnes wist goed te schipperen tussen de verschillende partijen in het Sticht en in de stad en bracht zo een evenwicht tot stand. Hij beheerde persoonlijk de bezittingen van de heren van Amstel (Amstelland) en van Woerden (de stad Woerden), en verleende als zodanig in 1306 stadsrechten aan Amsterdam. In 1315 liet hij zijn tweede burggraaf Ghisebrecht Utengoye onthoofden, nadat die rooftochten door het Sticht had georganiseerd. Als vervolg in 1317 nam Gwijde van Avesnes met de zwaarste wapens uit die tijd het machtige Kasteel Ten Goye in. In de nacht daarop overleed hij. Na zijn dood vervielen de lenen definitief aan de graaf van Holland.

In de Domkerk in Utrecht is zijn graftombe in geschonden toestand bewaard gebleven

 
van Avesnes, Gwijde (I6230)
 
143

heer van Weerdenburg 1265-1280 en heer van Hiern, Neerijnen, Oppijnen en Meteren is de stamvader van het geslacht de Cock.

In het gebied tussen de Lek en de Linge en tussen Beesd en Leerdam, gelegen in de Tielerwaard, bezat hij veel goederen waaronder een burcht te Rhenoy. Deze bezittingen had hij geërfd van zijn bet-overgrootmoeder Jolanda van Gelre gravin van Henegouwen[bron?]. Met graaf Otto II van Gelre komt hij overeen goederen te ruilen. Otto II had wel belangstelling voor het kasteel van Rudolf. Otto's gebied kon dan nog beter worden verdedigd.

Na overleg met zijn zonen, Rudolf, Hendrik, Gijselbert en Willem, draagt hij 5 augustus 1265 zijn burcht te Rhenoy, alsmede al zijn goederen gelegen tussen de rivieren de Lek en de Linge op in ruil voor de heerlijkheden Hiern, Neerijnen en Opijnen. Hij krijgt daarbij toestemming om een kasteel te bouwen. Dit wordt het Kasteel Waardenburg. De naam van het kasteel gaat later over in het dorp.

 
De Cock van Weerdenburg, Rudolf I (I6798)
 
144

Hendrik volgde in 1082 zijn vader op als graaf van Limburg. Hij verzette zich in 1094 tegen de benoeming van Arnold I van Loon als voogd van Sint-Truiden voor de bezittingen in het prinsbisdom Metz. Zelf werd Hendrik in 1095 benoemd tot paltsgraaf van Neder-Lotharingen. Hij volgde zijn hertog Godfried van Bouillon in de Eerste Kruistocht en keerde daarna naar huis terug.
In 1101 werd hij benoemd tot opvolger van Godfried als hertog van Neder-Lotharingen en markgraaf van het markgraafschap Antwerpen. Zijn bestuur wordt vooral herinnerd omdat hij de schenking van tienden door Godfried aan Antwerpse kerken, ongedaan maakte. In 1106 moest Hendrik zijn functie opgeven omdat hij trouw bleef aan de afgezette keizer Hendrik IV na de coup van diens zoon, de latere keizer Hendrik V. Hertog Hendrik werd zelfs gevangengezet maar wist te ontsnappen.
In 1108 nam Hendrik paltsgraaf Siegfried gevangen die een complot tegen Hendrik V zou hebben beraamd. Hierdoor kwam Hendrik terug in de gunst van de keizer. Maar in de volgende jaren koos ook Hendrik de kant van de tegenstanders van de koning. Hij vocht mee met de Lotharingse edelen die in 1114 de keizer versloegen bij Andernach. In 1115 was hij een van de aanvoerders van de Lotharingse troepen die de Saksen hielpen tegen de keizer in de slag bij Welfesholz, waar de keizer opnieuw werd verslagen. Op de terugweg veroverden de Lotharingers Münster (stad), en verwoestten ze de palts van Dortmund en een aantal kastelen. In Mainz werd vervolgens een wapenstilstand bemiddeld. Daarna zijn geen bijzonderheden over Hendrik bekend.
Hendrik was getrouwd met Adelheid van Pottenstein (ca. 1080 – 13 augustus 1106). Zij was een achternicht van keizerin Bertha van Savoye, wat ongetwijfeld een invloedrijke steun betekende bij de benoemingen die Hendrik verkreeg.

 
van Limburg, Henri (I502445)
 
145

Hermeric leidde het volk van de Sueben vanuit het oorspronkelijke woongebied bij de Oostzee op een zwervend bestaan door Germanië. In 406 trokken de Sueben, samen met de Alanen en de Vandalen (Asdingen en Silingen), over de bevroren Rijn het Romeinse Rijk binnen. Deze volken trokken de Pyreneeën over en veroverden grote delen van het Iberisch schiereiland. In 411 werden de veroverde gebieden door loting verdeeld en de Sueben vestigden hun koninkrijk in de Romeinse provincie Gallaecia. Hun hoofdstad was Bracara Augusta, de huidige Portugese stad Braga. De Romeinen probeerden de nieuwkomers binnen hun rijk aan zich te binden door verdragen met hun te sluiten. Het verdrag dat zij met de Visigoten sloten, leidde ertoe dat deze in 416 met een leger de Germaanse volken op het Iberisch schiereiland aanvielen. De Alanen en de Silingen leden zulke zware verliezen dat deze noodgedwongen opgingen in de Asdingen. De expeditie van de Visigoten werd door de Romeinen afgebroken nog voordat de macht van de Sueben en de Asdingen was gebroken. In 419 ontstond er een conflict tussen de Sueben en de Vandalen, de Sueben worden door Romeinse interventie van een nederlaag gered.

Hermeric bewaarde de vrede totdat de Vandalen naar Africa trokken in 429. Daarna begon hij plundertochten in hun vroegere gebieden en tegen de inheems-Romeinse bevolking in zijn eigen koninkrijk. De inheemse bevolking deed een beroep op Flavius Aetius, de sterke man van de Romeinen in Gallië. Zijn afgezanten wisten Hermeric te matigen maar pas in 435 kon door bemiddeling van bisschoppen en directe onderhandelingen met de keizer, een nieuwe vrede gesloten worden

In 438 deed hij, ernstig ziek, afstand van de troon en volgde zijn zoon Rechila hem op. In 441 stierf hij.

 
der Sueben, Hermeric (I4125)
 
146

Hij is de oom van Ada en de broer van Dirk VII. Willem I was de tweede zoon van graaf Floris III en Ada van Schotland en hij bracht zijn jeugd door bij de familie van zijn moeder in Schotland. In 1189 begeleidde Willem zijn vader bij de Derde Kruistocht. Zijn vader overleed in 1190 tijdens de kruistocht en zelf werd Willem tijdens zijn terugtocht in Frankrijk gevangengenomen. Hij keerde in 1191 in Holland terug en raakte in onmin met zijn oudere broer Dirk VII die zijn vader Floris III als graaf van Holland was opgevolgd. Willem zocht daarom steun bij de opstandige Friezen. Uiteindelijk werd de ruzie tussen beide broers bijgelegd, en kreeg Willem het bestuur over het graafschap Midden-Friesland. In 1197 trouwde Willem te Stavoren met Aleid van Gelre. Toen zijn broer in 1203 stierf riep hij zichzelf uit tot graaf van Holland. Dit resulteerde in de Loonse oorlog met zijn nichtje Ada en haar man Lodewijk van Loon. In 1206 werd een vrede gesloten waarbij Holland werd verdeeld: Willem kreeg Zeeland en het zuidelijke deel van Holland en Lodewijk kreeg het noordelijk deel Holland. In de praktijk kreeg Willem het snel voor het zeggen in het hele graafschap Holland en heeft Lodewijk geen poging meer ondernomen om hier iets aan te veranderen. In 1213 erkende keizer Otto IV van Brunswijk Willem als graaf van geheel Holland.  Het bestuur van Willem is van groot belang geweest voor de ontwikkeling van Holland. Onder zijn bewind begon de systematische aanleg van dijken (o.a. rond de Grote Waard) en werd het Spaarne afgedamd. In 1216 nam Willem deel aan de expeditie van Lodewijk VIII van Frankrijk naar Engeland. In reactie daarop erkende de Engelse koning Jan Lodewijk van Loon weer als graaf van Holland, en het lukte Jan zelfs om Willem te laten excommuniceren. Om zijn excommunicatie ongedaan te maken nam Willem deel aan de vijfde Kruistocht. Met zijn leger van Friezen, Hollanders en Vlamingen zeilde Willem langs de Europese kust op weg naar het heilige land. Door een storm moesten zijn schepen beschutting zoeken in Portugal. De Portugese koning Alfons II wist de kruisridders over te halen hem te helpen in de strijd tegen de Moorse overheersing in zijn land. Willem I gaf gehoor aan het verzoek en voer op 30 juli 1217 met zijn vloot naar Lissabon. De stad was tachtig jaar eerder tijdens de tweede kruistocht bevrijd, maar de Moren waren nooit helemaal verdreven uit Portugal. Willem hielp de koning bij de verovering van Setúbal (stad) en Alcácer do Sal. Na een zware belegering en met de belofte van Willem I op een vrije aftocht gaven de Moren van Alcácer zich op 21 oktober 1217 over. Eenmaal buiten de vesting stortte het leger van Willem zich op de ongewapende Moren en slachtte ze af. Als dank bood de Portugese koning de kruisridders land aan; vele ridders aanvaardden dit. Willem verloor hierdoor een groot deel van zijn leger en vroeg daarom aan Paus Honorius

III om hem te ontheffen van zijn verplichting en hem toe te staan in plaats daarvan de strijd in Portugal voort te zetten, maar de paus weigerde om op dit verzoek in te gaan. Een deel van de vloot ging daarna op weg naar Akko. Willem zelf overwinterde met de rest van de vloot in Portugal en zou later volgen. In de lente van 1218 kwam Willem met de Friezen, Hollanders en Engelsen aan in Akko, waar de andere kruisridders zich reeds hadden verzameld. Besloten werd om de Noord-Egyptische stad Damiate te veroveren, zodat daarna de rest van het door de Ayyubiden geregeerde rijk kon worden ingenomen. Op 27 mei 1218 kwamen de kruisridders aan bij Damiate, en op 5 november 1219 viel de stad in handen van de kruisvaarders. De Egyptische Sultan al-Kamil stelde daarop voor om Damiate te ruilen voor Jeruzalem. De meeste kruisridders waren ingenomen met dit voorstel, maar de pauselijke afgezant Pelagius weigerde. Niet door onderhandelingen, maar door strijd moest Jeruzalem worden ingenomen. Toen Willem dit hoorde ontstak hij in woede en keerde met zijn leger terug naar huis. Terug in Holland bleek dat Aleid was overleden. Willem hertrouwde met de weduwe van keizer Otto IV, Maria van Brabant maar overleed korte tijd later. Hij is begraven in de abdij van Rijnsburg.

 
van Holland, Willem I (I405)
 
147

Hij is een zoon van Floris V en de laatste graaf uit het Hollandse huis. Jan I werd direct na zijn geboorte verloofd met Elisabeth, de dochter van Eduard I van Engeland aan wiens hof hij ook werd opgevoed. Na de dood van zijn vader, in 1296, waarin ook Eduard I een grote rol speelde, aarzelde de koning om hem terug te sturen naar Holland. Hij liet een aantal Engels-gezinde edelen naar Engeland komen, onder wie Jan III van Renesse en Wolfert I van Borselen. Op 7 januari 1297 huwde Jan Elisabeth van Rhuddlan, dochter van de Engelse koning en mocht hij naar Holland terugkeren, onder de belofte dat hij zich hield aan de door de koning toegevoegde raadslieden. In eerste instantie stond de jonge graaf geheel onder invloed van Jan van Renesse. Op 30 april 1297 droeg Jan I echter het bestuur over aan Wolfert I van Borselen, tot aan zijn 15e verjaardag. Na een conflict met het stadsbestuur van Dordrecht werd Van Borselen op 1 augustus 1299 vermoord. Hierna benoemden de steden Jan van Avesnes, graaf van Henegouwen als regent en op 27 oktober 1299 droeg Jan I de regering voor een periode van 5 jaar aan hem over. Twee weken later stierf Jan, 15 jaar oud, en met hem stierf ook het Hollandse Huis uit. Omdat hij geen directe troonopvolgers had, ging het graafschap naar Jan van Avesnes, graaf van Henegouwen (als Jan II van Holland), zoon van zijn oudtante, Aleid van Holland

 
van Holland, Jan I (I6768)
 
148

Hij stamde waarschijnlijk uit het geslacht der Billungen, en was een zoon van Meginhard IV van Hamaland.

Wichman werd in 936 voor het eerst genoemd als graaf. In 955 trouwde hij met Liutgard (936 - 29 september 964), dochter van Arnulf I van Vlaanderen. Daarbij werd hij burggraaf van Gent en de gebieden ten noorden daarvan, tot aan de Schelde, als vazal van Arnulf. Samen met Arnulf stichtte hij de Sint-Baafsabdij van Gent opnieuw, die door de Vikingen was verwoest. Wichman werd voogd van de Sint-Baafsabdij en werd in 956 ook voogd voor de goederen die de abdijen van Sint Omaars en Maagdenburg bij Deventer bezaten.

In 966 overleed zijn enige zoon. Wichman was toen al weduwnaar en het wegvallen van zijn opvolger moet een grote slag voor hem zijn geweest. Hij droeg zijn Vlaamse lenen over aan zijn neef en zwager Dirk II van Holland en hij stichtte het Sticht Elten. Zijn jongste dochter Liutgard werd er abdis en Wichman schonk twee derde deel van zijn persoonlijke bezittingen aan het klooster en droeg alle grafelijke rechten op het klooster over. Zijn oudste dochter Adela, die alleen een derde deel van de persoonlijke bezittingen zou krijgen, weigerde dat te accepteren. Daarom liet Wichman de schenkingen bevestigen door de keizer. Adela heeft tot in 996 tot aan het keizerlijke hof procedures gevoerd, uiteindelijk kreeg ze de helft van de persoonlijke bezittingen en van de grafelijke rechten van haar vader toegewezen.

Wichman werd in 974 lekenbroeder in het klooster te Mönchengladbach. Hij overleed daar op 20 juli van een jaar (kort?) ná 974. Wichman is begraven te Hoog-Elten. Zijn stoffelijk overschot is niet teruggevonden bij de opgravingen van 1964-1965. Het is waarschijnlijk bijgezet in een afzonderlijke kapel waarin ook het Gangulf-altaar stond en die zich iets ten zuidoosten van de familiebegraafplaats moet hebben bevonden. Bij de opgravingen in Hoog-Elten is het graf van zijn vrouw Liutgard wel gevonden. Aan haar skelet ontbrak één hand met het polsgewricht, terwijl haar gebeente daar tekenen van botvliesontsteking vertoonde. Zij is dus overleden aan de gevolgen van een ernstig ongeval of een geweldsincident.

Wichman was een zoon van Meginhard IV. Wichman en Liutgard van Vlaanderen (dochter van Arnulf van Vlaanderen en Aleidis van Vermandois)

 
van Hamaland, Wichman IV (I388)
 
149

Hij was de oudste zoon van Arnoud van Amstel, heer van Benschop en Noord-Polsbroek, heer van IJsselstein en maarschalk van de bisschop van het Sticht Utrecht en Johanna van IJsselstein. Gijsbrecht erfde deze titels van zijn vader. Hij trouwde rond 1280 met Bertha van Heukelom; uit het huwelijk werden zeven kinderen geboren: Arnold, Otto, Herberen, Johan, Willem, Agnes en een (naamloze) dochter. Hij nam de naam Van IJsselstein aan en veranderde het familiewapen, dat later ook het wapen van de stad IJselstein zou worden.

Gijsbrecht van IJsselstein kwam in problemen toen in 1296 enkele edelen Floris V, de graaf van Holland, wilden ontvoeren, maar zich genoodzaakt zagen de graaf te doden. Onder de samenzweerders waren Gijsbrechts oom (de door Joost van den Vondel onsterfelijk gemaakte) Gijsbrecht IV van Amstel en zijn eigen broer Arnold van Benschop; Gijsbrecht werd verdacht van medeplichtigheid. In de verwarring die door de moord was ontstaan, was de strijd tussen Holland en het Sticht opgelaaid, waarbij Gijsbrecht de kant van het Sticht koos. De Hollanders namen hem gevangen en belegerden het kasteel van IJsselstein, dat verdedigd werd door zijn vrouw Bertha. Na een jaar gaf ze zich over aan de belegeraars. Gijsbrecht was al zijn goederen kwijt. Uiteindelijk zouden ze toevallen aan de bisschop van het Sticht, Gwijde van Avesnes, de broer van de nieuwe graaf van Holland, Jan I van Henegouwen

Toen in 1308 Gijsbrechts oudste zoon Arnold trouwde met Maria van Henegouwen, de dochter van Gwijde van Avesnes kreeg Gijsbrecht zijn leengoederen terug. Gijsbrecht kreeg toestemming van de bisschop om in IJsselstein een parochiekerk te bouwen. Deze Sint-Nicolaaskerk werd in 1310 ingewijd. Zo groeide onder Gijsbrechts bestuur IJsselstein uit van een kasteel met wat boerderijen tot een stad.

Gijsbrecht overleed in 1342 of 1343 en werd door zijn zoon Arnold opgevolgd als heer van IJsselstein. Hij werd bijgezet in de door zijn kleindochter Guyote van IJsselstein opgerichte graftombe van de heren van IJsselstein in de Sint-Nicolaaskerk.

 
van Amstel, later van IJsselstein, Gijsbrecht (I6223)
 
150

Hij was een zoon van Gijsbrecht van IJsselstein en Bertha van Heukelom. Vanaf 1312 wordt hij vermeld als ridder. Tussen 1314 en 1325 bekleedde hij diverse functies in het Sticht Utrecht als schout in Amersfoort en Eemland.

In 1344 volgt hij zijn vader op als heer van IJsselstein. Hij wordt hierin erkend door graaf Willem IV van Holland. Hij heeft in 1345/48 en in 1354/57 zitting in de raad van de graaf van Holland, en wenst bij het opkomen van de Hoekse en Kabeljauwse twisten neutraal te blijven.

Arnold had een grote interesse in de geneeskundige wetenschap en liet speciaal een medische bibliotheek inrichten met rustgasthuis te IJsselstein. Arnold was gehuwd met Maria van Avesnes, dochter van bisschop Gwijde van Avesnes. Zij kreeg een dochter genaamd Guyote die met Jan I van Egmond huwde. Zij volgden hem op als heer en vrouwe van IJsselstein.

Arnold en zijn vrouw werden in de Sint Nicolaaskerk te IJsselstein bijgezet in de graftombe van de heren van IJsselstein

 
van Amstel van IJsselstein, Arnold (I503774)
 

      «Prev 1 2 3 4 5 6 7 ... 20» Next»